Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.2.2.2
5.2.2.2 Stil pand
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480533:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 749.
Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/776.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo- Mitsubishi) en art. 3:33 jo. 3:35 BW.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi).
Vgl. HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.)
Vgl. HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabobank).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 749.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 749.
Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi).
HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING). Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/765.
Vgl. HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi), HR 19 november 2004, JOR 2005/20, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, NJ 2006/210, m.nt. H.J. Snijders (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.).
HR 19 november 2004, JOR 2005/20, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, NJ 2006/210, m.nt. H.J. Snijders (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.). Vgl. MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1329-1330 en HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.). Vgl. HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING).
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1330, en HR 19 november 2004, JOR 2005/20, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, NJ 2006/210, m.nt. H.J. Snijders (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt overigens ook dat registratie op zich niet kan voorkomen dat schijnakten worden opgemaakt. Zie VV II, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 727-728 en HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.).
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.); en HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING).
Art. 1 lid 2, aanhef en onder b, Registratiewet 1970 jo. 11 Uitvoeringsbeschikking Registratiewet 1970. Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi). Zie art. 10 Registratiewet 1970 over de geheimhoudingsplicht en de beperkte mogelijkheden tot verstrekking van gegevens uit het register.
HR 29 juni 2001, NJ 2001/662, m.nt. W.M. Kleijn (Meijs q.q./Bank of Tokyo-Mitsubishi).
Zie hierover Beekhoven van den Boezem 2011, alsmede Kaptein 2012b. Zie art. 3 lid 2 Registratiewet 1970 voor de elektronische registratie van notariƫle akten.
Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/765.
HR 19 november 2004, JOR 2005/20, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, NJ 2006/210, m.nt. H.J. Snijders (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.). Terecht kritisch over de argumentatie van de Hoge Raad is Struycken 2009, p. 139-140. Zie ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/166.
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.).
Vgl. HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.) en HR 19 november 2004, JOR 2005/20, m.nt. S.C.J.J. Kortmann,NJ 2006/210, m.nt. H.J. Snijders (Bannenberg/Rosenberg Polak q.q.).
Art. 37 lid 2 Wet op het notarisambt.
Art. 40 lid 2, aanhef en onder e, Wet op het notarisambt. Dit op straffe van het verlies van authenticiteit van de akte (art. 40 lid 4 Wet op het notarisambt).
Art. 40 lid 3 Wet op het notarisambt. Zie ook art. 43 lid 4 Wet op het notarisambt.
Zie in het bijzonder art. 1 lid 2, onder a, Registerwet 1970.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 836; MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1234. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/765 (voetnoot 43). Zie ook HR 9 juli 2010, NJ 2012/226, m.nt. H.J. Snijders (Eurofactor) over het procesverbaal en het vonnis als een authentieke akte en de daaraan gekoppelde bewijskracht.
Asbreuk-Van Os 1992.
184. De vestigingshandeling voor een stil (of vuistloos) pandrecht kan bij voorbaat worden verricht op grond van art. 3:98 jo. 3:97 jo. 3:237 lid 1 BW. Voor deze vestiging volstaat een authentieke of geregistreerde onderhandse akte. Niet is vereist dat de zaak in de macht wordt gebracht van de pandhouder of van een derde. Evenmin is nodig dat de zaak in de macht van de pandgever is.1 Deze vestigingsformaliteit vormt geen enkele beperking voor de vestiging bij voorbaat ten aanzien van een toekomstige roerende zaak.2
ā Eisen aan de akte
185. Aan de pandakte worden geen strenge eisen gesteld. Op dit punt kan ā mijns inziens ā worden aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake van onderhandse akten tot levering of verpanding van vorderingen. Er is geen goede reden om dezelfde eisen niet ook toe te passen op de onderhandse akten tot verpanding van roerende zaken. Evenmin zie ik redenen om andere ā strengere ā eisen te stellen aan een authentieke akte tot verpanding van roerende zaken.
