NJB 2024/2258:Niet-ontvankelijkheid OM in de vervolging en opportuniteitsbeginsel art. 167 lid 1 Sv: de beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Transactie, art. 74 Sr: het recht tot strafvordering vervalt door voldoening aan de voor waarden die onder deze bepaling kunnen worden gesteld; voor misdrijven waarop meer dan zes jaar staat is een transactie niet mogelijk. In casu is op grond van art. 74 Sr een transactie gesloten tussen de officier van justitie en de verdachte ‘die wordt verdacht van het misdrijf strafbaar gesteld in het artikel 420bis [Sr]. Op grond van art. 420bis Sr kan witwassen worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. In casu heeft het hof geoordeeld dat – in het licht van de correspondentie over die transactie door de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, en van de in het onderzoek verrichte opsporingsactiviteiten, waaronder een politieverhoor van de verdachte waarbij hem vragen zijn gesteld over overtreding van de Opiumwet – de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat i) het onderzoek niet alleen betrekking had op de verdenking van witwassen maar ook op overtreding van de Opiumwet, en ii) het onderzoek naar de verdenking van de handel in en uitvoer van verdovende middelen zou worden gestaakt. ’s Hofs oordeel dat de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij voor die onder Opiumwetfeiten ook niet zou worden vervolgd, is in het licht van het hiervoor vooropgestelde niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat de transactie slechts kon zien op het in art. 420bis Sr bedoelde misdrijf, aangezien het strafmaximum van de Opiumwetfeiten uitstijgt boven het in art. 74 Sr genoemde strafmaximum.