HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, rechtsoverweging 3.2; HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, rechtsoverweging 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, rechtsoverweging 3.3.1.
HR, 09-06-2023, nr. 22/02975
22/02975
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-06-2023
- Zaaknummer
22/02975
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:891, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑06‑2023; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑06‑2023
- Vindplaatsen
V-N 2023/28.19 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/993 met annotatie van mr. M.H. Hogendoorn
NLF 2023/1370 met annotatie van Yola Geradts
USZ 2023/208
JB 2023/158
FutD 2023-1490
Uitspraak 09‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Afwijzing verzoek om uitstel van de zitting.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02975
Datum 9 juni 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 15 juni 2022, nr. SGR 21/131 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 19 januari 2022. De uitspraak van de Rechtbank van 15 juni 2022 is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Op 27 januari 2020 heeft de Ontvanger het verzoek van belanghebbende om kwijtschelding van zijn belastingschuld afgewezen. De directeur van de Belastingdienst heeft het hiertegen ingestelde administratieve beroep op 13 juli 2020 afgewezen.
2.2
Belanghebbende heeft op 5 januari 2021 bij de Rechtbank beroep ingesteld tegen de uitspraak op het administratieve beroep. In haar uitspraak van 19 januari 2022 heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de uitspraak op het administratieve beroep geen uitspraak op bezwaar van de inspecteur dan wel een voor bezwaar vatbare beschikking betreft. De Rechtbank heeft om die reden geoordeeld dat zij niet bevoegd is om een oordeel te geven op het door belanghebbende ingestelde beroep.
2.3
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 19 januari 2022 verzet gedaan.
2.4.1
Bij aangetekende brief van 29 maart 2022 heeft de Rechtbank belanghebbende meegedeeld dat het onderzoek ter zitting in zijn verzet op 22 april 2022 zou plaatsvinden.
2.4.2
Belanghebbende heeft op 7 april 2022 verzocht om uitstel van dat onderzoek ter zitting. Dit verzoek is door de Rechtbank bij brief van 8 april 2022 afgewezen. Belanghebbende heeft op 21 april 2022 wederom verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting, onder meer aanvoerend dat hij wegens een dreigend sterfgeval in de familie verhinderd was.
2.5
In de bestreden uitspraak is vastgesteld dat belanghebbende zonder bericht van verhindering niet op het onderzoek ter zitting op 22 april 2022 is verschenen.
2.6
De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten van belanghebbende keren zich tegen de in 2.5 genoemde vaststelling dat belanghebbende zonder bericht van verhindering niet ter zitting is verschenen.
3.2
Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren.1.Of een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting tijdig is ingediend, zal afhankelijk zijn van de reden voor dat verzoek en van de overige omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting van een zaak kort voor de zitting is ingediend, rechtvaardigt op zichzelf genomen niet het oordeel dat het verzoek tot aanhouding niet tijdig is ingediend.2.
3.3
De bestreden uitspraak bevat geen gemotiveerde beslissing op de in 2.4.2 genoemde verzoeken. Bovendien is in het licht van die verzoeken onbegrijpelijk de vaststelling van de Rechtbank dat belanghebbende zonder bericht van verhindering niet ter zitting is verschenen. Belanghebbende klaagt hierover terecht.
3.4
De klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden. De Rechtbank is bij haar hiervoor in 2.2 weergeven oordeel uitgegaan van een juiste opvatting over haar bevoegdheid om te oordelen op het door belanghebbende ingestelde beroep. Dit brengt mee dat de Rechtbank in de uitspraak op het verzet niet tot een andere beslissing had kunnen komen. Om die reden zal de Hoge Raad de bestreden uitspraak niet vernietigen. Wel ziet de Hoge Raad aanleiding om te bepalen dat aan belanghebbende het griffierecht dat hij voor het beroep in cassatie heeft betaald, moet worden vergoed.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑06‑2023
HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, rechtsoverweging 3.3.2.
Beroepschrift 09‑06‑2023
Uit het beroepschrift in cassatie van belanghebbende:
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, [X], geboren op […] 1946, wonende te [Z], aan de [a-straat 1], maakt hierbij bezwaar tegen de uitspraak van de rechtbank zoals bovengenoemd. Deze uitspraak heb ik u eerder toegezonden.
