Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/5.8.5.3
5.8.5.3 Rechtsgevolg afkoelingsperiode
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192557:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 260.
Zie nr. 265.
Zie nr. 260 en 265.
§4.11.
§4.6.
Zie over dit mensenrechtelijk kader §4.2.
Uitgangspunt 9, besproken in §4.11.
Vgl. §4.11. Dat veronderstelt overigens wel dat de going concernwaarde groter is dan de waarde die bij stuksgewijze verkoop gerealiseerd kan worden.
Vgl. Tollenaar 2019c, §13, die schrijft dat de toets zou moeten zijn of de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij opheffing zijn gediend.
Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §8.5.
In het Voorontwerp WHOA was de mogelijkheid om de behandeling van een faillissementsaanvraag te schorsen geregeld in een bijzondere regeling, art. 3d Voorontwerp WHOA.
Zie over deze indirecte weg: Tollenaar 2019c, §13.
Dit werd nog expliciet bepaald in MvT Voorontwerp WHOA, p. 15. Zie voor kritiek op deze benadering: Verstijlen 2017, §3.3.5.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 4, p. 7. Vgl. art. 7 lid 2 Herstructureringsrichtlijn, besproken in nr. 271.
Art. 7 lid 2 Herstructureringsrichtlijn heeft betrekking op door schuldeisers gedane verzoeken, art. 7 lid 1 Herstructureringsrichtlijn ziet op nationaalrechtelijke verplichtingen om de opening van een insolventieprocedure te openen.
Deze kwestie is niet geregeld in de Richtlijn en evenmin in de WHOA.
Zie voor een bespreking van deze regeling: Van der Aa 2007, p. 62-63 en 81-85. Kritisch over deze regeling: Vermunt 2008, p. 327-328; Faber 2005, nr. 438. In het Voorontwerp Insolventiewet werd voorgesteld het verhaal op vorderingen tot betaling van een geldsom niet onder de afkoelingsperiode te laten vallen, vgl. Art. 3.6.3 lid 2 Voorontwerp.
Verstijlen 2017, §3.3.7.
Het is de vraag hoe banken moeten omgaan met verrekening die automatisch plaatsvindt in een rekening-courant verhouding. Mij lijkt verdedigbaar dat wanneer een afkoelingsperiode is gelast, uit de wet voortvloeit dat geen verrekening kan plaatsvinden. Eventuele boekingen die ná het uitspreken van de afkoelingsperiode nog zijn verricht, dient de bank desgevraagd administratief te corrigeren. Vgl. Schuijling 2019/27.
Het is onzeker of gedurende de afkoelingsperiode in surseance en faillissement verrekend mag worden. Zie hierover en met uitgebreide verwijzingen: Schuijling 2019/14; Verstijlen 2017, §3.3.8. De meerderheidsopvatting in de literatuur lijkt te zijn dat de afkoelingsperiode in surseance en faillissement niet aan verrekening in de weg staat. Anders: Van der Aa 2007, p. 104-105.
HR 17 februari 1995, NJ 1996/471 m.nt. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).
Tollenaar 2019c, §13. Zie voor dit onderscheid ook Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §2. Ook Verstijlen maakte dit onderscheid tijdens zijn presentatie op het Eyes on insolvency-congres dat op 1 november 2019 plaatsvond. De presentatie is terug te vinden op https://eyesoninsolvency.com/documenten (laatst geraadpleegd 30 december 2019).
De situatie waarin een financier de bankrekening van de schuldenaar crediteert met een bedrag dat door een derde op die rekening wordt betaald, wordt immers ook als ‘overneming’ in de zin van art. 54 Fw gezien. Vgl. HR 8 juli 1987, NJ 1988/104 m.nt. Van der Grinten (Loeffen q.q./Mees & Hope I); HR 7 oktober 1988, NJ 1989/449 m.nt. Vranken (AMRO/Curatoren THB).
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 24 en 28-29.
De schuldenaar blijft gedurende het pre-insolventieakkoordtraject immers beschikkingsbevoegd. Vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 54; Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §8.1-8.3.
Zie bijvoorbeeld: Vermunt 2008, p. 337-349 met verdere verwijzingen. Het aanvankelijk voorgestelde art. 63b Fw bevatte een regeling inzake het gebruiks-, verbruiks- en vervreemdingsrecht met daaraan gekoppeld een vergoedingsrecht. De reacties op dit voorstel vormden echter aanleiding om het artikel te schrappen. Vgl. Kamerstukken II 2001/02, 27 244, nr. 5, p. 23-24.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 21; 56.
