Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.5
VIII.3.5 Tenuitvoerlegging van dwangmiddelen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597486:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name § VI.5.2.2.
Aldus Boone 2000, p. 223; Meijer 2012, p. 253.
Reijntjes, in: Melai/Groenhuijsen, Art. 63-88 Sv, aant. 3.7; Franken 2010; Molleman & Van den Hurk 2012. Gedetineerden prefereren – gemiddeld genomen – de gevangenis boven het huis van bewaring, zie de cijfers van Moerings e.a. 2008, p. 109-110.
In sommige opzichten gelden voor de voorlopig gehechte zelfs meer belemmeringen dan voor de afgestrafte. Zo hebben voorlopig gehechten in beginsel geen recht op bezoek zonder toezicht en worden zij niet in de gelegenheid gesteld aan een resocialiseringstraject deel te nemen.
Zie voor de analyse en een pleidooi voor een naar strafdoel gedifferentieerd stelsel Molleman & Van den Hurk 2012.
Zie op die manier kritisch Reijntjes 2006 en Reijntjes, ‘Art. 63-88 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 3.7.
De tenuitvoerlegging van dwangmiddelen, waaronder in het bijzonder ook de voorlopige hechtenis, dient op basis van de onschuldpresumptie eveneens niet ingrijpender te zijn dan strikt noodzakelijk.1 In de beperktere context van de inverzekeringstelling schrijft artikel 62 Sv dat voor: de in verzekering gestelde verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn. Artikel 2 lid 4 Pbw stelt voor alle gedetineerden dat zij niet aan meer beperkingen worden onderworpen dan voor het doel der vrijheidsbeneming en in het belang van orde en veiligheid noodzakelijk zijn. Dit beginsel van minimale beperkingen gold onder de oude Beginselenwet gevangeniswezen alleen voor de voorlopig gehechte en niet ook voor de veroordeelde. Het beginsel werd namelijk als uitvloeisel van de onschuldpresumptie beschouwd.2 Thans geldt het beginsel van minimale beperkingen ook voor de veroordeelde, maar aangezien de noodzaak van beperkingen moet worden beoordeeld aan de hand van het doel van de vrijheidsbeneming, zou men verwachten dat huizen van bewaring gedetineerden aan minder beperkingen onderwerpen en zij die leefomgeving dus als prettiger ervaren. Het doel van de gevangenisstraf is immers voor een belangrijk deel gelegen in het toevoegen van leed en de afschrikking van potentiële daders. Een al te luxueuze inrichting van de detentieomgeving mist mogelijk dat doel.
De praktijk lijkt anders.3 Tussen het met de vrijheidsbeneming beoogde doel en de daaraan verbonden beperkingen bestaat nauwelijks een brug. De orde en veiligheid van de inrichting zijn als argument gebruikt om uniformiteit af te dwingen. Niet het recht van de voorarrestant op minimale beperkingen, maar zijn minimale behoeften staan centraal.4 Die wijken natuurlijk niet wezenlijk af van de behoeften van afgestraften. Ook in beslissingen van de RSJ over het beginsel van minimale beperkingen spelen orde en veiligheid van de inrichting een rol op de voorgrond.5 Van bij de onschuldpresumptie passende afzonderlijke en strikt subsidiaire bejegening lijkt daardoor niet altijd sprake.6