Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.2.1
5.2.1 Het mensenrecht van ongestoord genot van eigendom in een notendop
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363615:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 m.nt. Alkema (Pye), r.o. 52. Zie ook Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies, p. 52.
EHRM 29 januari 2013, NJ 2014/479 m.nt. Alkema (Zolotas), r.o. 40.
Zie hierover ook par. 4.3.2.2 en par. 5.5.
Zie bijvoorbeeld EHRM 30 november 2004, application nr. 48939/99 (Öneryildiz). Ook rust op de EVRM lidstaten een positieve verplichting met betrekking tot de inhoud van verjaringsregels. Deze moeten zo zijn ingericht dat de eigenaar zich voldoende bewust is van het risico op verjaring, zodat deze desgewenst tijdig maatregelen daartegen kan nemen. Zie EHRM 29 januari 2013, NJ 2014/479 m.nt. Alkema (Zolotas).
Schild (Diss.), p. 132 wijst er op dat de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van dit vereiste niet geheel consistent is. Soms wordt dit vereiste als een zelfstandig vereiste gepresenteerd, maar soms ook als een uitvloeisel van het hierna te bespreken voorzien- bij-wet-vereiste.
Een deel van deze vereisten geldt ook bij inmengingen in andere door het EVRM gewaarborgde rechten en vrijheden. De rechtspraak over die rechten en vrijheden is eveneens toe pasbaar op art. 1 EP. Hierna zal daarom soms ook worden verwezen naar rechtspraak over andere EVRM-bepalingen.
Dit vereiste wordt uitgewerkt in par. 5.4.1.
En dus niet – om maar eens een duidelijk voorbeeld te noemen – in het belang van het zoontje van de grote leider van het land. Dit vereiste wordt uitgewerkt in par. 5.4.2.
Dit vereiste wordt uitgewerkt in par. 5.4.3.
In art. 1 EP is het mensenrecht van ongestoord genot van eigendom vastgelegd. Het EHRM heeft drie algemene beginselen gedestilleerd uit art. 1 EP:
men heeft het recht op het ongestoord genot van eigendom;
de mogelijkheid tot ontneming van eigendom is aan beperkingen onderhevig; en
de mogelijkheid tot het reguleren van eigendom wordt erkend.
Deze beginselen staan niet op zichzelf, maar moeten in samenhang worden bezien en toegepast. Zo zijn het tweede en derde beginsel in feite uitwerkingen van het eerste.1
In de rechtspraak van het EHRM wordt een onderscheid gemaakt tussen een interference in art. 1 EP en een violation. In plaats van deze Engelse termen gebruik ik de woorden “inmenging”, respectievelijk “inbreuk”. Een inmenging is, simpel gezegd, een situatie waarin het recht van eigendom in het gedrang komt. Voldoet deze inmenging aan de voorwaarden van art. 1 EP, dan is deze geoorloofd. Voldoet deze daaraan niet, dan is er sprake van een niet geoorloofde inbreuk op het recht van eigendom. Anders gezegd, is een inmenging een overheidshandeling die aan toetsing aan art. 1 EP blootstaat.
Het recht op een ongestoord genot van eigendom schept positieve en negatieve verplichtingen voor de lidstaten bij het EVRM. Daarbij haast ik mij om op te merken dat deze verplichtingen in elkaar overlopen en deze dus niet altijd (gemakkelijk) van elkaar te onderscheiden zijn.2 De positieve verplichtingen van art. 1 EP houden in dat de lidstaten maatregelen moeten nemen ten einde te waarborgen dat eigendom daadwerkelijk ongestoord kan worden genoten.3 Meestal houdt dit in dat wetgeving moet worden ingevoerd en gehandhaafd die er op gericht is om eigendom te beschermen, bijvoorbeeld tegen vernieling.4 Eveneens moet er voor de eigenaar een behoorlijke vorm van rechtsbescherming openstaan als zijn rechten in het gedrang komen.5
Voor dit onderzoek zijn met name de negatieve verplichtingen van Nederland van belang. De kern van de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van negatieve verplichtingen is dat als iemand iets van waarde in handen heeft – ongeachte de juridische kwalificatie daarvan – dit niet “zomaar” uit zijn handen mag worden genomen door de overheid. Ook het gebruik van hetgeen van waarde is mag niet zomaar aan banden worden gelegd, of meer juridisch gezegd: worden gereguleerd. Met “niet zomaar” bedoel ik dat iets van waarde slechts onder voorwaarden mag worden ontnomen of gereguleerd. Deze voorwaarden6
zijn dat (i) iets van waarde niet mag worden ontnomen of gereguleerd, tenzij dat gebeurt op basis van duidelijke, vooraf kenbare regels, die niet op een willekeurige wijze mogen worden toegepast.7 Daarnaast (ii) moet de onteigening of regulering in het algemeen belang plaatsvinden.8 Bovendien (iii) moet een ontneming of regulering proportioneel zijn in relatie tot het daarmee nagestreefde doel.9 Er is een grens aan de mate waarin het algemeen belang, dat met de ontneming of regulering wordt gediend, over de rug van de eigenaar mag worden bereikt. De last, die met het dienen van dat algemeen belang gepaard gaat, moet wel eerlijk worden verdeeld.
Uit het bovenstaande blijkt dat een eigendomsrecht niet absoluut is. De enkele constatering dat sprake is van een eigendomsrecht impliceert niet dat dit recht altijd ongemoeid moet worden gelaten. In de rechtspraak van het EHRM wordt juist het recht van de lidstaten om eigendomsrechten aan banden te leggen benadrukt. Het gaat er louter om dat dit op een fatsoenlijke wijze gebeurt.
Het EHRM biedt haar lidstaten veel ruimte om zelf in te vullen hoe aan de hierboven genoemde drie voorwaarden wordt voldaan. Zolang het eindresultaat maar binnen de door het EHRM gestelde grenzen blijft, is veel mogelijk.
Wel dwingt het EHRM haar lidstaten om stil te staan bij eigendomsbelangen. Om zich constant de vraag te stellen: leidt mijn handelen als staat er toe dat iemand die iets van waarde in handen heeft, wordt benadeeld en zo ja, kan dat eigenlijk wel, of zou ik dit niet beter anders aanpakken?
Art. 1 EP is dus geen harde regel. Toch is het van grote waarde dat deze vragen moeten worden gesteld.