Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.7.4:III.7.4 Slotsom
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.7.4
III.7.4 Slotsom
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460417:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als het bestuursrechtelijke overtredersbegrip wordt ingevuld zoals is beoogd door de wetgever – dus als de vereisten die in het strafrecht zijn ontwikkeld voor functioneel plegen, medeplegen en feitelijk leidinggeven worden toegepast voor de beoordeling van bestuursrechtelijk overtrederschap – dan hebben leidinggevenden mijns inziens niet te vrezen voor excessieve bestuursrechtelijke aansprakelijkheid. Bezien vanuit de materiële vereisten, bevatten de overtrederschapsvormen voldoende waarborgen om te voorkomen dat bestuursorganen lichtzinnig sancties opleggen aan natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming.
Vervolgens heb ik me gericht op de vraag of er bij het opleggen van een bestuurlijke sanctie grond is om voor bestuurders van rechtspersonen een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime toe te passen. Daartoe heb ik een aantal argumenten bestudeerd die in de literatuur worden genoemd voor een uitzonderingspositie van bestuurders. Allereerst heb ik betoogd dat het ‘bange bestuurders’-argument (ook) in het bestuursrecht niet een hogere aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders kan rechtvaardigen. Voor de aanname dat een hogere aansprakelijkheidsdrempel kan voorkomen dat bestuurders minder onwenselijk defensief gedrag zullen vertonen ontbreekt (empirisch) bewijs. Bovendien geldt – zeker in het milieubestuursrecht – dat een risicomijdende houding van bestuurders niet per se onwenselijk is.
Daarna heb ik toegelicht waarom de bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders geen ‘secundair’ karakter heeft. Deze rangorde miskent ten eerste dat de bestuurder vaak ook zelf normadressaat van milieuvoorschriften is, en ten tweede dat de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens het medeplegen van- of feitelijk leiding geven aan een (milieu)overtreding niet ondergeschikt is aan de aansprakelijkheid van de rechtspersoon.
Verder heb ik betoogd dat convergentie tussen het privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsregime onlogisch en onwenselijk is: het transplanteren van de (overigens niet onomstreden) ernstig verwijt-maatstaf naar het bestuursrecht doet geen recht aan de verschillende aard en functie van de betreffende rechtsgebieden, en het zou de bestuursrechtelijke systematiek op een vreemde manier doorkruisen. Nog afgezien daarvan zou de convergentie met het privaatrecht ingaan tegen de wens van de wetgever, die immers juist heeft beoogd om met het bestuursrechtelijke overtredersbegrip aan te sluiten bij het strafrecht.
Ten slotte heb ik beargumenteerd dat de complexiteit van of veelheid aan milieuvoorschriften geen reden is voor het introduceren van aanvullende vereisten voor de bestuursrechtelijke milieuaansprakelijkheid van bestuurders. Bewustheid van het wederrechtelijke karakter van een milieuovertreding is (ook) in het bestuursrecht niet vereist voor overtrederschap, en een dergelijk vereiste zou de handhaving van milieuvoorschriften onterecht en aanzienlijk kunnen bemoeilijken.