Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 20-11-2025, nr. C-570/24
ECLI:EU:C:2025:907
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-11-2025
- Magistraten
F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-570/24
- Roepnaam
Ecoserv
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:907, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑11‑2025
Uitspraak 20‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Accijns — Richtlijn 2008/118/EG — Artikel 8, lid 1, onder a), i), en lid 2 — Persoon die gehouden is tot voldoening van de accijns — Hoeveelheid ethylalcohol die in de voorraden van een onderneming ontbreekt — Gedelegeerd bestuurder van een vennootschap die zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en het niet registreren van boekhoudkundige gegevens — Vaststelling van de tot voldoening van de accijns gehouden persoon — Meerdere belastingplichtigen — Gevolgen van een uitspraak van een strafrechter in burgerlijke zaken, waarbij wordt erkend dat de gedelegeerd bestuurder als enige aansprakelijk is
F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-570/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bij beslissing van 16 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 27 augustus 2024, in de procedure
Transilvania Master Insolv IPURL, in haar hoedanigheid van curator van Ecoserv SRL,
tegen
Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Cluj,
Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Bistriţa-Năsăud,
Serviciul Fiscal Orăşenesc Năsăud,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin (rapporteur), kamerpresident, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Transilvania Master Insolv IPURL, in haar hoedanigheid van curator van Ecoserv SRL, vertegenwoordigd door H. Crişan, A. Şandru en T. D. Vidrean-Căpuşan, avocaţi,
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L. Ghiţă en A. Wellman als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Núñez Silva als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en T. Isacu de Groot als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12), gelezen in samenhang met lid 2 van dat artikel 8.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Ecoserv SRL, een Roemeense onderneming die in staat van insolventie verkeert en die wordt vertegenwoordigd door een curator, Transilvania Master Insolv IPURL, en anderzijds de Direcție Generală Regională a Finanțelor Publice Cluj (regionaal directoraat-generaal overheidsfinanciën Cluj, Roemenië), de Administrație Județeană a Finanțelor Publice Bistrița-Năsăud (districtsbestuur overheidsfinanciën Bistrița-Năsăud, Roemenië), en de Serviciu Fiscal Orășenesc Năsăud (belastingdienst van de stad Năsăud, Roemenië) (hierna samen: ‘belastingautoriteiten’), over met name de geldigheid van een belastingaanslag waarbij aan Ecoserv accijns is opgelegd over een ontbrekende hoeveelheid ethylalcohol, voor een totaalbedrag van 798 495 Roemeense lei (RON).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Richtlijn 2008/118 is met ingang van 13 februari 2023 ingetrokken bij richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB 2020, L 58, blz. 4). Niettemin blijft richtlijn 2008/118 ratione temporis van toepassing op de feiten van het hoofdgeding.
4
Artikel 4, punt 1, van richtlijn 2008/118 definieerde ‘erkend entrepothouder’ als ‘de natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in een belastingentrepot te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden’.
5
- ‘1.
De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.
- 2.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‘uitslag tot verbruik’ verstaan:
- a)
het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;
[…]’
6
Artikel 8, lid 1, onder a), i) en ii), en lid 2, van richtlijn 2008/118 luidde als volgt:
- ‘1.
De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is:
- a)
met betrekking tot het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken als bedoeld in artikel 7, lid 2, onder a):
- i)
de erkend entrepothouder, de geregistreerde geadresseerde of enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken of, in geval van onregelmatige onttrekking aan het belastingentrepot, enig andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest;
- ii)
in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 10, leden 1, 2 en 4: de erkende entrepothouder, de geregistreerde afzender of enig andere persoon die de in artikel 18, leden 1 en 2, bedoelde zekerheid heeft gesteld en alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde;
[…]
- 2.
Indien er voor eenzelfde accijnsschuld verscheidene schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.’
7
Artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/118 bepaalde:
‘Voor de opening en het beheer van een belastingentrepot door een erkende entrepothouder is een vergunning vereist van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het belastingentrepot gelegen is.
De vergunning wordt verleend onder de voorwaarden die de autoriteiten van rechtswege mogen stellen om elke vorm van fraude en misbruik te voorkomen.’