Op basis van contractuele vervreemdingsbevoegdheidsclausules.
Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §8.4.
Ik hanteer deze term in navolging van Nieuwenhuis & Tollenaar, vgl. Nieuwenhuis & Tollenaar 2019.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 21; 56.
Hoogenboezem 2019, §5 en 8.
In dezelfde zin en kritisch op deze machtspositie van de financier: Hoogenboezem 2019, §8.
Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §8.4.
281. In art. 376 lid 2 Fw wordt een drietal rechtsgevolgen van de afkoelingsperiode uiteengezet. In de eerste plaats kunnen derden elke bevoegdheid tot verhaal op goederen van de schuldenaar niet uitoefenen, tenzij zij daarvoor een machtiging van de rechtbank verkrijgen. Deze rechtsgevolgen komen uitgebreid aan bod in nr. 282. In de tweede plaats kan de rechtbank beslagen opheffen, zie daarover nr. 283. Ten derde wordt de behandeling van verzoeken tot opening van een surseance- en/of faillissementsprocedure geschorst, waarover meer in 284.
De WHOA bevat ook aanvullende regelingen over de positie van de financier met pandrechten op vorderingen die de schuldenaar op derden heeft (zie nr. 285-286), de bevoegdheid tot gebruik, verbruik en vervreemding (waarover nr. 287-288) en een doorleveringsplicht (nr. 289).
− Geen verhaal
282. De afkoelingsperiode heeft tot gevolg dat “elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van de schuldenaar behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden niet [kan] worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid”.1 Deze formulering sluit aan bij de tekst van art. 63a en 214a Fw. De afkoelingsperiode heeft daarmee effect op onder andere pand- en hypotheekhouders, verkopers die onder eigendomsvoorbehoud leverden, derden die gebruik kunnen maken van het recht van reclame, huurverkopers, lessors, bruikleengevers en de fiscus.
Deze partijen kunnen de zaken die hun in eigendom toebehoren of aan hen in zekerheid zijn gegeven, slechts met machtiging van de rechter-commissaris opeisen. In de toelichting zet de wetgever uiteen dat de rechter-commissaris geen toestemming zal verlenen wanneer dat ertoe zou leiden dat het onderhandelingstraject in gevaar komt.2 De manier waarop de rechter om zal gaan met machtigingsverzoeken is cruciaal voor beantwoording van de vraag of de wetgever hier een juiste balans heeft gevonden tussen het belang van het collectief (dat de herstructurering tot stand komt) en de belangen van de individuele schuldeisers. Bij de bespreking van de Engelse rechtspraak over het moratorium in administration3 en de Amerikaanse ‘automatic stay’-regeling4 kwam aan bod welke factoren een rechter meeweegt, wanneer hij moet oordelen over een verzoek om de afkoelingsperiode ten aanzien van een crediteur te ‘liften’. De Nederlandse rechter zou de nodige inspiratie aan deze jurisprudentie en leerstukken kunnen ontlenen. Zo zou de machtiging verleend kunnen worden wanneer de zaken niet cruciaal zijn voor de continuïteit van de onderneming van de schuldenaar. Een reden om de machtiging juist niet te verlenen kan gelegen zijn in het feit dat de waarde van het object de gesecureerde vordering overstijgt.5
Bij de beslissing voor het al dan niet verlenen van deze machtiging zijn de uitgangspunten ‘waardebehoud’6, ‘pre-insolventie’7, maar ook art. 1 EP EVRM8 van belang. De rechtvaardiging van de afkoelingsperiode – en daarmee de inperking van de rechten van individuele crediteuren – is gelegen in het uitgangspunt van ‘waardebehoud’.9 Wanneer verhaal zou worden genomen op goederen die cruciaal zijn voor de voortzetting van de onderneming, zou dat nadelig zijn voor de gezamenlijke schuldeisers. Mijns inziens is het gerechtvaardigd om verhaalsacties (tijdelijk) op te schorten met het oog op het in stand houden van de going concernwaarde.10 Gezien de ingetreden staat van pre-insolventie, zijn de schuldeisers bovendien onderling in een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste, verhouding tot elkaar komen te staan. De rechtvaardiging om een enkele schuldeiser wél toe te staan tot opeising of uitwinning over te gaan, kan ook worden gevonden in het uitgangspunt ‘waardebehoud’. Voor zover de gezamenlijke schuldeisers niet slechter af zijn met de uitwinning of het verhaal, zou de rechter de gevraagde machtiging moeten verlenen. Schuldeisers zijn bijvoorbeeld niet slechter af wanneer goederen die niet essentieel zijn voor de continuïteit van de onderneming, worden opgehaald of uitgewonnen. In andere gevallen kan het ‘toegeven’ ten opzichte van bepaalde dwangcrediteuren onder de streep meer opleveren: het risico de contractspartij te verliezen zou de onderneming meer schade berokkenen dan de machtiging veroorzaakt.
