Rb. Rotterdam, 01-04-2020, nr. C/10/543834 / HA ZA 18-103
ECLI:NL:RBROT:2020:3013
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
01-04-2020
- Zaaknummer
C/10/543834 / HA ZA 18-103
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2020:3013, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 01‑04‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:169
ECLI:NL:RBROT:2018:9865, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 05‑12‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 01‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Waardering deskundigenrapport over waarde particulier elektriciteits- en gasnet op bedrijventerrein waarvan de ‘economische eigendom’ door overheidsingrijpen moet worden overgedragen aan Stedin. Elektriciteitswet 1998. Gaswet 2000.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/543834 / HA ZA 18-103
Vonnis van 1 april 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STEDIN NETBEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STEDIN NETTEN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. M.W.F. Oosterhuis te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENDANT PARKNET BEHEER B.V.,
gevestigd te Alblasserdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat eerst mr. I. Brinkman te Den Haag, thans mr. M. de Rijke te Den Haag.
Partijen zullen hierna Stedin en Rendant genoemd worden. Afzonderlijk zullen eiseressen Stedin Netbeheer en Stedin Netten genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 27 maart 2019 en de daarin genoemde stukken
- -
het deskundigenbericht
- -
de conclusie na deskundigenbericht van Stedin
- -
de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Rendant.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
De rechtbank heeft al geoordeeld dat Stedin Netbeheer wel een vorderingsrecht heeft maar Stedin Netten niet. Daarom zal de verdere beoordeling plaatsvinden tussen alleen Stedin Netbeheer en Rendant.
2.2.
In geschil is de vraag wat de waarde is van een in particuliere eigendom aan Rendant toebehorend Elektriciteitsnet en een Gasnet. Rendant is op grond van twee onherroepelijke bestuursrechtelijke besluiten gehouden van deze twee netten de ‘economische eigendom’ over te dragen aan Stedin Netbeheer. De rechtbank heeft een deskundige benoemd om te rapporteren over de waarde van beide netten. Deze waarde dient, zoals de rechtbank heeft beslist, bepaald te worden aan de hand van de te verwachten opbrengst van de exploitatie van de twee netten gedurende de nog te verwachten restlevensduur, waarbij voorts rekening moet worden gehouden met een aantal andere door de rechtbank benoemde relevante omstandigheden. Thans wordt toegekomen aan de beoordeling van het deskundigenrapport, bezien in het licht van het commentaar van partijen daarop.
2.3.
De rechtbank slaat daarbij geen acht op producties waarop geen voldoende duidelijk beroep is gedaan, ook niet als die producties volgens de desbetreffende partij als volledig herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. In het kader van een goede procesorde is het niet aan de rechtbank om in producties naar het standpunt van een procespartij te zoeken, maar aan een procespartij om haar standpunt op voldoende duidelijke wijze naar voren te brengen. Anders weet de wederpartij niet goed waartegen zij zich heeft te verweren.
2.4.
De rechtbank kan (niet: moet) ambtshalve of op verzoek van partijen een mondelinge behandeling bevelen. Partijen hebben na het gereedkomen van het deskundigenrapport verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat zij geen aanleiding ziet voor een nieuwe mondelinge behandeling. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd. Er heeft in deze zaak een rechterwisseling plaatsgevonden omdat mr. A. Boer thans niet langer werkzaam is binnen de onderhavige kamer van de rechtbank. Haar plaats wordt ingenomen door mr. S. M. den Hollander. Omdat er na het plaatsvinden van de mondelinge behandeling inmiddels al een tussenvonnis is gewezen, is een nieuwe mondelinge behandeling vanwege deze rechterswisseling ook niet verplicht (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662).
2.5.
Partijen zijn onderling (ten overstaan van de deskundige) nader overeengekomen om ook voor de waarde van het Gasnet als peildatum 1 januari 2020 te hanteren (eerst was de peildatum voor het Gasnet 1 mei 2019). Hiertegen bestaat, zoals de rechtbank al had geoordeeld, geen bezwaar.
2.6.
De deskundige rapporteert, deels samengevat, het volgende:
- de deskundige heeft de door de rechtbank opgedragen waarderingsmethode (ook wel geheten: de Discounted Cash Flowmethode) gehanteerd.
- partijen hebben samen in totaal 102 opmerkingen geplaatst over het concept-rapport.
- de deskundige begroot de waardes als volgt:
- waarde Elektriciteitsnet € 1.616.895
- waarde Gasnet € 38.798
- samen is dit € 1.655.693.
- Rendant is bereid alsnog zelf een aantal onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Als dat geschiedt wordt de gezamenlijke waarde van de twee netten iets hoger, namelijk € 1.696.101.
- partijen houdt verdeeld of er extra kosten gemaakt moeten worden wegens het vestigen van een zakelijk recht. Stedin Netbeheer stelt dat er momenteel geen zakelijke rechten gevestigd zijn ten opzichte van de particuliere percelen waarbinnen de kabels en leidingen liggen. Rendant zou de eerder gevestigde opstalrechten verkocht hebben aan een derde partij. Rendant stelt dat het recht van toegang en de leg- en ligrechten zijn verzekerd door middel van een erfdienstbaarheid die op de percelen rust en dat, alternatief, zakelijke rechten kunnen worden afgedwongen via de Belemmeringenwet Privaatrecht jo. artikel 20 Elektriciteitswet 1998 en artikel 39a Gaswet 2000 of via de Aansluiting en Transport Overeenkomst. Als met deze kosten rekening moet worden gehouden komt de waarde van beide netten uit op:
- € 1.463.185 (exclusief onderhoudswerkzaamheden Rendant)
- € 1.503.594 (inclusief onderhoudswerkzaamheden Rendant).
2.7.
In beginsel heeft de civiele rechter een beperkte motiveringsplicht wat betreft zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen; de inhoud van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren (Hoge Raad 05-12-2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478). De rechter hoeft slechts te oordelen dat hij het deskundigenrapport overtuigend acht, zeker indien de motivering van de deskundige vooral is gebaseerd op diens bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie.
2.8.
De rechtbank acht de bevindingen van de deskundige logisch en concludent en maakt ze tot de hare. De deskundige heeft zijn opdracht uitgevoerd overeenkomstig de instructie van de rechtbank, namelijk door als maatstaf te hanteren de te verwachten opbrengst van de exploitatie van de twee netten gedurende de nog te verwachten restlevensduur, waarbij hij rekening heeft gehouden met een aantal andere door de rechtbank geformuleerde relevante omstandigheden. De deskundige heeft zijn rapport gebaseerd op de actuele ouderdom van het Gasnet en het Elektriciteitsnet, de technische staat en de te verwachten levensduur bij normaal gebruik en onderhoud.
2.9.
De rechtbank is dus van oordeel dat de kritiek van beide partijen op het deskundigenrapport faalt. In dit oordeel wordt het navolgende betrokken.
2.10.
De kritiek van partijen komt er niet zelden op neer dat zij een andere weging maken van de omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de waardebepaling, bijvoorbeeld over de levensduur van een net, over de kosten die gemoeid zijn met onderhoud, over kosten van herstel vanwege grondverzakking of over vervanging van materiaal (twee compactstations). De rechtbank hecht echter meer waarde aan de weging die door de - onafhankelijke - rechtbankdeskundige is verricht dan aan de weging die partijen maken. Het volstaat voorts niet zonder meer dat partijen andere bedragen noemen waarvan de deskundige had moeten uitgaan.
2.11.