Roemeens recht
8
Artikel 2066, leden 1 en 2, van lege nr. 571/2003 privind Codul fiscal (wet nr. 571/2003 houdende het belastingwetboek) van 22 december 2003 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 927, van 23 december 2003), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘belastingwetboek’), bepaalt:
- ‘(1)
De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip en in de lidstaat van de uitslag tot verbruik.
- (2)
De voorwaarden voor de verschuldigdheid van de accijns en het toe te passen tarief zijn die welke van kracht zijn op het tijdstip van het verschuldigd worden in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik plaatsvindt.’
9
Artikel 2067, lid 1, onder a), en lid 5, van dit wetboek luidt:
- ‘(1)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder uitslag tot verbruik verstaan:
- a)
het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;
[…]
- (5)
Wordt niet beschouwd als uitslag tot verbruik, de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van accijnsgoederen indien dit gebeurt in de periode waarin zij onder een accijnsschorsingsregeling zijn geplaatst en:
- a)
het product niet beschikbaar is voor gebruik in Roemenië wegens lekkage, breuk, brand, verontreiniging, overstroming of andere gevallen van overmacht;
- b)
het product niet beschikbaar is voor gebruik in Roemenië wegens verdamping of andere oorzaken die het natuurlijke gevolg zijn van de productie, het voorhanden hebben of het in het verkeer brengen van het product;
- c)
de vernietiging wordt toegestaan door de bevoegde autoriteit.
[…]’
10
Artikel 2069, lid 1, van dit wetboek bepaalt:
- ‘(1)
De tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon is:
- a)
met betrekking tot het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken als bedoeld in artikel 2067, lid 1, onder a):
- 1.
de erkend entrepothouder, de geregistreerde geadresseerde of enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken en, in geval van onregelmatige onttrekking aan het belastingentrepot, enig andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest;’
11
Artikel 20622, lid 2, van het belastingwetboek bepaalt:
‘Om een vergunning te krijgen voor de exploitatie van een plaats als belastingentrepot, dient de persoon die voor die plaats erkend entrepothouder wil zijn, een aanvraag in bij de bevoegde autoriteit in de vorm en op de wijze die in de uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld.’
12
Artikel 49, lid 1, onder c), van lege nr. 207/2015 privind Codul de procedură fiscală (wet nr. 207/2015 houdende het wetboek fiscaal procesrecht), van 20 juli 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 547 van 23 juli 2015), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wetboek fiscaal procesrecht’), luidt als volgt:
- ‘(1)
De fiscale bestuurshandeling is nietig in de volgende gevallen:
[…]
- c)
er is sprake van een ernstige en kennelijke fout, […] wanneer de redenen voor de vaststelling ervan een dermate belangrijk gebrek vertonen dat, indien zij vóór of bij de vaststelling van de handeling buiten beschouwing waren gelaten, de handeling niet zou zijn vastgesteld.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Ecoserv, die met name organische basischemicaliën produceert, kreeg een vergunning om onder schorsing van accijns ethylalcohol te produceren in het kader van een regeling voor technische proeven, die in de periode van februari tot en met april 2013 zouden plaatsvinden.
14
Op 12 november 2015 vond er bij Ecoserv een onaangekondigde controle plaats in het kader van een onderzoek naar economische strafbare feiten. Bij die gelegenheid hebben de autoriteiten van de Roemeense gerechtelijke politie, in samenwerking met de Roemeense douaneautoriteiten, vastgesteld dat er 21 909 liter ethylalcohol ontbrak in de voorraden van Ecoserv, zonder dat haar vertegenwoordigers daar enige uitleg over konden geven.
15
Bij belastingaanslag van 4 maart 2016 heeft het districtsbestuur overheidsfinanciën van Bistrița-Năsăud Ecoserv aanvullende belastingen opgelegd wegens de ontbrekende hoeveelheid ethylalcohol, ten bedrage van 799 655 RON (ongeveer 160 719 EUR) aan accijns en 278 244 RON (ongeveer 55 923 EUR) aan belasting over de toegevoegde waarde (btw) (hierna: ‘belastingaanslag’). Ecoserv heeft die aanslag noch op administratief noch op gerechtelijk vlak betwist, maar heeft niettemin toestemming gekregen om het saldo van die heffingen in termijnen te betalen.
