Rb. Zeeland-West-Brabant, 07-02-2023, nr. AWB- 21, 241
ECLI:NL:RBZWB:2023:810, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
07-02-2023
- Zaaknummer
AWB- 21_241
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2023:810, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07‑02‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2024:1376, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBZWB:2022:3791, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04‑07‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
WAJONG
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/241 WAJONG
uitspraak van 7 februari 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank, na een tussenuitspraak van 4 juli 2022, het beroep van eiser tegen de weigering een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen.
In de tussenuitspraak is aan het UWV de gelegenheid is geboden om bij wijze van ‘bestuurlijke lus’ een gebrek in het bestreden besluit van 8 december 2020 te herstellen.
Met een brief van 20 juli 2022 heeft het UWV de rechtbank meegedeeld dat van de gelegenheid om het gebrek te herstellen gebruik zal worden gemaakt en is om uitstel tot9 september 2022 gevraagd. De rechtbank is hiermee akkoord gegaan.
Met een brief van 5 september 2022 heeft het UWV een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 29 augustus 2022 toegestuurd.
Met een brief van 6 oktober 2022 heeft de moeder van eiser de rechtbank een persoonlijk schrijven doen toekomen over eisers situatie.
Met een brief van 14 november 2022 heeft eiser gereageerd op de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
Overwegingen van de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd per 28 februari 2020. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 juli 2022 al geoordeeld dat voldoende gemotiveerd is dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden, dat hij de geduide voorbeeldtaak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en dat hij ten minste één uur aaneengesloten kan werken.
2.1
In de tussenuitspraak van 4 juli 2022 heeft de rechtbank verder – samengevat – overwogen dat de verzekeringsartsen niet worden gevolgd in hun oordeel dat uit eisers dagverhaal blijkt dat vier uur per dag werken mogelijk is (geweest) voor eiser. Het dagverhaal of elders beschreven activiteitenniveau ondersteunt deze conclusie niet. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende gemotiveerd hoe zij komen tot een belastbaarheid van concreet 4 uur. Dit criterium vereist een nadere motivering, waarbij mede acht dient te worden geslagen op de brief van [naam psychiater] van 30 maart 2022. Tevens dient het UWV te bezien of de peildatum in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, onder a en b, van de Wajong juist is vastgesteld. De rechtbank wenst daarbij een antwoord op de vraag of als peildatum eisers 18e verjaardag dient te worden genomen en/of een later moment, gezien eisers studies na 18-jarige leeftijd. Vervolgens dient op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong de periode van vijf jaar na de peildatum op grond van het eerste lid te worden bekeken.
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De herstelpoging van het UWV
Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] heeft op 29 augustus 2022 aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank.
Eiser is op medisch vlak bekend met chronische vermoeidheid en ASS. Dit sluit ook aan bij de in beroep aangeleverde medische informatie.
Ten aanzien van de peildatum is duidelijk dat eiser de vermoeidheidsklachten al vanaf de jonge jaren (kleuter- of peuterleeftijd) kent en er ook gedragskenmerken zijn die wijzen op een ASS. De concrete diagnosestelling voor de chronische vermoeidheid is gesteld per 2020. In 2015 is onderzoek gedaan naar ASS, maar was de diagnose niet te stellen. Zeer strikt bekeken is de diagnose CVS pas in 2020 te duiden en de diagnose ASS niet. Gezien echter de ruime omschrijving van de problematiek van eiser in de jonge jaren, waaruit blijkt dat de problematiek wel speelde, is het billijk ervan uit te gaan dat dit al eerder aan de orde was. Om hier geen twistpunt van te maken, wordt vanuit pragmatische oogpunt uitgegaan van de datum van het bereiken van het 18e levensjaar (20 oktober 2011). Wijzigingen van de gezondheidstoestanden (knikpunten) zijn niet te duiden. Een mogelijke wijziging van te duiden beperkingen is dan ook niet aan de orde.