Aan de bezwaren van Stedin Netbeheer over de onduidelijke juridische status van de leidingen gaat rechtbank voorbij. Stedin Netbeheer stelt dat Rendant haar glasvezelnetwerk heeft verkocht aan een derde en daarbij het opstalrecht (niet alleen van het glasvezelnetwerk maar ook) van het Gasnet en het Elektriciteitsnet heeft overgedragen. Dit is geschied onder het bedingen van een recht van erfdienstbaarheid, maar volgens Stedin Netbeheer is dit recht ‘obscuur.’ Het is de rechtbank echter niet duidelijk waarom de erfdienstbaarheden als obscuur zouden mogen worden beschouwd. In zoverre is het verweer niet goed onderbouwd. De rechtbank zal daarom uitgaan van een waarde van € 1.616.895 voor het Elektriciteitsnet en van € 38.798 voor het Gasnet.
2.12.
Stedin Netbeheer moet sowieso van goeden huize komen wil haar kritiek op het deskundigenrapport kunnen slagen. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat vaststaat dat de ACM aan Stedin Netbeheer toestaat haar tarieven te verhogen zodat Stedin Netbeheer haar investering in de twee netten kan terugverdienen. Stedin Netbeheer stelt niet dat, en waarom, het in dit geval (feitelijk) niet mogelijk zou zijn de prijs van de investering te verdisconteren in haar tarieven. Daarom moet aangenomen worden dat dat wel mogelijk is. Het is niet goed denkbaar dat een prijs te hoog is in het geval van tevoren al vaststaat dat de investering terugverdiend kan worden. En dan mogen hoge eisen worden gesteld aan de stellingen van Stedin Netbeheer dat de door de deskundige gerapporteerde waardes toch nog te hoog zouden zijn. Aan die hoge eisen voldoen de stellingen van Stedin Netbeheer niet.
Het standpunt van Stedin Netbeheer dat de twee netten een negatieve waarde hebben, zodat Stedin Netbeheer in haar visie geld toe zou moeten krijgen voor de twee netten, acht de rechtbank gelet op het rapport van de deskundige niet houdbaar. Dit standpunt wijst er niet direct op dat Stedin Netbeheer bereid is een redelijke prijs te betalen.
2.13.
Volgens Rendant is het deskundigenrapport niet actueel meer. Er moet volgens Rendant een nieuwe versie van het deskundigenrapport worden opgesteld omdat het huidige rapport is gebaseerd op de peildatum 1 januari 2020, terwijl de minister bij besluit van 19 december 2019 de termijn van inwerkingtreding van de onderhavige twee besluiten met een jaar heeft verlengd waardoor de netten uiterlijk 1 januari 2021 dienen te worden overgedragen. Onduidelijk is echter waarom de netten wat betreft waardering niet per peildatum 1 januari 2020 kunnen worden overgedragen, ook als de termijn van inwerkingtreding van onderhavige twee besluiten is verlengd. De rechtbank heeft bovendien te waken voor onredelijke vertraging van de procedure. De dagvaarding dateert immers al van 23 januari 2018.
Het valt daarbij geenszins uit te sluiten dat, bij een nieuwe versie van het deskundigenrapport, het niet zal lukken om vonnis te wijzen voor 1 januari 2021. Partijen blijken weinig genegen om hun stellingname te beperken tot de hoofdlijnen, gelet op de uitgebreide omvang van het processuele debat. Volgens het deskundigenrapport hebben partijen 102 opmerking geplaatst bij het conceptrapport. Eén en ander bevestigt het risico dat een nieuwe versie van deskundigenrapport, zoals wordt voorgestaan, niet tijdig gereed zal komen. En dan zou, in de visie van Rendant, wederom een nieuw deskundigenrapport opgesteld moeten worden.
2.14.
Teneinde zo dicht mogelijk bij de peildatum te blijven, zal de rechtbank bepalen dat de economische eigendomsoverdracht onmiddellijk moet plaatsvinden.
2.15.
Volgens Rendant had de deskundige zijn berekening niet mogen baseren op de ACM-tarieven die Stedin Netbeheer zal gaan hanteren, maar op de tarieven die Rendant zelf heeft gehanteerd. Slechts bij overdracht van het net van de ene netbeheer naar de andere netbeheerder (waarvan hier geen sprake is) mogen de ACM-tarieven, over de afgelopen vijf jaar, worden gehanteerd, aldus Rendant. Dit betoog faalt. In wezen komt de stellingname van Rendant er op neer dat de waardebepaling plaats had moeten vinden op de aanname van voortgezette exploitatie van de twee netten door de ‘verkoper’ in plaats van door de ‘koper.’ De gekozen waarderingssystematiek gaat echter juist uit van toekomstige kasstromen. En in de toekomst zal het Stedin Netbeheer, niet Rendant, zijn die die kasstromen genereert. Het deskundigenrapport is daarom terecht gebaseerd op de tarieven van Stedin Netbeheer.
2.16.
Volgens Rendant heeft de deskundige ten onrechte geen rekening gehouden met toekomstige groei van de omzet. Dit betoog faalt omdat hier sprake is van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Evengoed kan de economie langdurig gaan stagneren waardoor de klanten van Rendant (uit het bedrijfsleven) minder energie zullen gaan afnemen. Bovendien is het overheidsbeleid juist gericht op afname van verbruik van (fossiele) energie, niet op een toename.
2.17.
Volgens Rendant heeft de deskundige ten onrechte geen rekening gehouden met
de transformatoren en meetdiensten die liggen binnen de installatie van een
afnemer en de meters die bij de afnemers zijn geplaatst. Dit betoog faalt.
Rendant heeft deze standpunten al ingenomen in reactie op het conceptrapport van de deskundige. De deskundige heeft hierop geantwoord dat de klant-transformatoren achter het overdrachtspunt geen onderdeel van het net zijn. En dat transformatoren die wel onderdeel zijn van het net, dienen om meerdere LS-aangeslotenen van energie te voorzien. Voor deze aangeslotenen gelden de LS-aansluittarieven en wordt geen tarief voor transformator-huur verrekend, aldus de deskundige. Ten aanzien van de meetdiensten heeft de deskundige bericht dat deze in het vrije domein vallen en niet door een netbeheerder gedaan worden en daarom buiten beschouwing moet blijven. Hetgeen Rendant in de conclusie na enquête heeft vermeld op dit punt geeft geen aanleiding om het oordeel van de deskundige niet te volgen.
2.18.
Volgens Rendant heeft de deskundige in een te hoge mate rekening gehouden met kosten van herstel van de netten. Rendant stelt in dit verband dat de deskundige is uitgegaan van:
- de kosten die nodig zijn om de netten in een dermate deugdelijke technische staat te brengen zodat Stedin Netbeheer kan voldoen aan haar wettelijke taak als netbeheerder onder artikel 11, eerste lid, Elektriciteitswet 1998 en artikel 10, eerste en derde lid, Gaswet 2000;
- herstelkosten om eventuele toekomstige risico’s te beperken.
De rechtbank acht echter deze wijze van begroting van herstelkosten (nog steeds) passen binnen de door de rechtbank verstrekte opdracht om het onderzoek te beperken tot noodzakelijk te maken herstelkosten. Het betoog van Rendant faalt derhalve.
2.19.
Rendant stelt dat zij voornemens is om zelf alsnog een aantal onderhoudswerkzaamheden te verrichten. De rechtbank gaat aan dit standpunt voorbij. Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op het rapport van de deskundige. De deskundige heeft per definitie geen rekening kunnen houden met (eventuele) toekomstige onderhoudswerkzaamheden van de netten, al was het maar omdat niet verzekerd is dat die eventuele werkzaamheden ook deugdelijk worden uitgevoerd. Ook de rechtbank kan daarmee geen rekening houden, tenzij Rendant in de gelegenheid zou worden gesteld deze onderhoudswerkzaamheden uit te voeren en daarna een aanvullend deskundigenrapport zou worden opgesteld. Dat zou echter leiden tot onredelijke vertraging van de procedure.
2.20.