16
Bij vonnis van 8 augustus 2019 heeft de Tribunal Bistrița-Năsăud (rechter in eerste aanleg Bistrița-Năsăud, Roemenië), uitspraak doende in strafzaken, de gedelegeerd bestuurder van Ecoserv veroordeeld tot met name twee gevangenisstraffen, wegens belastingfraude en verduistering van middelen, op grond dat hij in zijn eigen belang 21 909 liter ethylalcohol had verkocht zonder het bedrag ervan in de registers van Ecoserv op te nemen. Wat het civiele deel betreft van de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, had de Roemeense Staat, vertegenwoordigd door de Agenție Națională de Administrare Fiscală (nationaal agentschap van de belastingdienst, Roemenië), zich civiele partij gesteld en verzocht om Ecoserv en haar gedelegeerd bestuurder hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de aan de overheidsfinanciën berokkende schade. De Tribunal Bistrița-Năsăud heeft dit verzoek echter ongegrond verklaard, voor zover het tegen Ecoserv was gericht. Die rechter heeft geoordeeld dat de gedelegeerd bestuurder van Ecoserv noch namens noch in het belang van Ecoserv had gehandeld, zodat hij zowel uit strafrechtelijk als uit civiel oogpunt als enige aansprakelijk was ten aanzien van de benadeelde personen. Dit standpunt is vervolgens door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bevestigd bij arrest van 2 juni 2020.
17
Op 14 juli 2020 heeft Ecoserv bij de belastingautoriteiten een vordering tot nietigverklaring van de belastingaanslag ingediend, waarbij zij zich baseerde op het vonnis van 8 augustus 2019 van de Tribunal Bistriţa-Năsăud. Ecoserv voerde aan dat die aanslag een ernstige en kennelijke fout bevatte. Voorts vorderde zij terugbetaling van de bedragen die zij uit hoofde van de haar opgelegde extra heffingen had betaald. De belastingautoriteiten hebben beroep ingesteld bij de Tribunal Bistrița-Năsăud, uitspraak doende in strafzaken, om op te komen tegen de tenuitvoerlegging van het deel van het vonnis dat die rechter op 8 augustus 2019 in burgerlijke zaken had gewezen. Zij betoogden dat moest worden verduidelijkt wat de draagwijdte was van het dictum van die uitspraak — aangezien het verzoek om Ecoserv hoofdelijk aansprakelijk te stellen was afgewezen — en welke gevolgen die uitspraak had voor de fiscale verplichtingen van Ecoserv.
18
In dit verband heeft de Curte de Apel Cluj, waarbij hoger beroep was ingesteld tegen het vonnis van 7 april 2021 in strafzaken van de Tribunal Bistrița-Năsăud, op 17 mei 2021 geoordeeld dat op civielrechtelijk vlak alleen de gedelegeerd bestuurder van Ecoserv aansprakelijk was voor de aan de Roemeense Staat toegebrachte schade. Bijgevolg waren de bedragen die Ecoserv vóór de strafrechtelijke procedure die tot veroordeling van deze bestuurder heeft geleid, aan de belastingautoriteiten had betaald, ongegrond en konden zij worden teruggevorderd.
19
Gelet op de weigering van de belastingautoriteiten om haar verzoek tot vaststelling van de nietigheid van de belastingaanslag te behandelen, heeft Ecoserv beroep ingesteld bij de Tribunal Bistrița-Năsăud.
20
Bij vonnis van 29 oktober 2021 heeft deze rechter op grond van artikel 49, lid 1, onder c), van het wetboek fiscaal procesrecht het verzoek van Ecoserv gedeeltelijk toegewezen. Zo heeft hij de belastingautoriteiten gelast de belastingaanslag gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover deze betrekking had op de vaststelling van de aanvullende belastingen op het gebied van de accijnzen en btw. Voorts heeft hij die autoriteiten gelast om Ecoserv het bedrag terug te betalen dat zij aan aanvullende belastingen had betaald, vermeerderd met rente.
