Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/10.4:10.4 De zekerheid van een normcentrisch remedierecht
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/10.4
10.4 De zekerheid van een normcentrisch remedierecht
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657395:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek is opgezet met als doel oplossingen te vinden voor de verschillende vormen van rechtsonzekerheid binnen het delictuele remedierecht. Daarbij ging het zowel om rechtsonzekerheid in de traditionele zin van het woord, waarbij vooral de vraag is of voorspelbare uitkomsten worden bereikt en of de wijze van beoordeling langs voorspelbare weg verloopt, maar ook om het gebrek aan zekerheid dat materieelrechtelijke aanspraken zullen worden verwezenlijkt. Die laatste kwaliteit wordt in de Nederlandse doctrine normaal gesproken niet als rechtszekerheid gekwalificeerd, maar de waarde van die vorm van zekerheid is onmiskenbaar.
De normcentrische en relationele benadering beperkt deze onzekerheden van verschillende aard. De normcentrische benadering positioneert de dreigende of reeds gepleegde normschending als reden voor toewijzing, niet slechts als voorwaarde. Die norm wordt daarmee een belangrijke bron van informatie bij de beantwoording van de vraag naar wat een passende geschiloplossing is. Die informatie kan op verschillende manieren bijdragen aan de selectie en vormgeving van de remedie. Dat kan via directe invloed, zoals bij de selectie van de winstafdracht, de vormgeving van het bevel of de vaststelling van het csqn-verband. Op deze manier wordt onzekerheid in enge en formele zin weggenomen: het wordt immers beter voorspelbaar welke remedie wanneer en in welke omvang beschikbaar is.
Die invloed kan echter ook via meer indirecte weg verlopen, zoals bij de selectie van de schadevergoeding in natura, de redelijke toerekening van schade of de belangenafweging die nodig is om te beslissen of een prima facie toewijsbaar bevel toch moet worden afgegeven. Het voordeel daarvan is dat de norm sturing kan geven aan de invulling van normen als redelijkheid en billijkheid om zo voorspelbaarheid in de ruime, formele zin te creëren: het wordt immers duidelijker hoe het debat over de invulling van die norm zal moeten verlopen. De norm dat een frisdrankbezorger die een kelderluik opent maatregelen moet treffen om te voorkomen dat cafébezoekers schade leiden is overduidelijk gericht op de voorkoming van letsel dat zonder die maatregelen zou intreden. Een in natura-vergoeding, een bevel of een winstafdracht heeft bij zo’n normschending niets te zoeken.
Maar misschien nog wel het belangrijkste voordeel is dat de normcentrische benadering de ‘materiële rechtszekerheid’ vergroot. Door de remedie steeds in verbinding te blijven plaatsen met de norm is het eenvoudiger de belofte van de norm te verwezenlijken. Door nadrukkelijker het verband te leggen tussen recht en remedie, kan ervoor worden gewaakt dat gedaagden niet tot te veel verplicht worden en eisers niet te eenvoudig met lege handen komen te staan. In plaats van steeds opnieuw te vragen wat in dit concrete geval ‘redelijk’ of ‘passend’ zou zijn bij de omstandigheden van het geval, is het veel eenvoudiger ieder het zijne te geven als de blik wordt gericht op de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen die aan de vordering ten grondslag is gelegd. Het normatieve oordeel dat nodig is om een geschil te beslechten ligt daarin besloten; het remedierecht bestaat slechts om aan het materiële recht uiting aan te geven.