De rechtbank acht, anders dan Rendant, niet onterecht dat de deskundige in zijn rapportage rekening heeft gehouden met een kostenpost van € 91.000 voor onvoorziene
herstelkosten. Uit de stellingen van Rendant valt niet af te leiden dat sprake is van strijd met de door de deskundige te hanteren waarderingsmethode dan wel dat deze post (anderszins) in strijd is met bedrijfseconomisch verantwoorde (of althans: te billijken) uitgangspunten.
2.21.
Slotsom is dat aan Rendant een vergoeding toekomt die hoger is dan Stedin Netbeheer bereid is te betalen maar lager is dan Rendant vordert. Beide partijen worden dus deels in het ongelijk gesteld. Om die reden zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen haar eigen proceskosten moet dragen. De omstandigheid dat het hier om gedwongen eigendomsoverdracht gaat, maakt niet dat Stedin in de proceskosten moet worden veroordeeld zoals door Rendant is verzocht. Zoals eerder is geoordeeld is van onteigening geen sprake.
2.22.
Beide partijen hebben een helft van de oorspronkelijk door de deskundige begrote kosten ter griffie in depot gestort (ieder een helft ad € 33.601,70, samen € 67.203,40, steeds inclusief btw). De deskundige heeft uiteindelijk in totaal € 90.368,85 inclusief btw in rekening gebracht.
2.23.
De rechtbank heeft de deskundige verzocht om een nadere specificatie van zijn meerkosten. De deskundige heeft daarop zijn meerkosten nader gespecificeerd bij brief van 16 december 2019. Beide partijen hebben zich kunnen uitlaten over de meerkosten. Stedin Netbeheer acht de extra kosten aanvaardbaar, Rendant niet. De rechtbank acht, gelet op de nadere specificatie van de deskundige en partijen daaromtrent gehoord hebbend, de meerkosten van de deskundige redelijk. De rechtbank acht voldoende duidelijk geworden dat de deskundige door toedoen van partijen meer kosten heeft moet maken dan voor hem voorzienbaar was. Ieder van partijen zal een helft moeten betalen van de kosten van het deskundigenrapport. De rechtbank zal de griffier gelasten het depotbedrag uit te keren aan de deskundige. Voor het meerdere zal de rechtbank een bevelschrift uitvaardigen.
2.24.
In conventie zijn dus toewijsbaar:
- vordering 1, tot economische eigendomsoverdracht en waardevaststelling van het elektriciteitsnet,
- vordering 2, tot economische eigendomsoverdracht en waardevaststelling van het gasnet,
- van vordering 3: de subsidiaire vordering dat Rendant de economische eigendom van de twee netten moet overdragen aan Stedin Netbeheer. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat de primaire vordering sub 3 - dat de volle eigendom moet worden overgedragen - niet toewijsbaar is. Tevens is van vordering 3 toewijsbaar de veroordeling van Stedin Netbeheer tot betaling aan Rendant van het bedrag van de waarde van de twee netten.
2.25.
De beslissing in conventie zal zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Een waardevaststelling is in wezen een verklaring voor recht. Een verklaring voor recht is niet uitvoerbaar bij voorraad omdat een dergelijk vonnis niet geëxecuteerd kan worden. Daarom zal het vonnis niet volledig uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in reconventie
2.26.
De rechtbank neemt haar oordelen in conventie hier over. In conventie wordt Stedin Netbeheer al veroordeeld tot betaling aan Rendant. Dat maakt een identieke veroordeling in reconventie overbodig. Ook voor het overige zal het gevorderde in reconventie worden afgewezen. Dit volgt uit de andersluidende oordelen in conventie.
2.27.
De proceskosten tussen partijen zullen, nu zij de facto over en weer deels in het ongelijk gesteld worden (over de waarde van de twee netten), worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen.
2.28.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet aan de orde, aangezien in reconventie niets wordt toegewezen.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
stelt de waarde van het Particuliere Elektriciteitsnet in overeenstemming met
hetgeen bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 is bepaald voor de onderhavige situatie
ingevolge het Besluit Aanwijzing Elektriciteitsnet op € 1.616.895,
3.2.
stelt de waarde van het Particuliere Gastransportnet in overeenstemming met
hetgeen bij of krachtens de Gaswet is bepaald voor de onderhavige situatie ingevolge het
Besluit Aanwijzing Gastransportnet op € 38.798,
3.3.
veroordeelt Rendant tot onmiddellijke economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Elektriciteitsnet aan Stedin Netbeheer tegen betaling van een bedrag van € 1.616.895 en tot medewerking voor zover benodigd aan de economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Elektriciteitsnet aan Stedin Netbeheer,
3.4.
veroordeelt Rendant tot onmiddellijke economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Gastransportnet aan Stedin Netbeheer tegen betaling van € 38.798 en tot medewerking voor zover benodigd aan de economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Gastransportnet aan Stedin Netbeheer,
3.5.
bepaalt dat ieder van partijen haar eigen proceskosten moet dragen en dat ieder van partijen de helft van de kosten van de deskundige verschuldigd is, waaronder de kosten van het meerwerk van de deskundige,
3.6.
gelast de griffier tot uitbetaling van het depotbedrag aan de deskundige,
3.7.
verklaart dit vonnis wat betreft r.o. 3.3. tot en met 3.6. uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.9.
wijst het gevorderde af,
3.10.
bepaalt dat ieder van partijen haar eigen proceskosten moet dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren, mr. S.M. den Hollander en mr. W. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door de rolrechter mr. C. Bouwman op 1 april 2020.
[2517/2457/2872/2983]
Uitspraak 05‑12‑2018
Inhoudsindicatie
Artikel 13 Elektriciteitswet 1998. Gaswet. Stedin is aangewezen als netbeheerder van een (voorheen) particulier elektriciteitsnet en gasnet. Onteigening? Artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Vaststelling economische waarde van deze netten. Besluit Waardevaststelling. Benoeming deskundige.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/543834 / HA ZA 18-103
Vonnis van 5 december 2018
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eiseres 1] ,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eiseres 2] ,
gevestigd te Rotterdam,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. M.W.F. Oosterhuis te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam gedaagde 1] ,
gevestigd te Alblasserdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. I. Brinkman te Den Haag.
Partijen zullen hierna [naam 1] en [naam 2] genoemd worden. Afzonderlijk zullen eiseressen [naam 1a] en [naam 1b] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding
- -
de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie
- -
de akte houdende overlegging nadere producties en wijziging van eis
- -
de antwoordakte in conventie, tevens akte wijziging conclusie in conventie en (voorwaardelijke) eis in reconventie
- -
de conclusie van antwoord in reconventie
- -
de brief van de griffier van 3 augustus 2018 over hetgeen ter comparitie van partijen aan de orde zal worden gesteld
- -
het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2018 en de daarin genoemde stukken
- -
het commentaar van [naam 1] op het (buiten afwezigheid van partijen) opgemaakte proces-verbaal
- -
de brief van 15 november 2018 van de rechtbank aan [naam 2] , waarmee aan [naam 2] haar processtuk wordt geretourneerd dat niet alleen haar commentaar bevat op het proces-verbaal, maar ook een – ongeoorloofde – nadere conclusie
- -
de overgelegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[naam 2] is juridisch eigenaar en exploitant van een particulier elektriciteitsnet (hierna: het Elektriciteitsnet) en van een particulier gasnetwerk (hierna: het Gasnet), beiden gelegen op het industrieterrein [naam industrieterrein] (grens Papendrecht/ Alblasserdam).
2.2.
[naam 1] is de regionale netbeheerder van een elektriciteitsnet en een gasnet in het gebied rondom/ in de nabijheid van industrieterrein [naam industrieterrein] .
2.3.
[naam 1b] is een 100% dochtermaatschappij van [naam 1] en houdt de juridische dan wel economische eigendom van alle elektriciteitsnetten en het gasnet waarvan [naam 1] de netbeheerder is.
2.4.