− Opheffing beslagen
283. Op grond van art. 376 lid 2 sub b Fw kan de rechtbank gedurende de afkoelingsperiode op verzoek van de schuldenaar of de herstructureringsdeskundige beslagen opheffen. In de bestaande regelingen inzake de afkoelingsperiode is geen soortgelijke bevoegdheid opgenomen, nu in surseance en faillissement gelegde beslagen vervallen.11 De gedachte zal ook hier zijn dat de rechtbank beslagen zal opheffen wanneer dat in het belang van de waardemaximaliserende herstructurering is.12 Denkbaar is dat de schuldenaar de beslagen goederen nodig heeft om zijn onderneming voort te kunnen zetten en daarmee de going concernwaarde te kunnen behouden. In de toelichting is deze mogelijkheid niet nader uitgewerkt, maar zij bouwt vermoedelijk voort op de aanbevelingen van Nieuwenhuis en Tollenaar over de mogelijkheden gedurende het WHOA-traject werkkapitaal te kunnen (blijven) gebruiken.13
− Schorsing behandeling surseance- of faillissementsverzoek
284. Indien een pre-insolventieakkoordprocedure zou kunnen worden gedwarsboomd door de (toewijzing van een) faillissementsaanvraag, zouden schuldeisers een eenvoudig maar ijzersterk middel in handen hebben om de herstructurering te dwarsbomen. Indien de schuldenaar niet wil dat er een pre-insolventieakkoord tot stand komt, zou hij surseance of faillissement kunnen aanvragen. Van de idee dat een akkoord tot stand zou mogen komen indien het akkoord meerwaarde heeft ten opzichte van alternatieve scenario’s, komt dan niets terecht.
Daarom bepaalt art. 376 lid 2 sub c Fw dat tijdens de afkoelingsperiode de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door schuldeisers ingediend faillissementsverzoek wordt geschorst.14 Op die manier kan de schuldenaar die een akkoord voorbereid, beschermd worden tegen faillissementsaanvragen van derden. De dynamiek bij een eigen surseance- of faillissementsaanvraag is iets anders. Indien schuldeisers meerwaarde zien in het akkoord maar de schuldenaar niet, zijn de schuldeisers zonder afkoelingsperiode niet beschermd tegen een eigen aangifte. Indien er een herstructureringsdeskundige is benoemd kan deze, wanneer hij vreest dat de schuldenaar surseance of faillissement zal aanvragen, om een afkoelingsperiode verzoeken. Crediteuren die een eigen aangifte vrezen, kunnen niet zélf om een afkoelingsperiode verzoeken.15 Zij dienen een indirecte weg te bewandelen om te voorkomen dat aan de schuldenaar surseance wordt verleend of dat hij failliet wordt verklaard. De vermogensverschaffers zullen om de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige moeten verzoeken. Is dit verzoek gelijktijdig met een surseance- of faillissementsverzoek aanhangig bij de rechtbank, wordt het eerste verzoek als eerste behandeld.16 De aangewezen herstructureringsdeskundige kan vervolgens om de afkoelingsperiode verzoeken.17
Het lijkt de bedoeling verzoeken van schuldeisers, ongeacht of zij in het akkoord zijn betrokken, te schorsen.18 In het Voorontwerp WHOA was de mogelijkheid om de behandeling van een faillissementsaanvraag te schorsen geregeld in de bijzondere regeling van art. 3d Voorontwerp WHOA. Als gevolg van de keuze om de WHOA te doen aansluiten bij de Herstructureringsrichtlijn, is de schorsing van de behandeling één van de rechtsgevolgen van de afkoelingsperiode geworden.19 Uit art. 7 lid 2 Herstructureringsrichtlijn volgt dat door schuldeisers gedane faillissementsverzoeken gedurende de afkoelingsperiode niet worden behandeld. Uit considerans 38 blijkt bovendien dat deze regel geldt, ongeacht of het om een algemene of om een beperkte afkoelingsperiode gaat. Dat impliceert dat, zodra ten opzichte van één crediteur een afkoelingsperiode is gelast, de behandeling alle door schuldeisers gedane faillissementsaanvragen niet worden behandeld. De Memorie van Toelichting besteedt hier geen aandacht aan.
