Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/8.4
8.4 Overige afstemmingsbepalingen
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604580:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 26 Richtlijn ETS.
Artikel 8 Richtlijn ETS.
Er wordt verwezen naar bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG. Deze Richtlijn is inmiddels opgegaan in Richtlijn 2008/1/EG die weer is overgegaan in de Richtlijn IE. Ingevolge artikel 81 lid 3 jo bijlage X Richtlijn IE geldt de verwijzing naar bijlage I Richtlijn 96/61/EG als een verwijzing naar artikel 2 lid 2 of (een onderdeel van) bijlage I Richtlijn IE.
Deze bepaling verplicht de lidstaten ertoe de vergunningprocedure voor en inhoud van vergunningen op grond van de Richtlijn ETS te coördineren met de vergunningprocedure voor en inhoud van vergunningen die hun oorsprong vinden in de Richtlijn IE. Op welke wijze er precies invulling moet worden gegeven aan deze coördinatie wordt niet bepaald. De Nederlandse wetgever lijkt aan deze coördinatieverplichting met artikelen 16.8 en 16.9 Wm een correcte uitvoering te hebben gegeven (zie hierover: Teuben 2005, p. 262-264).
Dit was het geval onder de Wet milieubeheer, en is behouden onder de Wabo (zie resp. MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 13 en MvT, Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 64. Bovendien zijn GS met de wijziging van het Bor van 17 november 2015, sinds 1 januari 2016 ook het bevoegd gezag inzake alle activiteiten die vermeld staan in categorie 4 van bijlage I Richtlijn IE (Stb. 2015, nr. 413. Zie hierover ook De Vries 2015)).
Artikel 16.8 Wm.
Althans, voor zover op de aanvraag voor de omgevingsvergunning afdeling 3.4 Awb van toepassing is (artikel 14.1 lid 1 Wm).
Artikel 16.15 jo 16.8 lid 1 Wm.
Dit was het geval onder de Wet milieubeheer, en is behouden onder de Wabo (zie resp. MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 13 en MvT, Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 64).
Artikel 16.8 Wm. Overigens heb ik voor de vergunningafstemming in het kader van de Omgevingswet enkele aanscherpingsadviezen gegeven: Thurlings 2016b.
Zie onder meer: ABRvS 11 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9248 (GS Zeeland), ABRvS 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5909 (GS Groningen), ABRvS 22 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7930 (GS Flevoland), ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6363 (GS Groningen), ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6360 (GS Zuid-Holland), ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6364 (GS Zuid-Holland) en ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5932 (GS Limburg).
Waarbij dus wel de kanttekening moet worden gemaakt, zoals hierboven aangegeven, dat artikel 5.12 Bor en de voorloper artikel 8.13a lid 2 Wm (oud) in strijd zijn met de Richtlijn ETS en Richtlijn IE
Advies RvS en Nader Rapport, Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 4, p. 16.
Advies RvS en Nader Rapport, Kamerstukken II 2005/06, 30694, nr. 4, p. 1 en 2.
Advies RvS en Nader Rapport, Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 4, p. 17.