In het geval van eiser is een duurbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week, aangenomen. Als onderliggende oorzaak wordt aangegeven dat eiser vanuit CVS een verhoogde recuperatiebehoefte heeft. Eiser claimt dat de beperking op dit vlak hoger moet liggen, dat hij geen 4 uur per dag actief is en hij minder dan 2 uur per 2 dagen belastbaar zou zijn. Dit is niet navolgbaar. Psychiater [naam psychiater] geeft in de brief van 30 maart 2022 aan dat eiser prikkelgevoelig is en zijn eigen grenzen niet goed aanvoelt. Het aangeven of en voor hoe lang eiser zou kunnen werken, behoort echter tot het expertisegebied van de verzekeringsarts. De psychiater merkt op dat eiser 2 keer 2 uur op de kinderboerderij zelf zeer uitputtend vond en na 2 uur vrijwilligerswerk moest bijkomen. Bij het duiden van een beperking in de duurbelasting moet worden uitgegaan van wat medisch noodzakelijk is. Een beperking van 4 uur per dag (20 uur per week) wordt adequaat geacht. Eiser wordt geacht over de werkdag verdeeld 4 uur actief te kunnen zijn, rekening houdend met overige aanwezige beperkingen. De bij eiser aanwezige energetische beperking is, medisch gezien, geen zeer zware. Er is bij eiser namelijk geen sprake van een verminderde energie vanuit een stoornis welke er zorg voor draagt dat het lichaam te weinig energiegevers krijgt. Er is medisch inhoudelijk geen noodzaak tot het houden van strikte bedrust. De geduide beperking is voornamelijk om eiser soms korte rustpauzes te gunnen. Het moge zo zijn dat eiser zich bij het uitvoeren van activiteiten moe voelt, maar dit is op zich nog geen grondslag voor een verdergaande urenbeperking. Bedacht moet worden dat bij het werk op de kinderboerderij de prikkelgevoeligheid van eiser een bijdragende rol kan hebben gespeeld. Een kinderboerderij is nadrukkelijk geen prikkelarme omgeving. Dit kan leiden tot spanningen, die op zichzelf weer voor een toename van vermoeidheid kunnen zorgen.
4.2
Reactie van eiser
Eiser stelt dat de verzekeringsarts b&b in de rapportage van 29 augustus 2022 nog altijd niet inzichtelijk motiveert dat een urenbeperking van 4 uur toereikend is. Het UWV heeft de medische informatie onvoldoende betrokken bij de afwegingen ten aanzien van de belastbaarheid van 4 uur per dag. De brief van psychiater [naam psychiater] is niet gewogen. Eiser mist een heldere relatie tussen de (bredere) diagnostiek en duurbelastbaarheid. Het verschil tussen generieke kenmerken en hoe aandoeningen hierbij beslag krijgen in het dagelijkse functioneren is van belang. Verder verslechterde eisers situatie in de jaren na zijn 18e verjaardag, juist omdat hij probeerde zijn lage draagkracht op te rekken. In beroep heeft het UWV weliswaar uitleg gegeven over haar zienswijze (medische noodzakelijkheid), maar nog altijd is geen onderbouwing gegeven voor de uitspraak dat de beperkingen medisch gezien geen zware zijn, terwijl op grond hiervan volgens het UWV een belasting van 4 uur per dag, 20 uur per week, (met begeleiding) medisch verantwoord zou zijn. Een belasting van 4 uur per dag, 20 uur per week, is niet verantwoord. De historie laat eerder een negatieve ontwikkeling zien dan een positieve.
4.3
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek onvoldoende heeft hersteld.