[naam 2] heeft aan de ACM verzocht om ontheffing van haar verplichting tot het aanwijzen van een netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998, respectievelijk de Gaswet. De ACM heeft beide aanvragen afwezen. De door [naam 2] hiertegen ingestelde beroepen zijn ongegrond verklaard bij twee uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 juli 2016, kenmerk ECLI:NL:CBB:2016:227 (ter zake van het Gasnet ) en kenmerk ECLI:NL:CBB:2016:228 (ter zake van het Elektriciteitsnet).
2.5.
Het gevolg van deze twee uitspraken is dat er een netbeheerder moet komen voor het Elektriciteitsnet en het Gasnet, respectievelijk dat [naam 2] de exploitatie van deze twee netten zelf dient te staken. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft [naam 1] aangewezen als beheerder van het Elektriciteitsnet (bij besluit van 20 december 2017) en van het Gasnet (bij besluit van 1 mei 2018).
2.6.
De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft (uiteindelijk) de navolgende data vastgesteld waarop [naam 1] als netbeheerder moet gaan functioneren: uiterlijk 1 januari 2020 (voor het Elektriciteitsnet) en 1 mei 2019 (voor het Gasnet).
2.7.
Partijen hebben onderhandeld over, kort gezegd, onderhandse verkoop van het Elektriciteitsnet en het Gasnet door [naam 2] aan [naam 1] . Partijen hebben geen overeenstemming bereikt vanwege een verschil van mening over met name de te hanteren waarderingsmethodiek ter bepaling van de waarde van het Elektriciteitsnet en het Gasnet, en de overnamesom die daaruit voortvloeit.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[naam eiseres 1] vordert na eiswijziging om bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1) de waarde vast te stellen van het Particuliere Elektriciteitsnet in overeenstemming met hetgeen bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 is bepaald voor de onderhavige situatie ingevolge het Besluit Aanwijzing Elektriciteitsnet; en:
2) de waarde vast te stellen van het Particuliere Gastransportnet in overeenstemming met hetgeen bij of krachtens de Gaswet is bepaald voor de onderhavige situatie ingevolge het Besluit Aanwijzing Gastransportnet; en:
3) Primair:
( i) [naam gedaagde 1] te veroordelen tot eigendomsoverdracht van het Particuliere
Elektriciteitsnet aan [naam eiseres 1] tegen betaling van de vergoeding van
de waarde van het Particuliere Elektriciteitsnet zoals door uw rechtbank zal zijn
vastgesteld en tot medewerking voor zover benodigd aan de eigendomsoverdracht
van het Particuliere Elektriciteitsnet aan [naam eiseres 2] , het een en het ander
uiterlijk op de datum dat het Besluit Aanwijzing Elektriciteitsnet in werking zal
treden; en:
(ii) [naam gedaagde 1] te veroordelen tot eigendomsoverdracht van het Particuliere
Gastransportnet aan [naam eiseres 1] tegen betaling van de vergoeding van
de waarde van het Particuliere Gastransportnet zoals door uw rechtbank zal zijn
vastgesteld en tot medewerking voor zover benodigd aan de eigendomsoverdracht
van het Particuliere Gastransportnet aan [naam eiseres 2] , het een en het ander
uiterlijk op de datum dat het Besluit Aanwijzing Gastransportnet in werking zal
treden; althans:
Subsidiair:
( i) [naam gedaagde 1] te veroordelen tot economische eigendomsoverdracht van het
Particuliere Elektriciteitsnet aan [naam eiseres 1] tegen betaling van de
vergoeding van de waarde van het Particuliere Elektriciteitsnet zoals door uw
rechtbank zal zijn vastgesteld en tot medewerking voor zover benodigd aan de
economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Elektriciteitsnet aan
[naam eiseres 2] , het een en het ander uiterlijk op de datum dat het Besluit
Aanwijzing Elektriciteitsnet in werking zal treden; en:
(ii) [naam gedaagde 1] te veroordelen tot economische eigendomsoverdracht van het
Particuliere Gastransportnet aan [naam eiseres 1] tegen betaling van de
vergoeding van de waarde van het Particuliere Gastransportnet zoals door uw
rechtbank zal zijn vastgesteld en tot medewerking voor zover benodigd aan de
economische eigendomsoverdracht van het Particuliere Gastransportnet aan
[naam eiseres 2] , het een en het ander uiterlijk op de datum dat het Besluit
Aanwijzing Gastransportnet in werking zal treden; en:
4) Primair en subsidiair:
[naam 2] te veroordelen tot betaling aan [naam 1] de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd en aan nakosten een bedrag van EUR 131 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van EUR 68 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
3.2.
[naam 1] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
Op grond van artikel 2 lid 1 sub d van het Besluit waardevaststelling netten voor elektriciteit en voor gastransport (hierna: Besluit Waardevaststelling) is [naam 1] bevoegd om te vorderen dat de waarde van de tegenprestatie voor het Elektriciteitsnet en het Gasnet worden vastgesteld. Deze tegenprestatie dient door de rechtbank te worden bepaald met inachtneming van art. 13 van de Elektriciteitswet 1998, artikel 5 van de Gaswet en de criteria vastgelegd in artikel 9 van het Besluit Waardevaststelling en na raadpleging van een deskundige
3.3.
[naam 2] concludeert tot afwijzing van de vordering en voert daartoe het volgende aan.
Primair stelt zij zich op het standpunt dat benoeming van een deskundige niet nodig is nu de hoogte van de Tegenprestatie vastgesteld kan worden op grond van hetgeen zij in reconventie stelt.
Subsidiair, in het geval een deskundige benoemd zal worden voert zij aan dat het Besluit Waardevaststelling onvoldoende kader biedt voor de bepaling van de hoogte van de Tegenprestatie. De waarderingsinstructie voor de te benoemen deskundige dient te luiden dat [naam 2] volledig schadeloos gesteld dient te worden voor de ontneming van de eigendom van haar netten. Dit betekent dat de deskundige uit dient te gaan van:
- -
een volledige schadeloosstelling vanwege onteigening van de netten
- -
de marktwaarde van de netten in een going-concern situatie inclusief de leveringsactiviteiten, in het normale commerciële verkeer;
- -
onder de hypothese dat alle benodigde vergunningen zijn verleend, derhalve onder abstractie van de aanwijzing van [naam 1] als netbeheerder, althans onder beëindiging van de ontheffing;
- -
waardering op grond van de discounted cashflowmethode (DCF) bij going concern;
in reconventie
3.4.