Nu de Richtlijn geen betrekking heeft op door de schuldenaar vrijwillig gedane verzoeken tot opening van een insolventieprocedure,20 is niet gezegd dat het feit dat er een beperkte afkoelingsperiode is afgekondigd ook tot gevolg heeft dat de behandeling van een surseanceaanvraag of een eigen aangifte automatisch wordt geschorst.21 Hoewel dit wel de bedoeling lijkt te zijn, is verduidelijking van dit punt zeer gewenst.
De besproken regeling komt er op neer dat zodra een afkoelingsperiode is gelast, de opening van de surseance of het faillissement niet mogelijk is. Op het eerste gezicht worden de belangen van de crediteuren voldoende beschermd door het in nr. 280 besproken art. 376 lid 10 Fw. Zodra een afkoelingsperiode niet meer op zijn plaats is, heft de rechtbank deze op, op verzoek van de herstructureringsdeskundige, de schuldenaar, schuldeisers of ambtshalve. Als gevolg daarvan kunnen ook de aanhangige faillissementsverzoeken weer worden behandeld. Deze regeling is echter problematisch wanneer de schuldenaar ervoor zorgt dat hij diverse beperkte afkoelingsperiodes op elkaar laat volgen en zo zelfs langer dan 8 maanden de schorsing van de behandeling van faillissementsverzoeken zou kunnen bewerkstelligen. Indien hij zich beroept op considerans 38 van de Richtlijn, zou hij zichzelf op die manier gedurende een langere periode ervan kunnen verzekeren dat faillissementsverzoeken niet worden behandeld. Dat lijkt niet de bedoeling te zijn.
− Verpande vorderingen
285. Ten aanzien van verpande vorderingen geldt het volgende. In art. 376 lid 8 Fw is art. 241b Fw als enige bepaling uit de afkoelingsregeling in surseance níet van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bepaling regelt de positie van de zekerheidsgerechtigde met een stil pandrecht op vorderingen van de schuldenaar op derden. Art. 241b lid 1 Fw bepaalt dat pandhouders tijdens de afkoelingsperiode in surseance mogen overgaan tot mededeling van de verpanding en bovendien betalingen in ontvangst mogen nemen. Pandhouders dienen de volledige opbrengst echter bij een bewaarder te storten.22 Gedurende de afkoelingsperiode kunnen de pandhouders zich dus niet verhalen op de geïnde bedragen.
Nadat de pandhouder mededeling heeft gedaan van de verpanding, kan de debiteur slechts bevrijdend betalen aan de pandhouder.23 Indien er gedurende een pre-insolventieakkoordtraject mededeling worden gedaan, zou dat ertoe leiden dat de schuldenaar zelf geen inkomsten meer ontvangt. Dat zou funest zijn voor de continuïteit van de onderneming.24 De schuldenaar moet over liquide middelen kunnen beschikken om de onderneming gedurende het WHOA-traject te kunnen voortzetten. Verstijlen voert in zijn preadvies naar aanleiding van het Voorontwerp WHOA nog een tweede reden aan waarom de pandhouder de verpanding niet zou mogen mededelen. Dergelijke mededelingen zouden tot grote onrust onder de debiteuren leiden. Anders dan het geval is in surseance en faillissement, zijn de financiële problemen van de schuldenaar (doorgaans) niet openbaar. Als gevolg van deze onrust treedt desintegratieschade op die men juist probeert te voorkomen met een pre-insolventieakkoordtraject.25
286. In art. 376 lid 7 Fw is daarom een bijzondere regeling opgenomen voor deze situatie. De pandhouder is gedurende een WHOA-afkoelingsperiode niet bevoegd mededeling te doen, betalingen in ontvangst te nemen of te verrekenen met een vordering op de schuldenaar.26 Het gaat om een verstrekkende beperking van de bevoegdheden van de pandhouder.27 Op grond van het Mulder q.q./CLBN-arrest kan deze pandhouder normaliter immers óók in het zicht van insolventie verrekenen.28