Het UWV erkent dat eiser al vanaf zijn jonge jaren vermoeidheidsklachten heeft, maar heeft niet afdoende de door de rechtbank in de tussenuitspraak gevraagde toelichting gegeven ten aanzien van eisers belastbaarheid gezien de vermoeidheidsklachten. De rechtbank constateert in dit kader dat niet in geschil is dat bij eiser sprake is van een stoornis in de energiehuishouding, welke noodzaakt tot recuperatie. De vraag die voorligt is of een duurbeperking van 4 uur per dag daarvoor toereikend is in de situatie van eiser. De rechtbank leest in de nadere toelichting van de verzekeringsarts b&b dat een duurbeperking van 4 uur voldoende is, omdat de energetische beperking niet zeer zwaar is. Dit heeft de verzekeringsarts b&b slechts onderbouwd met situaties die bij eiser níet aan de orde zijn. Daarmee is niet concreet onderbouwd dat voor de situatie die bij eiser wel aan de orde is, een duurbeperking van 4 uur toereikend is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid argumenten voor het vaststellen van duurbelastbaarheid ontleend worden aan, onder meer, het dagverhaal/functioneren in de privésituatie, het participatiegedrag (heeft eiser de grenzen van zijn mogelijkheden onderzocht?), het historisch functioneren en de waarnemingen van derden (professionals, maar ook familieleden). Deze aspecten ziet de rechtbank niet terug in de beoordeling. Enkel ten aanzien van de kinderboerderij, waar eiser werkte, heeft de verzekeringsarts b&b (terecht) aangegeven dat dit geen prikkelarme omgeving betreft, waardoor de ervaringen daar niet maatgevend zijn. Andere beschreven ervaringen, pogingen tot participatie en incidenten in eisers leven worden niet in de afweging betrokken. Daarbij geldt dat de informatie van psychiater [naam psychiater] een waarneming van een professional betreft en de informatie van eisers moeder een waarneming van een derde in de omgeving. Zij hebben uitgebreid omschreven wat zij zien bij eiser. Bovendien heeft [naam psychiater] in haar brief van 30 maart 2022 niet alleen anamnestische informatie gegeven, maar heeft zij ook vanuit haar bekwaamheid een beschouwing gegeven van eisers situatie. De verzekeringsarts b&b had daar niet zonder meer aan voorbij mogen gaan, maar had deze informatie in de beoordeling moeten betrekken. De conclusie van het UWV dat eiser op zijn 18e verjaardag (20 oktober 2011) en daarna arbeidsvermogen heeft, wordt daarom door de rechtbank niet gedeeld.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu het UWV het gebrek niet heeft hersteld, dan wel in haar herstelpoging alsnog niet aan de motiveringsplicht heeft voldaan, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat het UWV zich nog moet uitlaten over de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiser, zoals bedoeld in artikel 1a:1, eerste en vierde lid, van de Wajong. Ter informatie van partijen wijst de rechtbank op de 10-jaarstermijn van het derde lid van voornoemd artikel. De rechtbank ziet geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten.
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze in beroep, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt het bestreden besluit;
- -
draagt het UWV op binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- -
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 49,- bedrag aan eiser moet vergoeden;
- -
veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.092,50 bedrag aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 7 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 1a:1 van de Wajong bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
3. De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.
De nadere regels als bedoeld in artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong zijn neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid is van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.
Uitspraak 04‑07‑2022
Inhoudsindicatie
WAJONG
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/241 WAJONG
tussenuitspraak van 4 juli 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
gemachtigde: mr. R.G.J. van Kerkhof, (Advocatenbus)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen.
Eiser, geboren op 20 oktober 1993, heeft op 3 maart 2020 een Beoordeling arbeidsvermogen ten behoeve van een Wajong-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek doen plaatsvinden.
Vervolgens heeft het UWV bij besluit van 30 juni 2020 (primair besluit) geweigerd vanaf28 februari 2020 aan eiser een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat eiser beschikt over arbeidsvermogen, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Het UWV heeft eisers bezwaar met een besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het UWV blijft bij het in het primaire besluit ingenomen standpunt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 april 2022 in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en [naam vertegenwoordiger] namens het UWV.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd per 28 februari 2020. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Samengevat stelt eiser zich in beroep op het standpunt dat hij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikt, waardoor hij recht heeft op een Wajong-uitkering per 28 februari 2020. De beroepsgronden worden nader uitgewerkt in overwegingen 3.2 en 4.2 van deze uitspraak.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Medische beoordeling door het UWV
3. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.