[naam eiseres 3] vordert na wijziging van eis om bij vonnis:
1. PRIMAIR
de Tegenprestatie voor de overdracht van de juridische eigendom van het Net aan [naam gedaagde 2] vast te stellen op € 7.897.000,00, althans de Tegenprestatie voor de overdracht van de economische eigendom van het Net aan [naam gedaagde 2] vast te stellen op € 7.897.000,00;
en
[naam gedaagde 2] te veroordelen om [naam eiseres 3] het aldus bij wijze van Tegenprestatie vastgestelde bedrag van € 7.897.000,00 te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de juridische eigendom van het Net; althans [naam gedaagde 2] te veroordelen het aldus bij wijze van tegenprestatie vastgestelde bedrag van € 7.897.000,00 te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de economische eigendom van het net;
en
de Tegenprestatie Gas voor de overdracht van de juridische eigendom van het Gasnet aan [naam gedaagde 2] vast te stellen op € 872.000,00 althans de Tegenprestatie Gas voor de overdracht van de economische eigendom van het Gasnet aan [naam gedaagde 2] vast te stellen op € 872.000,00
en
[naam gedaagde 2] te veroordelen om [naam eiseres 3] het aldus bij wijze van Tegenprestatie Gas vastgestelde bedrag van € 872.000,00 te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de juridische eigendom van het Gasnet, althans [naam gedaagde 2] te veroordelen het aldus bij wijze van Tegenprestatie Gas vastgestelde bedrag van € 872.000,00 te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de economische eigendom van het Gasnet;
SUBSIDIAIR
de Waarderingsinstructie voor de bepaling van de Tegenprestatie vast te stellen met
inachtneming van hetgeen [naam eiseres 3] daarover heeft opgemerkt in hoofdstuk 2 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
en
één onafhankelijke deskundige te benoemen en op te dragen om binnen twaalf (12)
weken na het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in
goede justitie te bepalen termijn, de hoogte van de Tegenprestatie voor de juridische respectievelijk economische eigendom van het Net te bepalen met inachtneming van de aldus door de rechtbank vastgestelde Waarderingsinstructie;
en
conform de - met inachtneming van het voorgaande tot stand gekomen - waardering van de deskundige de Tegenprestatie vast te stellen en [naam gedaagde 2] te veroordelen om [naam eiseres 3] het aldus bij wijze van Tegenprestatie vastgestelde bedrag te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de juridische respectievelijk economische eigendom van het Net;
en
de Waarderingsinstructie Gas voor de bepaling van de Tegenprestatie Gas vast te stellen met inachtneming van hetgeen [naam eiseres 3] heeft opgemerkt in de akte van 10 september 2018;
en
één onafhankelijke deskundige te benoemen en op te dragen om binnen twaalf (12) weken na het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, de hoogte van de Tegenprestatie Gas voor de juridische respectievelijk economische eigendom van het Gasnet te bepalen met inachtneming van de aldus door de rechtbank vastgestelde Waarderingsinstructie Gas;
en
conform de - met inachtneming van het voorgaande tot stand gekomen - waardering van de deskundige de Tegenprestatie Gas vast te stellen en [naam gedaagde 2] te veroordelen om [naam eiseres 3] het aldus bij wijze van Tegenprestatie Gas vastgestelde bedrag te betalen tegen overdracht door [naam eiseres 3] aan [naam gedaagde 2] van de juridische respectievelijk economische eigendom van het Net;
en in alle gevallen:
1. [naam gedaagde 2] te veroordelen [naam eiseres 3] alle kosten en schade te vergoeden die zij maakt respectievelijk lijdt ten gevolge van de - gedwongen - overdracht van het Net aan [naam gedaagde 2] , nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
en
2. [naam gedaagde 2] te veroordelen [naam eiseres 3] alle kosten en schade te vergoeden die zij maakt respectievelijk lijdt ten gevolge van de – gedwongen – overdracht van het Gasnet aan [naam gedaagde 2] , nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2018, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
en
3. [naam gedaagde 2] te veroordelen [naam eiseres 3] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van € 503.397,39, in verband met de tot op heden gemaakte en de te maken kosten en schade die zij lijdt ten gevolge van de - gedwongen - overdracht van het Net respectievelijk het Gasnet aan [naam gedaagde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
en in alle gevallen:
met verklaring dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
in conventie en reconventie:
[naam 1] te veroordelen in de kosten van het geding, met bepaling dat daarover de
wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis en met veroordeling van [naam 1] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 246 dan wel in het geval van betekening € 328, met verklaring dat (ook) deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn.
3.5.
[naam 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en reconventie
4.1.
Partijen houdt met name verdeeld wat de prijs is die [naam 1] moet betalen voor de
onvrijwillige eigendomsoverdracht van het Elektriciteitsnet en het Gasnet van [naam 2] aan [naam 1] . Volgens [naam 2] is haar Elektriciteitsnet € 7.450.000,- waard en haar Gasnet € 872.000,-. Volgens [naam 1] bevinden het Elektriciteitsnet en het Gasnet zich in een erbarmelijke staat en hebben zij een negatieve waarde vanwege de kosten die nodig zullen zijn om beide netten alsnog in een goede staat te brengen.
4.2.
De rechtbank zal eerst oordelen over de vorderingen van [naam 1] inzake het Elektriciteitsnet en vervolgens inzake het Gasnet. Vanwege de samenhang zal daarbij ook deels het gevorderde in reconventie aan de orde komen.
het Elektriciteitsnet
4.3.
Artikel 13 van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt, voor zover van belang:
6 Uiterlijk op de dag waarop een beschikking tot aanwijzing van Onze Minister in werking treedt, draagt de netbeheerder of, indien van toepassing, degene aan wie een net toebehoort, de economische eigendom van het net over aan de aangewezen nieuwe netbeheerder. Degene die de netbeheerder, bedoeld in de aanhef van het derde lid, heeft aangewezen, verleent daaraan voor zover nodig zijn medewerking.
7 De overdracht van de economische eigendom, bedoeld in het zesde lid, geschiedt tegen verrichting van een tegenprestatie waarvan de waarde uiterlijk op de in dat lid bedoelde dag is vastgesteld en die ten hoogste de opbrengst vertegenwoordigt van de exploitatie van het net, zoals deze op basis van algemene bedrijfseconomische uitgangspunten kan worden afgeleid van de door de Autoriteit Consument en Markt in de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar vastgestelde tarieven met betrekking tot het netbeheer. Deze tegenprestatie kan zowel bestaan uit een periodieke uitkering als uit een contant bedrag ineens.
8 Indien de tegenprestatie, bedoeld in het zevende lid, niet kan worden afgeleid uit de vastgestelde tarieven, kan de tegenprestatie worden vastgesteld volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels.
4.4.
Volgens voormeld artikel 13 lid 6 rust op [naam 2] de verbintenis om de economische eigendom van haar Elektriciteitsnet aan de netbeheerder over te dragen. Economische eigendom wordt gedefinieerd in artikel 1 sub aa van de Elektriciteitswet 1998:
het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is
4.5.
[naam 1] vordert primair dat (niet de economische eigendom maar) de volle eigendom van het Elektriciteitsnetwerk aan haar zal worden overgedragen. Dit zal worden afgewezen nu voormeld artikel 13 lid 6 slechts de economische overdracht voorschrijft.
4.6.
[naam 2] heeft tijdens de comparitie van partijen aangegeven bereid te zijn ook de juridische eigendom over te dragen van de netten en partijen zijn het er over eens dat de waarde van de economische eigendom van de netten niet afwijkt van de waarde van de volledige (ook juridische) eigendom van de netten.
4.7.
De plicht van [naam 2] tot overdracht van de economische eigendom geldt blijkens de voormelde wettekst slechts tegenover de netbeheerder. Als netbeheerder is slechts aangewezen: [naam 1] . Haar dochtermaatschappij [naam 1b] is niet (mede) als netbeheerder aangewezen. [naam 1b] heeft dus geen vorderingsrecht jegens [naam 2] . Ten aanzien van [naam 1b] zal de vordering dus worden afgewezen. Er zal dus geen niet-ontvankelijkverklaring volgen, zoals [naam 2] voorstaat. Voor niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats indien op processuele gronden niet aan een behandeling van de zaak ten principale wordt toegekomen (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337). Dat is niet aan de orde, nu het hier om een materiële beoordeling gaat.
4.8.
De verdere beoordeling zal derhalve plaats vinden tussen [naam 1] en [naam 2] .
4.9.
Partijen houdt verdeeld welke uitgangspunten moeten worden gehanteerd bij de waardering van het Elektriciteitsnet, respectievelijk welke instructie de door de rechtbank te benoemen deskundige moet meekrijgen.
4.10.
Aan de uitgebreide stellingen van partijen omtrent de louter technische kanten van de waardering (zoals de ouderdom en de onderhoudstoestand van het Elektriciteitsnet, gestelde slechte bereikbaarheid van de kabels en ernstige verzakkingen etc.) gaat de rechtbank thans voorbij. Daarvoor zal de rechtbank nu juist een deskundige benoemen. Partijen hebben het recht om - ook over deze technische aspecten - opmerkingen te maken en verzoeken te doen aan de te benoemen deskundige. Als een partij zich vervolgens niet kan vinden in enig aspect van het deskundigenrapport, kan zij daar alsnog op terugkomen bij de rechtbank.