Bijvoorbeeld bij de vervaardiging van keramische producten, in dat geval is het college van B&W bevoegd (artikel 2.1 Wabo jo artikel 2.1 jo bijlage C onder 1.4 aanhef en onder a Bor jo artikel 2.4 Wabo). Op de lijst van ETS-inrichtingen van de NEa (https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/deelnemers-ets/documenten/hulpdocument/2015/01/09/deelnemende-inrichtingen-eu-ets---januari-2015 (geraadpleegd 12 december 2016)) staan vele inrichtingen genoemd waar het lokaal bevoegd gezag een gemeente of milieudienst is. Echter, de lijst geeft ook aan dat de weergegeven lokale bevoegde autoriteit naar opgave van de inrichting op de lijst is vermeld en kan afwijken van de feitelijke situatie. Wanneer wordt gekeken naar de verbrandingsinstallaties (verreweg de meeste gevallen waarin als lokaal bevoegd gezag een ander dan de provincie wordt aangewezen betreffen verbrandingsinstallaties), moet worden opgemerkt dat voor zover deze verbrandingsinstallaties ook onder bijlage I Richtlijn IE vallen, GS feitelijk het lokaal bevoegd gezag zijn, in ieder geval waar het thermisch ingangsvermogen van de installatie tenminste 50 MW bedraagt (artikel 2.4 Wabo jo artikel 3.3 lid 1 aanhef en onder b jo bijlage C onder 1.3 Bor jo artikel 1.1 Wabo jo bijlage I Richtlijn IE, i.h.b. onder 1.1 en 1.4 en bijlage I Richtlijn ETS, i.h.b. de verbrandingsactiviteit). Aangezien in veel gevallen een installatie met een thermisch ingangsvermogen van minder dan 50MW niet vergunningplichtig is onder de Richtlijn IE, is de afstemmingsbepaling uit artikel 8 Richtlijn ETS en artikel 9 Richtlijn IE niet van toepassing op die activiteiten. Ook naar nationaal recht zal in die gevallen vaak geen omgevingsvergunningplicht gelden (http://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/toelichting-bor/onderdeel-inrichting/vergunningplicht-1/bijlage-bor/wanneer-leidt/ (geraadpleegd op 12 december 2016)). Hieruit volgt dus dat het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning bij ETS activiteiten in de meeste gevallen GS zal zijn. Uit de lijst blijkt verder dat ook in de praktijk, in ieder geval naar opgaaf van de inrichting, in de meeste gevallen GS het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning is (daarbij moet in acht worden genomen dat milieu- en omgevingsdiensten overkoepelende organisaties zijn die taken inzake het omgevingsrecht uitvoeren namens bestuursorganen van zowel provincies als gemeenten. Een deel van de inrichtingen die een dergelijke dienst als lokaal bevoegd gezag heeft opgegeven, zal dus onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten vallen. Bovendien moet in acht worden genomen dat het in enkele gevallen zo kan zijn dat er geen omgevingsvergunningplicht is, maar wel een broeikasgasemissievergunningplicht. In dat geval is er wel een lokaal bevoegd gezag inzake algemene omgevingsregels die gelden, maar dit is dan dus geen bevoegd gezag inzake een omgevingsvergunning).
Advies RvS en Nader Rapport, Kamerstukken II 2005/06, 30694, nr. 4, p. 1. Richtlijn ETS niet tot een wederzijdse procedurele afstemming. Voor zover van belang bepaalt artikel 8 Richtlijn ETS:
Artikel 16.8 Wm.
Artikel 16.9 Wm.
Overigens kan in het kader van de Omgevingswet wel in een nadere coördinatie worden voorzien: Thurlings 2016b.
MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 316.
Idem.
Wanneer het ETS naar de Omgevingswet wordt overgeheveld, zijn enkele aanscherpingen in de coördinatie wel mogelijk, zie hierover Thurlings 2016b.
Naast deze ‘uithoek’-verplichting uit de Richtlijn IE1 bevat, zoals in de inleiding aangegeven, de Richtlijn ETS nog een andere coördinatieverplichting tussen het ETS en IE.2Artikel 8 Richtlijn ETS bepaalt dat wanneer een ETS activiteit tevens is genoemd in artikel 2 lid 2 jo bijlage I Richtlijn IE,3 de voorwaarden en procedures voor de beide vergunningen moeten worden gecoördineerd. In de Wet milieubeheer is deze coördinatie momenteel gerealiseerd in artikel 16.8 en 16.9 Wm. De vergunningprocedure voor de broeikasgasemissievergunning bevat in artikel 16.8 Wm een coördinatieregeling met betrekking tot de omgevingsvergunning en de vergunning als bedoeld in artikel 40 lid 2 Mijnbouwwet. Het