3.1.
Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] heeft eiser gezien op het spreekuur van 15 juni 2020, waarbij psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden, heeft multidisciplinair en met de arbeidsdeskundige overlegd en heeft het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts rapporteert op 15 juni 2020 dat in 2019 aan eiser een indicatie banenafspraak is toegekend, omdat hij vanwege de aanwezige begeleidingsbehoefte niet in staat werd geacht zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen. Er is bij eiser sprake van meervoudige medische problematiek. Als gevolg hiervan heeft eiser beperkingen in het functioneren op mentaal en sociaal gebied. Deze beperkingen werden reeds grotendeels beschreven in de Indicatie banenafspraak van 16 september 2019. Op basis van huidig onderzoek wordt er een aanvullende beperking aangenomen ten aanzien van het hanteren van conflicten. Een beperking in de duurbelastbaarheid tot 4 uur per dag en 20 uur per week wordt van toepassing geacht. Er is sprake van medische problematiek, waarbij een energetische beperking kan optreden. Uit het (dag)verhaal van eiser blijkt dat sprake is van een verhoogde herstelbehoefte. Eiser is ten minste vier uur per dag belastbaar, gezien de aangenomen beperkingen in duurbelastbaarheid. Eiser kan tevens één uur aaneengesloten zelfstandig werkzaamheden verrichten, omdat uit onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen dat hij hiertoe niet in staat is. Hij laat bij activiteiten op de kinderboerderij en bij hobby’s in de vrije tijd zien dat hij in staat is om langere tijd zelfstandig met een activiteit bezig te zijn. Er is geen sprake van het ontbreken van arbeidsvermogen op medische gronden. Indien het diagnostisch onderzoek van de GGZ meer duidelijkheid geeft over de aard van de problematiek, kan mogelijk een passende behandeling gestart worden en kan dit een positieve invloed hebben op de ervaren belemmeringen en de belastbaarheid van eiser.
Verzekeringsarts b&b [naam verzekeringsarts b&b] heeft het dossier bestudeerd en rapporteert op 12 november 2020 het volgende. Er zijn in bezwaar geen objectieve medische argumenten naar voren gekomen om af te wijken van het primaire medische oordeel. Eiser is op medische gronden niet volledig arbeidsongeschikt. Er is geen sprake van geen benutbare mogelijkheden, zoals beschreven in het Schattingsbesluit. Uit anamnese en dagverhaal blijkt weliswaar dat eiser psychische en fysieke klachten heeft, maar hij is ADL-zelfredzaam en er is geen sprake van onvermogen op de drie levensgebieden. Bovendien is er geen sprake van een ernstige psychiatrische stoornis. De verzekeringsarts heeft correct geoordeeld dat eiser ten minste één uur aaneengesloten en maximaal vier uur per dag belastbaar is. Bij het criterium ten minste één uur aaneengesloten werken heeft de verzekeringsarts rekening gehouden met de medische feiten en bevindingen bij het onderzoek. Het is niet gebleken dat bij eiser sprake is van ernstige geheugenstoornissen, ernstige problemen bij het richten en vasthouden van aandacht of ernstig onbedwingbaar gedrag dat tot substantiële onderbrekingen binnen één uur leidt. Niet naar voren is gekomen dat eiser bij het uitvoeren van dagelijkse taken dusdanige aansturing of begeleiding behoeft dat er binnen het uur sprake is van substantiële onderbreking van deze activiteiten. Daarnaast is terecht vastgesteld dat eiser vier uur per dag belastbaar is. Volgens de Standaard duurbelastbaarheid is er uit preventief oogpunt geen indicatie voor een werktijdbeperking. Bij eiser is geen sprake van aandoeningen die gepaard gaan met een patroon van overschrijding van eigen grenzen. De indicatie op energetische gronden, vanuit een stoornis in de energiehuishouding als gevolg van chronische vermoeidheid, is wel van toepassing. Met de urenbeperking van maximaal vier uur per dag is voldoende tegemoetgekomen aan toegenomen recuperatienoodzaak. Er zijn geen aanknopingspunten om aanvullende beperkingen aan te nemen.