21
Bij de Curte de Apel Cluj, de verwijzende rechter, hebben zowel Ecoserv als de belastingautoriteiten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 oktober 2021 van de Tribunal Bistrița-Năsăud. De verwijzende rechter zet uiteen dat hij in geval van onregelmatig onttrekken van accijnsgoederen twijfelt wie moet worden beschouwd als de tot voldoening van de accijns gehouden persoon in de zin van artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118, gelezen in samenhang met lid 2 van dat artikel.
22
In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel Cluj de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Omvat het begrip ‘tot voldoening van de […] accijns gehouden persoon’ voor de toepassing van artikel 8, lid 1, onder a), i), van [richtlijn 2008/118] gelezen in samenhang met lid 2 van dat [artikel 8], ook een rechtspersoon die met het oog op het verkrijgen van een vergunning als belastingentrepothouder in het kader van de regeling inzake technische proeven onder toezicht van de territoriale douaneautoriteit ethylalcohol heeft geproduceerd [en] bij wie in de voorraden een tekort van 21 909 liter ethylalcohol met een alcoholgehalte van 96,16 % is vastgesteld?
- 2)
Vormt het feit dat deze belastingen bij belastingaanslag nr. F-BN 77 van 4 maart 2016, waartegen geen beroep is ingesteld volgens de in de Cod de procedură fiscală [(wetboek fiscaal procesrecht)] neergelegde procedure, ook aan deze rechtspersoon zijn opgelegd, een ernstige en kennelijke fout bij de toepassing van het geharmoniseerde Unierecht inzake accijnzen en btw, wanneer na de vaststelling van een belastingaanslag — waarbij aan deze rechtspersoon aanvullende accijnzen en btw werden opgelegd met betrekking tot de ontbrekende hoeveelheid ethylalcohol —, waartegen geen administratief beroep is ingesteld, bij een definitief strafvonnis is vastgesteld dat de enige persoon die aansprakelijk is voor het veroorzaken van de schade aan de staatsbegroting de feitelijke bestuurder (algemeen directeur) van deze vennootschap is, die op basis van dezelfde criminele opzet in de periode tussen februari en juni 2013 21 909 liter dubbel geraffineerde alcohol van de vennootschap (waarvan hij werknemer was) ter waarde van 219 090 [RON] heeft verkocht en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan verduistering in de zin van artikel 295, lid 1, van de Cod penal (wetboek van strafrecht), en de inkomsten uit de verkoop van de hoeveelheid alcohol niet in de boekhouding heeft opgenomen, waardoor hij de staatsbegroting schade heeft berokkend ter hoogte van 915 562,74 RON, hetgeen een handeling is die voldoet aan de bestanddelen van het strafbare feit van belastingontduiking in de zin van artikel 9, lid 1, onder b), [en] lid 2 van wet nr. 241/2005?
- 3)
Staat het Unierecht eraan in de weg dat een nationale rechter in een belastinggeschil betreffende accijnzen en btw het beginsel van het gezag van gewijsde van een strafvonnis toepast, wanneer de toepassing van dit beginsel zou verhinderen dat rekening wordt gehouden met de Unieregels inzake accijnzen en btw, die ook voorzien in de hoofdelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, en die door de strafrechters niet zijn onderzocht in de vonnissen die kracht van gewijsde hebben gekregen?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een rechtspersoon die, met het oog op erkenning als belastingentrepothouder, ethylalcohol onder schorsing van accijns heeft geproduceerd en ten aanzien van wie is vastgesteld dat een bepaalde hoeveelheid alcohol in zijn voorraden ontbrak, onder het begrip ‘persoon die gehouden is tot voldoening’ van deze accijns in de zin van die bepaling valt.
24
Voor de beantwoording van de eerste vraag moet worden vastgesteld of een rechtspersoon die erkend wil worden als entrepothouder, op grond van artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 kan worden beschouwd als de persoon die gehouden is tot voldoening van de accijns op goederen die onder een accijnsschorsingsregeling zijn geplaatst wanneer deze goederen op onregelmatige wijze zijn onttrokken aan de door hem beheerde voorraden.