De akte moet dus zijn bestemd tot verpanding van de erin bedoelde goederen. Dat betekent niet dat een tot verpanding strekkende verklaring van de pandgever met zoveel woorden in de akte moet zijn opgenomen. Het is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en in samenhang met andere akten of andere feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot verpanding. Beslissend is of de pandhouder redelijkerwijs uit de akte heeft mogen begrijpen dat zij tot vestiging van een pandrecht was bedoeld.3Art. 3:237 BW vereist niet dat de pandakte de titel voor de verpanding moet inhouden of een verklaring van de pandhouder dat hij het pandrecht aanvaardt.4 Evenmin is noodzakelijk dat de vordering waarvoor het pandrecht wordt gevestigd nauwkeurig in de pandakte is omschreven.5 Voor de bepaling van de (overige) inhoud van de pandakte komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).6
ā Verklaring ex art. 3:237 lid 2 BW
186. Een bijzondere inhoudelijke eis aan de pandakte wordt gesteld door art. 3:237 lid 2 BW. Op grond van deze bepaling is de pandgever verplicht om in de pandakte te verklaren dat hij tot het verpanden van het goed bevoegd is, alsmede dat of, en zo ja welke, beperkte rechten op het goed rusten. In geval van een verpanding bij voorbaat van toekomstige goederen moet art. 3:237 lid 2 BW zo worden opgevat dat de pandgever dient op te geven of die goederen door de pandgever wellicht reeds tevoren bij voorbaat als toekomstige goederen aan een ander waren geleverd, dan wel daarop bij voorbaat ten behoeve van een ander pand of vruchtgebruik was gevestigd.7 Van de pandgever wordt echter niet verwacht dat hij een verklaring aflegt omtrent eventuele ā door anderen ā gevestigde rechten die op het goed rusten op het tijdstip dat de vestiging bij voorbaat wordt verricht en het goed dus nog niet aan de pandgever toebehoort. De naleving van art. 3:237 lid 2 BW is overigens geen constitutief vereiste voor de vestiging van het pandrecht.8 Blijft een dergelijke verklaring achterwege of is zij onjuist of onvolledig, dan heeft dat geen gevolgen voor de geldigheid van de vestigingshandeling. Niet-naleving van het voorschrift kan echter strafrechtelijke consequenties hebben voor de pandgever. In het bijzonder komen de delicten valsheid in geschrifte (art. 225 Sr), valse opgave in een authentieke akte (art. 227 Sr), het nalaten van het verstrekken van verplichte gegevens (art. 227b Sr) en oplichting (art. 326 Sr) in aanmerking.9
ā Geregistreerde onderhandse akte
187. De vestiging van het pandrecht kan geschieden door middel van een onderhandse pandakte en registratie daarvan. Met een onderhandse akte wordt een akte in de zin van art. 156 lid 3 Rv bedoeld. Daarmee is in beginsel een door de pandgever ondertekend geschrift vereist. Niet vereist is een ondertekening van de akte door de pandhouder. De akte behoeft aldus niet tweezijdig te zijn.10 Op grond van art. 156a Rv kan de pandakte ook in elektronische vorm worden opgemaakt. De ondertekening zou in dat geval op grond van art. 3:15a BW eveneens elektronisch kunnen geschieden.
De vestiging door middel van een onderhandse akte wordt pas voltooid door registratie van de akte. De registratie is ā anders gezegd ā een constitutief vereiste voor de vestigingshandeling.11 De voornaamste ratio van het voorschrift is het tegengaan van antedatering.12 Door de registratie komt immers vast te staan dat de akte is tot stand gekomen uiterlijk op de dag van de, op het geregistreerde stuk aangetekende, registratie.13 Daarnaast dient het vereiste van registratie tot het tegengaan van valse akten. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de eis om de akte in de handen van de bevoegde autoriteiten te stellen een psychologische rem zal vormen op het opmaken van valse akten.14 Het registratievereiste strekt echter niet ertoe om strengere eisen te stellen aan de mate van omschrijving in de akte van de te verpanden goederen.15
Onder de registratie moet worden verstaan de vermelding van de (gehele of gedeeltelijke) inhoud van de onderhandse pandakte in een (niet-openbaar) register dat wordt gehouden door de aangewezen inspecteurs van de rijksbelastingdienst.16 Thans kunnen onderhandse akten nog slechts bij het kantoor Rotterdam en persoonlijk of per post worden aangeboden. Een pandakte wordt geregistreerd wanneer zij daartoe wordt aangeboden.17 Het is echter niet noodzakelijk dat de originele akte wordt aangeboden. Een (fax)kopie van de akte volstaat.18 De regeling voorziet vooralsnog niet in de registratie van elektronische opgemaakte en ondertekende onderhandse akten.19 De wet bevat geen voorschriften over de persoon van de aanbieder. Het moet daarom worden aangenomen dat de pandgever, de pandhouder, maar ook andere personen bevoegd zijn tot het aanbieden van de akte ter registratie.20