4.11.
Wat betreft de juridische kanten van de waardering oordeelt de rechtbank als volgt.
4.12.
De rechtbank zal niet in de waardering betrekken de stelling dat sprake is van een (verkapte) onteigening. Van onteigening is geen sprake en indien de stelling van [naam 2] zo moet worden begrepen, dat bij de bepaling van de waarde het (onteigenings)beginsel van volledige schadeloosstelling zou moeten worden gevolgd, faalt ook die stelling. [naam 1] is niet de (pseudo) onteigenende partij. Dat zou dan de staat zijn (de minister van Economische Zaken en Klimaat), als degene die met gebruikmaking van publiekrechtelijke bevoegdheden [naam 2] heeft verplicht haar Elektriciteitsnet af te staan aan [naam 1] (die in zoverre slechts een derde is). De staat is geen partij in deze procedure. Eventuele bijkomende schade die [naam 2] naast de waarde van de netten lijdt en die naar haar mening op grond van het beginsel van algehele schadevergoeding voor vergoeding in aanmerking zou komen komt in de onderhavige procedure dus niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor zal [naam 2] zich tot de staat moeten wenden.
4.13.
Hetzelfde oordeel geldt voor zover de aan [naam 2] te vergoeden waarde lager mocht uitvallen dan hetgeen in geval van een onteigening krachtens de Onteigeningswet vergoed zou worden. [naam 1] Netbeheerder is, zoals gezegd, niet als onteigenaar te beschouwen. Bovendien gelden hier, zoals hiervoor al is overwogen, niet de regels van de Onteigeningswet. De wetgever heeft, zoals hierna zal blijken, bij en krachtens de Elektriciteitswet 1998 bijzondere regels vastgesteld ter bepaling van de waarde van het over te dragen Elektriciteitsnet. Op basis van dié regels dient de beoordeling plaats te vinden.
4.14.
Overigens is de rechtbank van oordeel dat de hier toepasselijke regels, zoals hierna geciteerd, een afdoende compensatie garanderen voor de - nagenoeg volledige- inbeuk op het eigendomsrecht van [naam 2] . Daarin wordt met de waarde van het in economische eigendom over te dragen goed immers rekening gehouden. Van strijd met het recht op eigendom zoals vastgelegd in art. 1 Eerste Protocol EVRM is dan ook geen sprake.
4.15.
Partijen houdt verdeeld of artikel 13 lid 7 van de Elektriciteitswet 1998 toepasselijk is bij de te verrichten waardering. De rechtbank oordeelt van niet. Dit artikellid ziet op de situatie dat een leidingnetwerk overgaat van de ene netbeheerder naar de andere netbeheerder. Dat doet zich hier niet voor. Hier gaat een leidingnetwerk over van een niet-netbeheerder (een particulier) naar een netbeheerder. Het betoog van [naam 1] dat artikel 13 lid 7 ‘paal en perk’ stelt aan de hoogte van de vergoeding die [naam 2] toekomt, faalt derhalve. Overigens, als juist mocht blijken te zijn de stelling van [naam 1] dat het Elektriciteitsnet een negatieve waarde heeft dan maakt het niet uit of artikel 13 lid 7, met de daarin opgenomen vergoedingsmaximering, toepasselijk is.
4.16.
In deze situatie is artikel 13 lid 8 van toepassing. Ter uitvoering van dit artikellid heeft de wetgever het Besluit Waardevaststelling vastgesteld. De Nota van Toelichting bij dit het besluit biedt verdere steun aan het oordeel dat artikel 13 lid 7 hier niet toepasselijk is. De Nota van Toelichting vermeldt in dit verband:
“De aanwijzing door de Minister van een netbeheerder leidt tot een verplichting tot overdracht van de economische eigendom van een net aan die netbeheerder, voor zover deze nog niet is overgedragen. In dat geval gelden voorschriften voor de vaststelling van de waarde van de economische eigendom van het net die afhankelijk zijn van de uitgangssituatie. Ingeval er sprake is van taakverwaarlozing bij het beheer van een net en de Minister om die reden een eerdere aanwijzing vervallen heeft verklaard en een nieuwe netbeheerder heeft aangewezen, zijn er in het verleden voor dat net gereguleerde tarieven vastgesteld. In dat geval is artikel 13, zevende lid, van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 5, zevende lid, van de Gaswet van toepassing. Deze artikelleden bepalen dat de waarde van de tegenprestatie ten hoogste de opbrengst vertegenwoordigt die op basis van algemene bedrijfskundige uitgangspunten kan worden afgeleid van de tarieven die de ACM in de voorafgaande vijf jaren voor dat net heeft vastgesteld. In andere gevallen zal geen sprake zijn van in het verleden door de ACM vastgestelde tarieven voor een door de Minister aangewezen net. In die gevallen is er dan nog niet eerder een netbeheerder aangewezen, zodat er voor het specifieke net ook niet eerder tarieven zijn vastgesteld door de ACM. Dit besluit is van toepassing op deze gevallen.”
4.17.
Het Besluit Waardevaststelling bepaalt over de wijze van waardering van de tegenprestatie in artikel 9:
“1 De tegenprestatie voor de overdracht van de economische eigendom van een net waarvoor artikel 2 van toepassing is, wordt vastgesteld met inachtneming van algemeen aanvaarde vaktechnische en bedrijfseconomische methoden en uitgangspunten, waarbij voorts in ieder geval rekening wordt gehouden met:
a. de mate waarin het over te dragen net voldoet aan de eisen die bij of krachtens de wet zijn gesteld met betrekking tot de door dat net te vervullen functies en de kwaliteit van dat net;
b. de noodzakelijk te maken kosten om het net aan de eisen, bedoeld in onderdeel a, te laten voldoen;
c. de omvang van het net gemeten naar het aantal aangesloten afnemers en de netcapaciteit;
d. de onderhoudstoestand;
e. de ouderdom, de te verwachten restlevensduur en de te verwachten kosten voor noodzakelijk onderhoud en vervangingen;
f. onzekerheden ten aanzien van factoren die relevant zijn voor de hoogte van de tegenprestatie.
2 De hoogte van de tegenprestatie hangt niet af van de mate waarin het net waarvoor Onze Minister een netbeheerder heeft aangewezen in technische zin, dan wel met betrekking tot de gebruikte constructies en materialen, afwijkt of overeenstemt met een ander net dat de netbeheerder reeds in beheer heeft.
3 Het tweede lid is niet van toepassing voor zover de netbeheerder, bedoeld in dat lid, bewijst dat die niet-toepasselijkheid een grotere doelmatigheid tot gevolg heeft.”
4.18.
De wetgever heeft volgens de Nota van Toelichting het volgende voor ogen gehad bij toepassing van dit artikel 9:
“ […] De criteria beogen partijen en ingeschakelde deskundigen, arbiters of de rechter houvast te bieden bij het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie. De opsomming van criteria is niet limitatief, zodat er ruimte is om andere relevante inzichten bij een advies te betrekken.
Voor de bepaling van de waarde van de tegenprestatie dient te worden uitgegaan van algemeen aanvaarde vaktechnische en bedrijfseconomische methoden en uitgangspunten. Daarbij kan bijvoorbeeld een benadering gekozen worden die uitgaat van de gedane investeringen in de aanleg van het net en de nadien gedane afschrijvingen, maar ook is een benadering denkbaar die uitgaat van de redelijkerwijs te verwachten opbrengst van de exploitatie van het net gedurende de te verwachten restlevensduur daarvan. Los van de gekozen benadering dient in ieder geval rekening te worden gehouden met de in dit artikellid genoemde algemene waardebeïnvloedende factoren zoals de onderhoudstoestand en de mate waarin het net voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen. Die eisen zijn afgeleid van de functies die een net moet kunnen vervullen en van de vereiste kwaliteit van een net.