bestuur van de NEa moet het MP, behorende bij de aanvraag voor de broeikasgasemissievergunning, doorzenden aan het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning respectievelijk de Minister EZ. Vervolgens moet het bevoegd gezag respectievelijk de Minister EZ gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld worden advies uit te brengen over het MP met het oog op de samenhang tussen dit plan en de betrokken omgevingsvergunning. Artikel 16.9 Wm bevat een coördinatieregeling voor de vergunningprocedure met bepalingen bij of krachtens hoofdstukken 2 en 3 van de Wabo, hoofdstuk 8 Wm, hoofdstuk 16 Wm en met de Verordening (EU) 601/2012. Deze regelingen geven uitvoering aan de coördinatieverplichting van artikel 8 Richtlijn ETS.4 Verder bevatten artikelen 2.16 en 2.16a Wm afstemmingsbepalingen tussen het bestuur van de NEa en het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning. Daarbij is onder meer geregeld dat de taken van de bestuursorganen inzake de broeikasgasemissievergunning en de omgevingsvergunning op elkaar moeten worden afgestemd.5 Een andere coördinatiebepaling kan overigens worden gevonden in artikel 14.1 Wm. Immers, het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning is doorgaans Gedeputeerde Staten (hierna: GS).6 Dit betekent dat op grond van artikel 14.1 Wm GS kunnen verzoeken om een gecoördineerde behandeling van de aanvragen omtrent de broeikasgasemissievergunning en de omgevingsvergunning. Aangezien GS op de hoogte moeten worden gebracht van en advies moeten worden gevraagd over het MP, zullen zij van een eventuele broeikasgasemissievergunningaanvraag op de hoogte zijn.7 Wanneer zij het wenselijk achten, kunnen zij dus de vergunningenprocedures op elkaar laten afstemmen.8 Verder moet nog worden gewezen op artikel 16.15 Wm, waaruit volgt dat het bestuur van de NEa het emissieverslag met verificatierapport van een inrichting doorzendt aan het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning.9
Inhoudelijk geven deze bepalingen weinig aanknopingspunten wat betreft de afstemming van de broeikasgasemissievergunning op de omgevingsvergunning en vice versa. Dit is op zich ook niet noodzakelijk. Immers, de broeikasgasemissievergunning ziet op een eigen afgebakend terrein. Doordat duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen geen emissiegrenswaarden of energie-efficiëntievoorschriften mogen worden voorgeschreven, is ook voor het lokaal bevoegd gezag, over het algemeen GS,10 duidelijk in welke gevallen zij niet bevoegd zijn grenzen te stellen aan emissies, of oude grenswaarden te handhaven. Voor zover onder de Omgevingswet een bevoegdheid voor het lokaal bevoegd gezag in het leven zou worden geroepen energie-efficiëntievoorwaarden op te leggen aan activiteiten die onder het ETS vallen, is dit evenmin problematisch. Immers, ten aanzien van dat aspect geeft de wet dan een expliciete bevoegdheid voor het opleggen van die voorwaarden en dus ook voor de handhaving daarvan. Verder zal het lokaal bevoegd gezag op de hoogte kunnen zijn van activiteiten die onder het ETS vallen, doordat het MP voor advies aan dit gezag moet worden toegestuurd.11 Er zij hierbij verder op gewezen dat het voormalige artikel 18.13a lid 2 Wm, nu artikel 5.12 Bor, zijnde het verbod tot oplegging van een emissiegrenswaarde ook door verschillende colleges van GS correct is toegepast.12 Hieruit volgt dat de afbakening ook in de praktijk door het lokaal bevoegd gezag naar de letter van de wet wordt toegepast.13
Opgemerkt moet worden dat de Raad van State in haar advies over het wetsvoorstel voor de Wabo van 17 juli 2006 het volgende overwoog:
‘De richtlijn inzake handel in broeikasgasemissierechten bevat in artikel 8 een verplichting voor lidstaten de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat, wanneer installaties activiteiten verrichten die in bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG zijn vermeld, de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor de in die richtlijn bepaalde vergunning.Te dien einde beveelt de Raad aan in de Wabo een coördinatieregeling met hoofdstuk 16 van de Wm op te nemen, naast en in aanvulling op artikel 16.9 Wm.’14