In de literatuur is gesuggereerd dat art. 376 lid 7 Fw verrekening door de pandhouder slechts uitsluit wanneer verrekend wordt teneinde het krediet terug te laten lopen.29 Deze stelling wordt gebaseerd op art. 54 lid 3 Fw. Dit artikellid bepaalt dat een bank die vorderingen overneemt als gevolg van binnenkomende girale betalingen30 te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw wanneer een WHOA-traject is aangevangen31 en de verrekening geschiedt in het kader van de voortzetting van de onderneming, maar niet strekt tot inperking van die financiering. Met deze bepaling hoopt de wetgever te realiseren dat schuldenaren tijdens een akkoordtraject de beschikking houden over hun rekening-courantkrediet.32
Deze bepaling doet echter niet af aan het verrekeningsverbod van art. 376 lid 7 Fw, dat nu juist de Mulder q.q./CLBN-verrekening verbiedt. Nu de bevoegdheid tot verrekening eenvoudigweg ontbreekt, komt men niet toe aan de vraag of de verrekening de toets aan art. 54 lid 3 Fw zou doorstaan.
De rechtvaardiging voor deze inperking is daarin gelegen dat de schuldenaar over de geïnde bedragen moet kunnen blijven beschikken. De gedachte is klaarblijkelijk dat de schuldenaar zonder te kunnen beschikken over dit werkkapitaal niet in staat zal zijn bedrijfsuitoefening te continueren. Daar staat tegenover dat de schuldenaar vervangende zekerheid moet stellen.
Toereikende vervangende zekerheid kan blijkens de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld gelegen zijn in de verpanding van nieuwe vorderingen, die voortvloeien uit de voortgezette bedrijfsuitoefening. Op basis van de in de praktijk gehanteerde verzamelpandakte-constructie zal dit in veel gevallen “min of meer automatisch” gaan, aldus de wetgever.33
− Gebruiks-, verbruiks- en vervreemdingsbevoegdheid
287. In de literatuur wordt gediscussieerd over de vraag of de curator in faillissement en/of de bewindvoerder in surseance bevoegd zijn om goederen van derden of in zekerheid gegeven goederen te gebruiken, verbruiken en vervreemden tijdens een afkoelingsperiode.34 De WHOA bepaalt in art. 377 Fw expliciet dat de schuldenaar, wanneer hij voor aanvang van de afkoelingsperiode bevoegd was goederen te gebruiken, verbruiken of vervreemden of bevoegd was om vorderingen te innen, dat ook tijdens de afkoelingsperiode mag blijven doen.
Art. 377 Fw bevestigt in de eerste plaats dat bestaande bevoegdheden tot gebruik, verbruik, vervreemding en inning in stand blijven gedurende de afkoelingsperiode. De rechtvaardiging voor deze regel is dat hierdoor de onderneming kan worden voortgezet. 35 Deze voortzetting maakt het mogelijk de going concernwaarde van de onderneming zoveel als mogelijk te behouden. Zou een detaillist bijvoorbeeld niet meer mogen beschikken over de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken, 36 valt de onderneming stil en vervliegt de going concernwaarde binnen een mum van tijd. Hetzelfde geldt voor geleasete machines of bedrijfsvoertuigen. Wanneer de schuldenaar deze goederen gedurende een afkoelingsperiode niet zou mogen gebruiken, zou de bedrijfsvoering stilvallen.37
In de toelichting vermeldt de wetgever dat art. 377 Fw ook van toepassing is in gevallen waarin de schuldenaar “een gebruiksrecht heeft gehad, maar dit recht hem kort (bijvoorbeeld twee weken) voor de afkondiging van de afkoelingsperiode is ontnomen.”38 De WHOA bevat dus een wettelijke gebruiksbevoegdheid voor die gevallen waarin een contractuele bevoegdheid kort voor aanvang van de afkoelingsperiode is vervallen. Dergelijke bevoegdheden vervallen bijvoorbeeld bij de opzegging van krediet. Deze regeling is in lijn met de aanbevelingen van Nieuwenhuis & Tollenaar.39 De bewoordingen “kort voor” laten echter aan duidelijkheid te wensen over.