Alhoewel over de uitspraak zelf wel het nodige is op te merken beperkt ik mij hierbij tot het verstoorde procesverloop en de schending van algemene rechtsbeginselen, aangezien uw cassatiebehandeling alleen over deze zaken gaat.
Gronden voor deze cassatie:
- A:
In de uitspraak is nadrukkelijk, specifiek en meervoudig meegewogen dat ik niet ben verschenen op de zitting en derhalve niet kon worden gehoord;
- B:
Daarnaast wordt in de uitspraak vermeld dat ik niet op de zitting ben verschenen zonder bericht van verhindering. Dit is feitelijk onjuist. Zie bijgaande productie.
Dat tussen A en B een oorzakelijk verband bestaat moge duidelijk zijn.
Uit de uitspraak blijkt hoezeer de rechter er belang aan hechtte om mij te kunnen horen. Maar ook blijkt dat de rechter niet op de hoogte is gesteld van mijn bericht van afwezigheid, waarin ik aangaf onmogelijk te kunnen komen met daarbij het verzoek om de zitting te verdagen. Ik verwijs daartoe naar de aangehechte productie.
De onmogelijkheid om op de zitting te verschijnen had te maken met de snel teruglopende gezondheid van mijn broer, die maakte dat thuis wonen voor hem geen optie meer was. Op het moment van de zitting was ik in [Q] om samen met de huisarts een plaats in een hospice te regelen. Die plaats werd gevonden en mijn broer werd al een dag later daarheen overgebracht.
Vanwege de snel verslechterende medische toestand van mijn broer was uitstel van dat overleg onmogelijk. En vandaar mijn bericht van verhindering op het moment dat ik werkelijk wist dat ik echt niet naar de zitting kon komen.
De zitting vond plaats op 22 april 2022 's morgens. Ik heb op donderdagmorgen 21 april 2022 een gemotiveerd bericht van verhindering naar de rechtbank verzonden (zie aangehechte productie). Dit bericht is ook terstond door de griffie gelezen, maar kennelijk is dit bericht, om voor mij onbekende redenen, niet bij de behandelende rechter terechtgekomen. Dit is een omstandigheid die mij met kan worden aangerekend, maar die wel in mijn nadeel heeft gewerkt.
Blad 1/2
Uit voomoemde teksten binnen de uitspraak blijkt voldoende dat de rechter er belang aan hechtte om mij te kunnen horen vanuit de algemene rechtsbeginselen, waaronder het recht om gehoord te worden. Binnen mijn bericht van verhindering (zie productie) heb ik duidelijk aangegeven ‘Ik houd vast aan mijn recht om gehoord te worden en…etc.’).
Door toedoen van de griffie van de rechtbank zijn feitelijk algemene rechtsbeginselen in directe zin geschonden. Daarnaast is het een onweerlegbaar feit dat een goede procesorde hierdoor is verstoord. Gevolg hiervan is dat de zitting niet is verdaagd, hetgeen in de situatie dat de rechter van mijn afwezigheid op de hoogte was gesteld, zeker het geval zou zijn geweest.
Samenvattend:
Gezien het belang dat de behandelende rechter hechtte aan het kunnen horen, kan daar geen andere conclusie aan verbonden worden dat als de rechter door de griffier op mijn afwezigheid was geattendeerd, de zitting zou zijn verdaagd. De rechter is immers tot zijn uitspraak gekomen op basis van het voor hem vermeende feit dat ik zonder bericht van afwezigheid niet ben verschenen. Dit is feitelijk onjuist zoals uit bijgaande productie blijkt en hierboven al werd gememoreerd.
Dat de behandelende rechter door de griffier niet is geattendeerd op mijn gemotiveerd bericht van afwezigheid, is geen omstandigheid die mij kan worden toegerekend dan wel in mijn nadeel kan worden uitgelegd dan wel nu in cassatie tegen mij mag werken.
Feitelijk en onweerlegbaar is een goede procesorde verstoord en zijn algemene rechtsbeginselen geschonden.
Door deze feiten ben ik in zeer ernstige mate in mijn belang geschaad, waaronder doch niet daartoe beperkt schending van mijn recht om gehoord te worden.
Ik verzoek u derhalve om genoemde uitspraak te vernietigen en om deze casus terug te verwijzen naar de rechtbank.
P.S.: Dit beroepschrift in cassatie is u tijdig toegezonden waarmee deze ontvankelijk is.