NJ 1926, p. 1023
HR, 25-06-1926
HR 25-06-1926, ECLI:NL:HR:1926:251, m.nt. Prof. E. M. Meijers
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 juni 1926
- Magistraten
Mrs. Savelberg, Jhr. Feith, Visser, Taverne en van den Dries.
- Zaaknummer
[25061926/NJ_1926,_p._1023]
- Conclusie
Mr. Besier
- Noot
Prof. E. M. Meijers
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS121691:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1926:251, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1926
- Wetingang
(BW art. 1076, 1094.)
Samenvatting
Het Hof heeft uit de ten processe vaststaande feiten kunnen afleiden dat de „meening om de erfenis te aanvaarden" noodzakelijk is aan den dag gelegd (art. 1094 B. W.); de vraag of het Hof zulks terecht deed, kan, als van feitelijken aard, in cassatie niet worden onderzocht.
Partij(en)
1. M. Hillen, echtgenoote van en ten deze bijgestaan en gemachtigd door haren echtgenoot M. Lamberigts, gemeente-ambtenaar, c. s., wonende te Blerick, gemeente Maasbree, eischers tot cassatie van een arrest door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch den 5den Januari 1926 tusschen partijen gewezen (N. J. 1926, 750. Red.), advocaat Mr. E. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.