3.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV het volgende aangevoerd. Ten eerste stelt eiser dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij wordt door zijn bovengemiddelde intelligentie vaak overschat, terwijl hij in feite niet functioneert. Er zijn verschillende diagnoses gesteld, waaronder een ontwikkelingsstoornis en een vermoeidheidssyndroom. Dit maakt het leven zwaar dan wel ondragelijk. Ten tweede stelt eiser dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, nu de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts slechts één uur met eiser hebben gesproken en op grond daarvan conclusies trekken die medici in jaren niet hebben kunnen duiden. Doordat eiser moeite heeft zijn gevoelens te uiten, heeft hij zich in het gesprek met arbeidsdeskundige en verzekeringsarts nauwelijks kunnen laten zien, waardoor het onmogelijk was om tot een weloverwogen oordeel te komen. Het UWV had hier nader onderzoek naar moeten doen. Eiser overlegt verklaringen van (medische) betrokkenen die deze stelling onderbouwen. Ten derde stelt eiser dat hij geen basale werknemersvaardigheden heeft en niet 4 uur op een dag kan werken. Dagen dat eiser wél vier uur op een dag en één uur aaneengesloten kan werken zijn meer een uitzondering dan de regel. Het hangt sterk af van zijn sociaal-emotionele toestand op dat moment. Eisers werkervaring bij de [naam bedrijf] toont juist aan dat eiser niet in staat is om stabiel te functioneren. Ook daar heeft hij vaak niet gewerkt of is vroeg weggegaan, hetgeen geaccepteerd werd omdat hij werkte bij kennissen. Uit zijn vrijwilligerswerk bij een boerderij volgt dat het voor eiser niet mogelijk is om taken uit te voeren. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat vier uur per dag werken niet mogelijk is door zijn energetische beperkingen als gevolg van CVS.
In beroep heeft eiser stukken overgelegd van zijn huisarts (11 januari 2021), zijn psychiater (14 januari 2021 en 30 maart 2022), zijn ambulant begeleider van Impegno (1 februari 2021), zijn praktijkbegeleider van boerderij [naam boerderij] (27 januari 2021), zijn psycholoog van psychologiepraktijk [naam psychologiepraktijk] (21 januari 2021), zijn psycholoog van GGZ-Breburg (25 mei 2020) en een dagbestedingsschema.
In reactie op de aanvullende medische gegevens rapporteert de verzekeringsarts b&b op 3 maart 2020 dat bestudering van de in beroep overgelegde brieven van behandelaars en begeleiders geen nieuwe inzichten oplevert. Eerder waren al diverse brieven van specialisten bij de beoordeling betrokken. De ingebrachte gegevens sluiten daarbij aan. Er is sprake van een complex samengaan van psychische en somatische klachten, leidend tot beduidend minder persoonlijk en sociaal functioneren. Bij de belastbaarheid is rekening gehouden met verminderde mentale en energetische vermogens en belastende omgevingseisen. Er is volgens de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om op medische gronden een andere beslissing te nemen.
Arbeidskundige beoordeling door het UWV
4.1.