In het kader van haar advies inzake een aanpassingswet met betrekking tot emissiehandel, overwoog de Raad van State op 10 juli 2006 nog dat het voorgestelde buiten toepassing verklaren van artikel 14.1 Wm op de coördinatie tussen de omgevingsvergunning en de broeikasgasemissievergunning moest worden geschrapt. Dit advies is destijds door de regering in het wetsvoorstel overgenomen.15 In haar Nader Rapport op het advies van de Raad op het wetsvoorstel voor de Wabo, antwoordde de regering dan ook dat de geadviseerde coördinatie met de toepassing van artikel 14.1 Wm al was gerealiseerd.16 Dit uitgangspunt is correct, voor zover het college van GS het lokaal bevoegd gezag is. Echter, er moet rekening mee worden gehouden dat in voorkomende gevallen ook een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning kan zijn.17 In dat geval kan dat bevoegd gezag, bijvoorbeeld het college van burgemeester en wethouders (hierna: college van B en W), niet om coördinatie verzoeken, waardoor er slechts een verplichte eenzijdige (procedurele) afstemming plaatsvindt. De Raad van State acht een eenzijdige afstemming in strijd met artikel 8 Richtlijn ETS.18 Mijns inziens moet het een en ander niet zo strikt worden opgevat. Immers, zoals gezegd ziet de broeikasgasemissievergunning op een eigen afgebakend terrein. Doordat in de wetgeving duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen geen emissiegrenswaarden of energie-efficiëntievoorschriften mogen worden voorgeschreven, is die afbakening ook in zoverre voor de praktijk duidelijk. Uit de jurisprudentievoorbeelden volgt verder dat de afstemming in de praktijk ook naar de letter van de wet plaatsvindt. Voor zover een college van B en W, anders dan de gegeven praktijkvoorbeelden waar het steeds GS betreft, in een voorkomend geval toch grenswaarden of energie-efficiëntievoorwaarden zou opleggen, kan dit aan de bestuursrechter worden voorgelegd. De voorbeelden uit de jurisprudentie laten zien dat de Afdeling zich terdege bewust is van de afgebakende terreinen. Knelpunten die zich in de praktijk door het ontbreken van een met artikel 14.1 Wm vergelijkbare coördinatiebepaling in relatie tot het college van B en W zouden kunnen voordoen, kunnen in beroep dan ook eenvoudig worden hersteld. Verder verplicht artikel 8 Richtlijn ETS niet tot een wederzijdse procedurele afstemming. Voor zover van belang bepaalt artikel 8 Richtlijn ETS:
‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer installaties activiteiten verrichten die in bijlage I bij Richtlijn 96/61/EG zijn vermeld, de voorwaarden voor en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor de in die richtlijn bepaalde vergunning.’
Doordat het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning altijd op de hoogte wordt gesteld van de aanvraag voor een broeikasgasemissievergunning, en haar advies mag uitbrengen over het bijbehorende MP, vindt er een coördinatie plaats tussen beide vergunningen.19 Het bevoegd gezag inzake de omgevingsvergunning is daardoor bekend met de inhoud van de broeikasgasemissievergunning en kan daar de omgevingsvergunning derhalve op afstemmen. Bovendien moet het bestuur van de NEa de broeikasgasemissievergunning inhoudelijk afstemmen op de eisen die uit onder meer de Wabo voortvloeien.20 Derhalve moet worden vastgesteld dat zowel in wetgeving als praktijk voldoende invulling wordt gegeven aan de procedurele en inhoudelijke afstemming als vereist door artikel 8 Richtlijn ETS.21
Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de afstemming op procedureel gebied in overeenstemming zijn met artikel 8 Richtlijn ETS. De bepalingen inzake het ETS zullen namelijk (vooralsnog) niet naar de Omgevingswet worden overgeheveld.22Hoofdstuk 14 Wm zal bij het in werking treden van de Omgevingswet en de onderliggende AMvB’s naar verwachting worden geschrapt.23 De hiervoor genoemde procedurele afstemmingsmogelijkheid voor GS tussen de omgevingsvergunning en de broeikasgasemissievergunning, zal dan ook komen te vervallen. Echter, herhaald zij dat de afstemming als bedoeld in artikel 14.1 Wm, anders dan de Raad van State meent, niet noodzakelijk is voor een correcte implementatie van artikel 8 Richtlijn ETS.24