Ten aanzien van de functies van een net zijn bij en krachtens de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet eisen vastgesteld, zoals de beschikbaarheid van voldoende transportcapaciteit en van comptabele meetinrichtingen, beveiliging en koppeling met andere netten en het garanderen van vrije leverancierskeuze voor afnemers (derdentoegang). Daarnaast zijn specifieke functionele eisen ook in de door de raad van bestuur van de ACM vastgestelde elektriciteits- en gasvoorwaarden vastgesteld.
Ten aanzien van de kwaliteit van een net bevatten de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet bijvoorbeeld voorschriften die gericht zijn op de beheersing van de kwaliteit van de transportdienst, die in de Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas zijn uitgewerkt. Factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van een net zijn onder meer de resterende levensduur, onderhoudssituatie en de gebruikte technieken en materialen. Bij een net waarvan de technische staat bijvoorbeeld volkomen verouderd is en ook een kwaliteitsbeheersysteem en investeringsplan ontbreekt, zal dit bij de waardering in negatieve zin meewegen, gelet op de noodzakelijke investeringskosten om het net in overeenstemming te brengen met de vereisten (eerste lid, onderdeel b). Het eerste lid, onderdelen d en e, benoemen een aantal van deze relevante factoren uitdrukkelijk.
Het eerste lid, onderdeel c, schrijft voor dat ook de omvang van een net bij een advies betrokken dient te worden. Met omvang wordt hier onder meer bedoeld het aantal aangesloten afnemers en de netcapaciteit. In beginsel zal de waarde van een net toenemen naarmate de omvang van het net groter is, tenzij het net in slechte staat verkeert en er forse aanpassingen nodig zijn om het net in overeenstemming te brengen met de wettelijke en functionele eisen.
Het oordeel over de tegenprestatie kan worden bemoeilijkt door onzekerheden over de functionaliteiten, de kwaliteit en capaciteit van een net. Het ligt op de weg van de neteigenaar om informatie te verstrekken op basis waarvan die onzekerheden naar tevredenheid worden weggenomen.
Het tweede lid waarborgt dat bij de waardering van een net wordt uitgegaan van objectieve, wettelijke normen en niet van eigen specifieke eisen die de verwervende netbeheerder aanlegt of heeft aangelegd voor de netten waarover hij het beheer reeds heeft, bijvoorbeeld met betrekking tot de toegepaste materialen, fabrikaten en constructies.
Het is echter op voorhand niet volledig uit te sluiten dat zich de situatie voordoet, waarin het qua kosten doelmatiger is om een nog niet volledig afgeschreven net direct geheel of gedeeltelijk te vervangen door een nieuw net waardoor de beheerkosten sterk afnemen. Bijvoorbeeld doordat organisatie- en werkprocessen van de verschillende netten eenvoudiger zijn te integreren. Het derde lid houdt hiermee rekening. De bewijslast ligt hiervoor bij de aangewezen netbeheerder, die dit zo nodig overtuigend dient te onderbouwen.”
4.19.
Voor zover [naam 1] en [naam 2] (ook anderszins) betogen dat de waardering van de tegenprestatie op een andere wijze dient te geschieden dan is bepaald in artikel 13 lid 8 van de Elektriciteitswet 1998 en het daarop gebaseerde Besluit Waardevaststelling, gaat de rechtbank daar aan voorbij. Die stellingen vinden geen steun in het recht.
4.20.
Volgens [naam 1] komt aan artikel 41b lid 1 sub g van de Elektriciteitswet 1998 relevante betekenis toe bij de waardering van de tegenprestatie. De rechtbank onderschrijft deze stelling, zij het dan dat zulks niet ten voordele van [naam 1] werkt. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.21.
Artikel 41b lid 1 g bepaalt dat een netbeheerder jaarlijks een voorstel moet doen aan de ACM voor de door een netbeheerder in rekening te brengen tarieven, waarbij het vervolgens aan de ACM is om die tarieven vast te stellen. [naam 1] dient bij het doen van dit tarievenvoorstel ook rekening te houden met de prijs die zij [naam 2] moet gaan betalen, maar zij mag dat blijkens de wettekst slechts doen voor zover deze kosten doelmatig zijn.
[naam 1] erkent echter zelf al dat de ACM de beleidsregel hanteert (namelijk: de Beleidsregel ACM beoordeling doelmatige kosten van niet reguliere uitbreidingsinvesteringen, Stcrt. 2017, 62627) dat sprake is van doelmatige kosten reeds omdat de rechter een beslissing neemt uit hoofde van het Besluit Waardevaststelling (zoals in de onderhavige procedure). Het komt er dus op neer dat de ACM toestaat aan [naam 1] om het bedrag aan tegenprestatie terug te verdienen dat de rechtbank (wellicht) aan [naam 1] zal opleggen in deze procedure. De mogelijkheid om een investering terug te kunnen verdienen is, als gezond bedrijfseconomisch uitgangspunt, vanzelfsprekend een factor van belang bij de vaststelling van de tegenprestatie.
4.22.
De rechtbank heeft zich bij dit oordeel er van vergewist dat het beleid van de ACM inderdaad luidt zoals [naam 1] stelt. Dit beleid is vastgelegd in artikel 9 onder a, tweede streepje, van de Beleidsregel ACM beoordeling doelmatige kosten van niet reguliere uitbreidingsinvesteringen.
4.23.
[naam 1] citeert in haar dagvaarding artikel 9 van het Besluit Waardevaststelling en stelt dan:
“Dat houdt in dat bij de waardebepaling voor de overdracht van het Particuliere Net [aan [naam 1] ] dan ook als basis moet worden uitgegaan van de gestandaardiseerde activawaarde (GAW) zoals deze voor regionale netbeheerders wordt bepaald met inachtneming van de Regulatorische Accounting Regels (RAR) van ACM.”
4.24.
Deze stelling is onvoldoende onderbouwd. Niet valt in te zien waarom het citeren van een wettelijke bepaling zonder meer de conclusie rechtvaardigt die [naam 1] hier trekt.
4.25.
[naam 1] beroept zich in de dagvaarding op de leden 2 en 3 van artikel 9 van het Besluit Waardevaststelling. Dit beroep is echter niet goed onderbouwd. [naam 1] stelt dat het Elektriciteitsnet qua constructies en materialen afwijkt van dat van haar eigen elektriciteitsnet en dat het Elektriciteitsnet in een technisch slechte staat verkeert. Lid 2 bepaalt nu echter juist dat met afwijkingen in constructie en materialen en dergelijke (in beginsel, behoudens het bepaalde in lid 3) géén rekening mag worden gehouden. Uit de stellingen van [naam 1] valt ook niet af te leiden dat zich de uitzondering van lid 3 voordoet. Dat artikellid ziet op de situatie dat het over te nemen net voortijdig wordt afgeschreven omdat zulks, ondanks de nog redelijke staat van dat net, bedrijfseconomisch toch doelmatiger is. Daar zegt [naam 1] niets over. Een eventuele slechte staat van het Elektriciteitsnet zal vanzelfsprekend wel mee tellen bij de ‘gewone’ waardering daarvan.
4.26.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van overgang van onderneming in arbeidsrechtelijke zin (ex. art. 7:662 BW e.v.), nu immers zich in dit geval niet een overgang ten gevolge van een - in dit verband vereiste - overeenkomst, fusie of splitsing voor doet.
4.27.
De rechtbank zal overgaan tot benoeming van een deskundige. Voorshands kan niet worden uitgegaan van de juistheid van enig partijrapport, gelet op de gemotiveerde betwisting, over en weer, van de deugdelijkheid daarvan.
4.28.