Arbeidsdeskundige b&b [naam arbeidsdeskundige b&b] van het UWV heeft – evenals primair arbeidsdeskundige [naam arbeidesdeskundige] – geoordeeld dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden. Eiser is een goed opgeleide jongeman met een havo diploma en enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma. Hij beschikt over een rijbewijs B. daarmee laat hij zien dat hij instructies kan begrijpen, onthouden en kan uitvoeren. Ook heeft eiser gewerkt bij reguliere werkgevers. Daarmee laat hij zien dat hij instructies met een werkgever kan nakomen. Eiser kan ook een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Voorbeeldtaak 1502 ‘scannen’ wordt ongewijzigd gehandhaafd, evenals de voorbeeldtaken 0301 ‘schoonmaken van hondenverblijven’ en 0302 ‘schoonmaken kattenverblijven’.
4.2.
Eiser heeft tegen het arbeidskundig oordeel van het UWV het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is, gezien wat hij al aanvoerde in het kader van zijn medische beroepsgronden. Eiser kan ook een taak als scannen niet uitvoeren. Informatie- en prikkelverwerking kost eiser te veel moeite en energie. Ook kan eiser niet omgaan met stress en andere mentale eisen. Dat eiser over bepaalde cognitieve vaardigheden beschikt, betekent niet dat hij ook in staat is deze te gebruiken.
Beoordeling door de rechtbank
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiser een laattijdige aanvraag heeft ingediend voor een Wajong-uitkering. Volgens vaste rechtspraak draagt de aanvrager de bewijslast om met objectieve medische gegevens aannemelijk te maken dat hij op 18-jarige leeftijd en vijf jaar daarna voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1583). Eiser is 18 jaar geworden op 20 oktober 2011.
5.2.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of bij eiser in de periode in geding (in beginsel op zijn 18e verjaardag en/of in de periode van vijf jaar daarna) sprake was van arbeidsvermogen (artikel 1a:1, eerste lid en tweede lid, van de Wajong).
Op grond van het Schattingsbesluit heeft iemand arbeidsvermogen als hij:
1. een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
2. basale werknemersvaardigheden heeft;
3. ten minste één uur aaneengesloten kan werken en
4. ten minste vier uur per dag belastbaar is.
Er is slechts arbeidsvermogen als aan alle genoemde vereisten is voldaan. Recht op een Wajong-uitkering ontstaat eerst indien de betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Daaronder wordt op grond van het vierde lid van artikel 1a:1 van de Wajong verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.3.
Ten aanzien van het criterium beschikken over basale werknemersvaardigheden overweegt de rechtbank dat dit begrip vooral ziet op cognitieve aspecten en niet op de energetische aspecten die eiser in zijn beroepsgronden benoemt. De rechtbank kan de arbeidsdeskundigen volgen in hun gemotiveerd oordeel dat bij eiser sprake is van basale werknemersvaardigheden.
Ten aanzien van het criterium een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie is de voorbeeldtaak 1502 ‘scannen’ geduid. Hierbij geldt ook wat in de vorige alinea is overwogen. Een taak die wordt geduid in het kader van de Wajong betreft slechts een deel van een functie. Ook is er door het UWV een begeleidingsbehoefte voor eiser aangenomen bij de voorbeeldtaak. Dat het uitvoeren van soortgelijke werkzaamheden eiser in de praktijk niet lukt, zoals hij ter zitting heeft gesteld, maakt niet dat de voorbeeldtaak niet geschikt is voor hem. Dat de werkzaamheden in de praktijk niet lukten, kan ook zijn veroorzaakt doordat een functie meer omvat dan een taak, de werkzaamheden niet in de juiste omgeving werden uitgevoerd of niet met de juiste begeleiding.
Ten aanzien van het criterium ten minste één uur aaneengesloten kunnen werken overweegt de rechtbank het volgende. De dossierstukken en eisers toelichting ter zitting laten zien dat het voor eiser, gezien zijn opleidingen en hobby’s, mogelijk is om één uur aaneengesloten met een activiteit bezig te zijn. Van beperkingen waardoor zich substantiële onderbrekingen in het werkproces voordoen, is geen sprake. Eisers stelling dat hij dit in ieder geval niet alle dagen zou kunnen, is gebaseerd op zijn grond dat hij niet vier uur per dag belastbaar is voor werk.
