Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.7.3
1.7.3 Versmalling naar het belastingrecht
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486985:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit ter onderscheiding van zogenoemd technisch bewijsonderzoek (ademanalyse, bloedproef en DNA-onderzoek) dat in punitieve belastingzaken niet of nauwelijks speelt.
Vakstudie Alg. Deel, Algemene leerstukken, aant. 1.10. De boete in het fiscale bestuursrecht behoort tot de oudste in het bestuursrecht (zie Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr. 10, V-N 2009/54.2).
Belangrijke uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de Commissie-Van Dries die in 1936 in het leven werd geroepen en mede ten doel had het fiscale strafrecht beter aan te laten sluiten op de beginselen van het commune strafrecht en J. van der Poel, die na de Tweede Wereldoorlog in verschillende publicaties het fiscale strafrecht heeft belicht; ook in relatie tot het bestuursrecht.
Scheltens 1970.
HR 19 juni 1985,BNB 1986/29; NJ 1986, 104 (m.nt. Scheltens).
Valkenburg 1999, onderdeel 1.
Zie de vorige noot.
Zie § 17.3.1 hierna.
Hoewel de bevindingen van deze studie in de regel ruimere gelding hebben – in het bijzonder wanneer bestuurlijke informatieverplichtingen in het geding zijn1 –, concentreert zij zich op de betekenis van het nemo tenetur-beginsel c.q. het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting voor punitieve belastingzaken. Het belastingrecht behoort in Nederland tot de oudste onderdelen van het bestuursrecht.2 Tot halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw bestond er voor fiscalisten weinig tot geen aanleiding om zich in het nemo tenetur-beginsel te verdiepen. Belastingheffing is immers geen straf (in juridische zin) en de burger geen verdachte. Meer in het algemeen hadden fiscalisten zich tot dan toe slechts incidenteel verdiept in de relatie tussen het (fiscaal) bestuurs- en strafrecht.3 In de praktijk was het fiscaal strafrecht in enge zin (in art. 68 e.v. AWR), voorbehouden aan enkele gespecialiseerde fraude-inspecteurs, het OM, strafrechters en enkele advocaten.
Opkomst nemo tenetur in fiscale boetezaken
Na het verschijnen van Scheltens’ Fiscale Monografie over belastingschuld en heffingsmethoden4, werd de belangstelling voor de verhouding tussen het (fiscaal) bestuurs- en straf(proces)recht verder gewekt door enkele belangrijke gebeurtenissen. Ik noem de rapporten van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk Gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies (ISMO) en de discussies daarover in verschillende kring5, de (door)ontwikkeling van de bestuurlijke boete als instrument voor de handhaving van de belastingwet en niet in de laatste plaats de Straatsburgse rechtspraak over de toepassing van art. 6 EVRM in bestuurlijke boetezaken.6 Gaandeweg werd duidelijk dat fiscalisten zich rekenschap moeten geven van de nemo tenetur-problematiek die vooral de bestuurlijke boete met zich meebracht. Vooral de invloed van het EVRM op de bestuurlijke boeteproblematiek trok de aandacht.
Hierop sluit aan het arrest van 19 juni 1985, nr. 22 076, waarin de belastingkamer van de HR oordeelt dat de fiscaal-bestuurlijke boete een straf is in de zin van art. 6 EVRM.7 Gevolg hiervan was dat de (klassiek) strafrechtelijke waarborgen van het verdragsartikel ook de fiscale boeteprocedure in sterke mate gingen bepalen.8 Het eerder genoemde Funke-arrest markeert een klein decennium later in wezen het beginpunt voor het denken over de doorwerking van het nemo tenetur-beginsel in belastingzaken.
Beperkte codificatie van het zwijgrecht in het fiscaal boeterecht
Na uitgebreide discussies binnen de rechtswetenschap en een groot aantal beslissingen van de nationale rechter waarin het toepassingsbereik van de strafrechtelijke beginselen van art. 6 EVRM in de bestuurlijke boeteprocedure aan de orde kwam – waaronder het daarin belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting –, is met ingang van 1 januari 1998 een aparte afdeling VIIIa in de AWR opgenomen. Daarmee heeft de vertaling van die beginselen in de fiscale boeteprocedure (deels) haar beslag gekregen. Naast een beperkte codificatie van het Straatsburgse zwijgrecht is bij genoemde wetswijziging ook de afstemming met andere (klassieke) strafrechtelijke bepalingen opnieuw doordacht en gestalte gegeven.9
Het fiscaal zwijgrecht in art. 67j AWR (oud) is per 1 juli 2009 vervangen door het boeterechtelijk zwijgrecht in het bestuursrecht (art. 5:10a Awb). Ook dit voor het bestuursrecht als geheel geldende recht steunt op de erkenning door het EHRM van het nemo tenetur-beginsel in zijn rechtspraak betreffende art. 6 EVRM.10