288. Voor deze ‘aanwendingsbevoegdheid’40 gelden op grond van art. 377 lid 2 Fw twee voorwaarden. In de eerste plaats moeten deze handelingen binnen de normale voortzetting van de onderneming vallen.41 Ten tweede moeten de belangen van derden die aanspraak kunnen maken op de goederen, voldoende zijn gewaarborgd.42 Blijkens de toelichting kan aan die norm onder meer worden voldaan door vervangende zekerheid te stellen.43 Ook contante betaling zal aan de standaard van art. 377 lid 2 Fw voldoen. In veel gevallen zal dit de enige vorm zijn waarop aan leveranciers afdoende comfort kan worden geboden. Indien de huidige en toekomstige goederen van de schuldenaar immers doorgaans bij voorbaat aan de financier zijn verpand, heeft de schuldenaar nauwelijks tot geen onbezwaarde activa in de boedel. Op dit punt bestaat een belangrijk verschil met het hiervoor besproken Amerikaanse recht, waarin goederen verkregen na aanvang van het Chapter 11-proces onbezwaard in de boedel vallen.44 De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de schuldenaar, om gebruik te kunnen maken van de aanwendingsbevoegdheid bij een tekort aan eigen liquide middelen veelal afhankelijk zal zijn van de bereidheid van een financier om de continuering van de bedrijfsoefening op deze wijze te financieren.45
De bepaling heeft ook betrekking op de inning van vorderingen. De schuldenaar moet gedurende de afkoelingsperiode vorderingen op zijn afnemers kunnen blijven innen, ook als deze vorderingen zijn verpand. Wanneer een pandhouder aan debiteuren mededeelt dat de vordering aan hem is verpand, is de pandgever niet langer inningsbevoegd.46 Uit de bepaling van art. 377 lid 1 Fw vloeit dus voort dat de schuldenaar/pandgever ook na afkondiging van een afkoelingsperiode stil verpande vorderingen mag blijven innen.47 Deze regeling vormt het complement van de regel van art. 376 lid 7 Fw. In dat artikellid is bepaald dat de pandhouder gedurende afkoelingsperiode niet over mag gaan tot mededeling van de verpanding (zie nr. 286). Art. 377 lid 1 Fw expliciteert dat de schuldenaar de opbrengsten van de geïnde vorderingen kan blijven gebruiken, om daarmee de reguliere bedrijfsuitoefening te kunnen voortzetten. Pandhouders worden beschermd doordat de schuldenaar vervangende zekerheid dient te stellen, zo volgt zowel uit art. 377 lid 2 Fw als uit art. 376 lid 7 Fw.
De bevoegdheid tot gebruik, verbruik of vervreemding wordt op verzoek van één of meer betrokken derden opgeheven, wanneer onvoldoende zekerheid is gesteld om de rechten van de betrokken derden te waarborgen.48
− Doorleverplicht
289. Eén rechtsgevolg van de afkoelingsperiode is niet opgenomen in art. 376 of 377 Fw maar in art. 373 Fw, vermoedelijk omdat de bepaling ziet op overeenkomsten. In art. 373 lid 4 Fw is bepaald dat het feit dat de schuldenaar vóór afkondiging van de afkoelingsperiode een verbintenis niet na is gekomen, geen grond vormt voor beëindiging, opschorting of ontbinding van een met de schuldenaar gesloten overeenkomst.49 Deze regeling sluit aan bij de ‘doorleverplicht’ van art. 7 lid 4 Herstructureringsrichtlijn.
Alle schuldeisers jegens wie de schuldenaar in verzuim is, mogen níet overgaan tot opzegging, ontbinding of opschorting. Dat is een verstrekkende regel die in surseance en faillissement slechts geldt voor leveranciers van gas, water, elektriciteit en verwarming benodigd voor het voortzetten van de door de schuldenaar gedreven onderneming.50 De WHOA bevat echter een cruciale waarborg die niet is opgenomen in de bepalingen in surseance en faillissement. De schuldenaar moet voor de nakoming van nieuwe verplichtingen zekerheid stellen.51 Deze waarborg lijkt strikter dan de waarborg voor schuldeisers wier zaken worden gebruikt, verbruikt of vervreemd gedurende de afkoelingsperiode. Op grond van art. 377 lid 2 Fw geldt in die gevallen namelijk dat de schuldenaar de belangen van de betrokken derden voldoende waarborgt. Hij kan dat bijvoorbeeld doen door vervangende zekerheid te stellen of door deze schuldeisers contant te betalen. Mij lijkt verdedigbaar dat de schuldenaar aan zijn verplichting tot zekerheidsstelling ex art. 373 lid 4 Fw eveneens kan voldoen door de tijdens de afkoelingsperiode ontstane verplichtingen direct en contant te betalen.