Ten aanzien van dit criterium, ten minste vier uur per dag belastbaar zijn voor werk, overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser CVS heeft. Uit de dossierstukken blijkt dat eiser hier in zijn dagelijks leven tegenaan loopt. De verzekeringsartsen erkennen dit en zien conform de Standaard duurbelastbaarheid een indicatie voor een duurbeperking op energetische gronden, vanuit een stoornis in de energiehuishouding als gevolg van chronische vermoeidheid, Met verwijzing naar het dagverhaal wordt geconcludeerd dat een urenbeperking van 4 uur per dag voldoende is. De rechtbank kan de verzekeringsartsen echter niet volgen in hun oordeel dat uit eisers dagverhaal blijkt dat vier uur per dag werken mogelijk is (geweest) voor eiser. Het dagverhaal of elders beschreven activiteitenniveau (onder meer in de door eiser in beroep overgelegde stukken) ondersteunt deze conclusie niet. De beschreven activiteiten van eiser zijn activiteiten die zich niet dagelijks voordoen en beslaan een tijdspanne per dag van minder dan 4 uur. Hoewel het criterium van belastbaarheid van 4 uur per dag niet vereist dat deze uren aaneengesloten zijn en dus verdeeld mogen worden op een dag, komt in het door de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts beschreven dagverhaal niet terug dat eiser aldus belastbaar is. Weliswaar betreffen de werkzaamheden bij de [naam bedrijf] wel een belasting van 4 uur of meer, maar daarvan wordt beschreven dat deze tot langdurige ziekmelding hebben geleid. In de op 1 april 2022 door eiser overgelegde brief van psychiater [naam psychiater] van 30 maart 2022 wordt beschreven dat het klachtenpatroon zich vanaf jonge leeftijd (7 jaar) voordoet en dat eiser chronisch zeer laag belastbaar is (minder dan 2 uur per 2 dagen).
Op grond van het voorgaande is onvoldoende gemotiveerd hoe de verzekeringsartsen komen tot een belastbaarheid van concreet 4 uur. Dit betekent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft het oordeel van de verzekeringsartsen ten aanzien van dit criterium ten minste vier uur per dag belastbaar zijn voor werk een nadere motivering. Hiertoe zal de rechtbank een tussenuitspraak doen.
Conclusie en gevolgen
6.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient het UWV alsnog nader te motiveren of eiser voldoet aan het criterium ten minste vier uur per dag belastbaar zijn voor werk. Daarbij dient mede acht te worden geslagen op de in beroep overgelegde brief van 30 maart 2022 van psychiater [naam psychiater] , waarop de verzekeringsarts b&b nog niet heeft kunnen reageren. Tevens dient het UWV te bezien of de peildatum in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, onder a en b, van de Wajong juist is vastgesteld. De rechtbank wenst daarbij een antwoord op de vraag of als peildatum eisers 18e verjaardag dient te worden genomen en/of een later moment, gezien eisers studies na 18-jarige leeftijd. Vervolgens dient op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong de periode van vijf jaar na de peildatum op grond van het eerste lid te worden bekeken. De rechtbank overweegt verder dat eiser nadere stukken kan indienen bij het UWV, ter onderbouwing van de in het dagelijks leven gestelde vermoeidheidsklachten in die periode. Het UWV dient die stukken vervolgens mee te nemen in de nadere motivering. Het UWV dient te bezien wat voor gevolgen het voorgaande heeft voor het bestreden besluit.
6.2.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen bepalen op zes weken. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het UWV wél gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
6.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- -
stelt het UWV in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat in deze tussenuitspraak is overwogen;
- -
draagt het UWV op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 4 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 1a:1 van de Wajong bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld.
De nadere regels als bedoeld in artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong zijn neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid is van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.