Nadat de akte is aangeboden, wordt met betrekking tot deze akte een aantal gegevens geregistreerd. Onder meer de aard van de akte, de naam en woonplaats van ten minste ƩƩn der partijen bij de akte, en het aantal bladen van de akte en de daarin aangebrachte renvooien worden opgenomen in het register āRegistratie nr. 4ā onder een doorlopend volgnummer.21 Als bewijs van de registratie stelt de inspecteur op het aangeboden stuk een door hem ondertekende verklaring. De verklaring vermeldt in het bijzonder de dagtekening van de registratie.22
De registratie van de akte kan niet worden vervangen door het opmaken van een notariĆ«le akte van depot van de onderhandse akte. Hoewel de handelwijze tegemoet komt aan het doel om antedatering van de akte tegen te gaan, zou zij volgens de Hoge Raad afbreuk doen aan de āpsychologische remā die volgens de wetgever ligt besloten in de registratie bij de belastingdienst.23
De dag waarop de akte ter registratie wordt aangeboden, geldt ā naar analogie van art. 3:19 lid 2 BW ā als de dag van registratie.24 De aanbieder van de akte kan daardoor zelf de dag bepalen waarop de registratie- eis wordt vervuld en hij is in zoverre niet afhankelijk van het tijdverloop van administratieve handelingen waarop hij geen invloed heeft. Het tijdstip waarop de akte daadwerkelijk is ingeboekt door het vermelden van de gedeeltelijke inhoud in het register is in dit verband niet relevant. 25 Anders dan geldt bij de aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers, voorziet de Registratiewet 1970 niet in een vermelding van het uur en de minuut van het tijdstip van aanbieding.26
ā Authentieke akte
188. De vestiging bij voorbaat van een stil pandrecht op toekomstige roerende zaken kan ook krachtens authentieke akte geschieden. Met een authentieke akte wordt gedoeld op een akte die in de vereiste vorm en bevoegdelijk is opgemaakt door (in beginsel) een ambtenaar, aan wie krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hem gedane waarnemingen of verrichtingen.27
Een notariƫle pandakte levert in beginsel een authentieke akte op. De notaris is op grond van art. 2 lid 1 Wet op het notarisambt in het algemeen bevoegd om een authentieke akte te verlijden op het verlangen van een partij, waaronder dus is begrepen een pandakte op verzoek van de pandgever (en eventueel de pandhouder). Nu de pandakte door de pandgever dient te zijn ondertekend, zal de notariƫle akte een zogenoemde partij-akte zijn in de zin van art. 37 Wet op het notarisambt. De pandakte dient daarom door in ieder geval de pandgever en de notaris ondertekend te worden.28 De notaris vermeldt in de akte onder meer het jaar, de maand en de dag waarop de akte is verleden.29 Nu het tijdstip van verlijden van belang kan zijn, dient de notaris ook dit gegeven in de akte op te nemen.30 De notariƫle akte moet eveneens geregistreerd worden op basis van de Registratiewet 1970. Deze registratie verschilt echter van de registratie van een onderhandse akte. Zij is namelijk geen constitutief vereiste voor de geldigheid van de vestigingshandeling en geschiedt door opname in een register dat wordt gehouden door de Koninklijke Notariƫle Beroepsorganisatie.31
Een notariƫle akte is slechts een voorbeeld van een authentieke akte. De vraag is echter of ook in andere gevallen bevoegdelijk een authentieke pandakte kan worden opgemaakt. Het proces-verbaal van een schikkingscomparatie (in de zin van art. 87 lid 3 Rv) is een voorbeeld van een niet-notariƫle authentieke akte die tot verpanding zou kunnen strekken. Indien een geschil mede wordt geƫindigd door de vestiging van zekerheid, zal het proces-verbaal kunnen dienen als een authentieke pandakte.32 Daarnaast is in de literatuur wel betoogd dat een stil pandrecht ook zou kunnen worden gevestigd door middel van een deurwaardersexploot.33 Dat is volgens mij niet mogelijk. Een akte is immers slechts authentiek indien zij bevoegdelijk is opgemaakt. Aangezien de wettelijke bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder niet mede het opmaken van pandakten omvatten, zal een dergelijke akte geen kracht van authenticiteit hebben.34
ā Geen beperkingen ten aanzien van toekomstige goederen
189. Uit de eis van hetzij een geregistreerde onderhandse akte, hetzij een authentieke akte vloeit geen enkele beperking voort met betrekking tot de vestiging bij voorbaat van een stil pandrecht op een toekomstig goed. De stille verpanding van de toekomstige roerende zaken van de pandgever, zoals nog te verwerven of te produceren voorraad, kan door middel van ƩƩn vestigingshandeling bij voorbaat worden verricht.