Uit de toelichting blijkt dat de wetgever zich realiseert dat zekerheidsstelling de financiële moeilijkheden van de schuldenaar kan vergroten, waardoor de bedrijfsuitoefening in gevaar kan komen. Desalniettemin acht hij zekerheidsstelling op zijn plaats, nu de schuldenaar reeds in verzuim is.52 Verstrekt de schuldenaar geen of onvoldoende zekerheid, dan lijkt mij dat schuldeisers met succes om opheffing van de afkoelingsperiode kunnen verzoeken. In een dergelijk geval worden zij immers “wezenlijk in hun belangen geschaad”, zoals bedoeld in art. 376 lid 4 sub b Fw. Gelet op de redactie van art. 373 lid 4 Fw is ook verdedigbaar dat de bevoegdheid tot wijziging, opschorting en ontbinding automatisch ‘herleeft’, wanneer de schuldenaar verzuimt om afdoende vervangende zekerheid te stellen. Deze laatste benadering doet het meeste recht aan de strekking van de afkoelingsperiode. Wanneer de gehele afkoelingsperiode zou kunnen worden opgeheven indien ten aanzien van één crediteur geen zekerheid is gesteld voor nieuw ontstane verplichtingen, zou dit grote afbreuk aan de waardepreserverende werking van de afkoelingsperiode.
Hoe dan ook biedt de regeling de schuldenaar de mogelijkheid om te kiezen welke contracten hij als essentieel beschouwt. Door zekerheid te stellen voor nakoming van nieuwe verplichtingen die tijdens de afkoelingsperiode ontstaan, kan de schuldenaar voorkomen dat deze essentiële contracten hem ontvallen.
− Tussenconclusie
290. Een afkoelingsperiode kan cruciaal zijn voor het bewerkstelligen van een herstructurering. Individuele verhaalsacties kunnen een grote bedreiging vormen voor het behoud van de going concernwaarde van een onderneming, en daarmee voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. De Nederlandse wetgever opteert voor een facultatieve en flexibele afkoelingsperiode. In de wettelijke regeling zijn voldoende waarborgen opgenomen om de belangen van schuldeisers te behartigen. De criteria voor toewijzing, verlenging en opheffing van de afkoelingsperiode bevatten open normen. Daar komt bij dat in de wettelijke regeling in het midden wordt gelaten onder welke omstandigheden de rechter machtiging zal geven voor individuele verhaalsacties. Deze benadering biedt de rechtspraktijk flexibiliteit. Of een juiste balans wordt gevonden tussen de belangen van het collectief en het belang van een individuele crediteur, hangt daardoor in belangrijke mate af van de invulling die de rechter zal geven aan deze normen. Het Amerikaanse en Engelse recht kunnen daarbij een bron van inspiratie vormen voor de rechter. De rechter dient bij verzoeken aangaande de afkoelingsperiode steeds in het achterhoofd te houden dat continuïteit van de onderneming nooit een doel op zich mag zijn.
De eis dat derden die worden geraakt door de afkoelingsperiode over ‘vervangende zekerheid’ moeten beschikken, althans dat hun rechten ‘voldoende gewaarborgd’ moeten zijn, vormt een kernwaarborg voor schuldeisers. Voor zover vervangende zekerheid moet worden verschaft aan bestaande pandhouders, zullen de bij voorbaat gevestigde pandrechten voldoende (vervangende) zekerheid bieden. Dat ligt echter anders wanneer vervangende zekerheid moet worden geboden aan leveranciers, wier zaken door de schuldenaar worden aangewend in de gewone bedrijfsuitoefening. Gelet op de doorgaans riante zekerhedenpositie van Nederlandse financiers zullen zich normaliter weinig onbezwaarde goederen in het vermogen van de schuldenaar bevinden. Als gevolg daarvan zal de vereiste vervangende zekerheid in veel gevallen extern gefinancierd moeten worden.