Partijen hebben zich al uitgelaten over de persoon van de deskundige, maar daar geen overeenstemming over bereikt. De rechtbank heeft moeten constateren dat de aard van het geschil maakt dat een deskundige niet eenvoudig te vinden valt. [naam 2] heeft ter comparitie (een persoon van) [naam bedrijf] als deskundige voorgesteld. [naam 1] Netbeheer maakte daartegen het bezwaar dat [naam bedrijf] alleen deskundig zou zijn ter zake van bovengrondse netten. De rechtbank zal in beginsel een persoon van [naam bedrijf] als deskundige te benoemen, indien [naam bedrijf] de rechtbank desgevraagd zal bevestigen over de nodige deskundigheid voor de waardering van ondergrondse netten te beschikken. Het geniet echter de voorkeur dat partijen (die de markt beter zullen kennen dan de rechtbank) toch met een gezamenlijk voorstel voor een deskundige komen. Daarom zal de rechtbank de zaak daartoe naar de rol verwijzen.
4.29.
Partijen hebben zich al - op uitgebreide wijze - uitgelaten over de opdracht die de deskundige zou moeten meekrijgen (door [naam 2] aangeduid als aan de deskundige te verstrekken ‘Waarderingsinstructie’). De rechtbank plaatst voorop dat het uiteindelijk aan haar zelf is, partijen gehoord hebbend, om te bepalen wélke vragen aan de deskundige zullen worden gesteld. De rechtbank wenst met haar vraagstelling met name te vernemen wat de te verwachten opbrengst van de exploitatie van het Elektriciteitsnet zal zijn gedurende de nog te verwachten restlevensduur. Daarbij heeft de rechtbank in acht genomen dat de technische staat van het Elektriciteitsnet, vanzelfsprekend, van invloed zal zijn zowel op de levensduur als op de te verwachten opbrengst. Hetzelfde oordeel geldt voor de juridische staat van het Elektriciteitsnet (volgens [naam 1] bestaat daar deels onduidelijkheid over vanwege de vestiging van zakelijke rechten). De vragen zullen, met inachtneming van het wettelijk kader en de door de rechtbank reeds gegeven oordelen, komen te luiden als hierna vermeld (na het oordeel over het Gasnet):
4.30.
Mogelijk dient het (onderwerp van) onderzoek door de deskundige een combinatie te zijn van - bijvoorbeeld - technische aspecten (de staat van het net) en van bedrijfseconomische aspecten (wordt er winst gemaakt en zo ja hoeveel?). Mogelijk zal de deskundige een bepaalde onderzoekshandeling niet zelf kunnen verrichten. Het is de deskundige alsdan in beginsel toegestaan om derden in te schakelen. Dat moet voor partijen wel kenbaar zijn. Als partijen er bezwaar tegen hebben, dient de deskundige hierover met partijen te overleggen. De rechtbank wijst partijen op hetgeen in de Leidraad Deskundigen staat over het inschakelen van derden
4.31.
Als peildatum voor de waardering geldt ‘uiterlijk de dag waarop een beschikking tot aanwijzing van Onze Minister in werking treedt.’ Voor wat betreft het Elektriciteitsnet was deze datum door de minister aanvankelijk vastgesteld op 20 december 2018. Op die datum moest dan ook de economische eigendom overgaan. Later heeft de minister deze datum verschoven naar 1 januari 2020 vanwege de (naar de rechtbank erkent: onwenselijk lange) doorlooptijd van de onderhavige procedure. Voor het onverhoopte geval dat de rechtbank ook dan nog geen eindvonnis mocht hebben gewezen geeft de rechtbank partijen in overweging om de economische overdracht toch tegen die datum te bewerkstelligen, zonodig onder het stellen van een bankgarantie door [naam 1] als waarborg voor haar eventuele betalingsverplichting. Deze kwestie is overigens urgenter bij het Gasnet, zoals hierna zal blijken.
4.32.
De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen de helft van de kosten van het voorschot van de deskundige ter griffie in depot moet storten, nu beide partijen belang hebben bij de waardevaststelling en de beoogde eigendomsoverdracht aan [naam 1]
tamelijk willekeurig is, in die in dat deze overdracht het gevolg is van het inrijpen door een derde (de overheid).
het Gasnet
4.33.
De oordelen over het Elektriciteitsnet neemt de rechtbank over ten aanzien van het Gasnet. De Gaswet kent immers in artikel 3 b lid 3 en artikel 5, leden 6 tot en met 8, een gelijke waarderingssystematiek als in de Elektriciteitswet 1998 voor een situatie als hier aan de orde en ook voor het Gasnet geldt het Besluit Waardevaststelling.
4.34.
Wel geldt bij het Gasnet een andere waardepeildatum, namelijk: uiterlijk 1 mei 2019. Als mocht blijken dat deze datum niet gehaald kan worden dan zal de opdracht aan de deskundige in zoverre gewijzigd moeten worden (en de beslissing van de minister, die deze datum bepaalt, wellicht ook), dit tenzij partijen er samen uitkomen door de economische eigendom alvast tegen die datum over te dragen, dan wel partijen gezamenlijk de minister te verzoeken een nieuwe datum vast te stellen. Vanzelfsprekend dient dit teruggekoppeld te worden met de rechtbank en de deskundige. Als de peildatum komt te wijzigen komt daarmee, naar de rechtbank reeds op voorhand oordeelt, in zoverre ook de opdracht aan de deskundige te wijzigen.
de vragen aan de deskundige
4.35.
De rechtbank zal de deskundige de volgende vragen gaan stellen:
1. wat is de waarde van het economische eigendom van
- het Elektriciteitsnet op de datum 1 januari 2020,
- het Gasnet op de datum 1 mei 2019,
uitgaande, in beide gevallen, van de redelijkerwijs op dat moment te verwachten opbrengst van de exploitatie van dit net gedurende de te verwachten restlevensduur daarvan en rekening houdend met in ieder geval het volgende:
a. de mate waarin het over te dragen net voldoet aan de eisen die bij of krachtens de wet zijn gesteld met betrekking tot de door dat net te vervullen functies en de kwaliteit van dat net;
b. de noodzakelijk te maken kosten om het net aan de eisen, bedoeld in onderdeel a, te laten voldoen;
c. de omvang van het net gemeten naar het aantal aangesloten afnemers en de netcapaciteit;
d. de onderhoudstoestand;
e. de ouderdom, de te verwachten restlevensduur en de te verwachten kosten voor noodzakelijk onderhoud en vervangingen;
f. onzekerheden ten aanzien van factoren die relevant zijn voor de hoogte van de tegenprestatie;
en waarbij ook het volgende in acht genomen moet worden genomen:
- er is geen sprake van onteigening in de zin van de Onteigeningswet;
- [naam 1] mag het (wellicht) aan [naam 2] te betalen bedrag verdisconteren in haar tarieven en kan dus haar investering terugverdienen;
- er is geen sprake van overgang van onderneming in arbeidsrechtelijke zin;
- er mag geen rekening worden gehouden met de mate waarin het Elektriciteitswet en het Gasnet in technische zin, dan wel met betrekking tot de gebruikte constructies en materialen, afwijken of overeenstemmen met het desbetreffende eigen net van [naam 1] (dan wel van het aan haar gelieerde bedrijf waar het Elektriciteitswet en het Gasnet zal worden ondergebracht) reeds in beheer heeft;
- er mag geen rekening worden gehouden met gestandaardiseerde activawaarde (GAW) zoals deze voor regionale netbeheerders wordt bepaald met inachtneming van de Regulatorische Accounting Regels (RAR) van ACM;
4.36.
Iedere verdere beslissing zal aangehouden worden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
5.1.
verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting van 2 januari 2019 voor uitlating van partijen over de persoon van de deskundige,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren, mr. A. Boer en mr. W. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.
[2517/2457/1629/2983]