25
Artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 bepaalt wie gehouden is tot voldoening van de accijns op de accijnsgoederen die aan een schorsingsregeling zijn onttrokken wanneer die accijns verschuldigd is geworden. De erkende entrepothouder, de geregistreerde geadresseerde of elke andere persoon die dergelijke goederen aan een accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening deze goederen aan het belastingentrepot worden onttrokken of, in geval van onregelmatige onttrekking aan het belastingentrepot, iedere andere persoon die aan die onttrekking heeft deelgenomen, wordt als zodanig aangemerkt.
26
In casu moet worden nagegaan of deze bepaling van toepassing is wanneer een rechtspersoon nog geen officieel erkende entrepothouder is, maar bepaalde feitelijke gegevens erop wijzen dat hij, zoals Ecoserv in het hoofdgeding, de facto als zodanig handelde.
27
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 4, punt 1, van richtlijn 2008/118 een erkend entrepothouder ‘de natuurlijke of rechtspersoon [is] die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in een belastingentrepot te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden’.
28
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat Ecoserv een vergunning had gekregen om in het kader van een regeling van technische proeven onder toezicht van de Roemeense douaneautoriteit activiteiten te verrichten die verband hielden met de productie van ethylalcohol, hetgeen impliceert dat haar voorraden bepaalde hoeveelheden alcohol bevatten die onder de accijnsschorsingsregeling waren geplaatst. Een dergelijke situatie kan worden gelijkgesteld met de exploitatie van een belastingentrepot door een erkende entrepothouder in de zin van artikel 16 van richtlijn 2008/118, mits de rechtspersoon die alcohol produceert onder een bijzondere regeling, daarvoor toestemming heeft gekregen van de bevoegde nationale autoriteiten en de betrokken producten onder een accijnsschorsingsregeling vallen. Gelet op die omstandigheden kan een dergelijke rechtspersoon worden geacht zich in een situatie te bevinden die vergelijkbaar is met die van een erkend entrepothouder en moet hij dus de uit die situatie voortvloeiende verplichtingen jegens de belastingautoriteiten nakomen.
29
In dit verband is het van weinig belang dat die rechtspersoon, net als Ecoserv in het hoofdgeding, niet aan de oorsprong ligt van de onregelmatige onttrekking van de hoeveelheid alcohol die onder de accijnsschorsingsregeling is geplaatst, aangezien deze onttrekking verschuldigd is aan een persoon die in dienst is van deze rechtspersoon of haar vertegenwoordigt, zoals de gedelegeerd bestuurder van Ecoserv.
30
Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat, wanneer tijdens het verkeer van accijnsproducten een onregelmatigheid of een overtreding is begaan waardoor de accijns verschuldigd wordt, met inbegrip van fraude die door een derde is gepleegd, de erkend entrepothouder gehouden blijft tot betaling van de accijns (zie naar analogie arrest van 24 maart 2022, TanQuid Polska, C-711/20, EU:C:2022:215, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Het Hof heeft zich reeds uitgesproken over een situatie waarin de bepaling van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB 1992, L 76, blz. 1) aan de orde was die voorafging aan artikel 8, lid 1, onder a), ii), van richtlijn 2008/118. Het Hof heeft in wezen geoordeeld dat de erkende entrepothouder een centrale rol speelde in de procedure voor het verkeer van accijnsgoederen die onder een schorsingsregeling waren geplaatst. In geval van een onregelmatigheid of een overtreding tijdens het verkeer van deze producten waardoor de accijns verschuldigd wordt, moet de erkende entrepothouder hoe dan ook worden aangewezen als degene die tot voldoening van de accijns gehouden is. In die hoedanigheid moet zijn aansprakelijkheid worden beschouwd als een risicoaansprakelijkheid, die niet berust op een bewezen of veronderstelde fout van de entrepothouder, maar op zijn deelname aan een economische activiteit (zie naar analogie arrest van 7 september 2023, KRI, C-323/22, EU:C:2023:641, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een rechtspersoon als Ecoserv in het hoofdgeding, wanneer hij zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een erkende entrepothouder, verplichtingen moet nakomen die vergelijkbaar zijn met die welke op een dergelijke erkende entrepothouder rusten, met name in geval van onregelmatige onttrekking van producten aan een accijnsschorsingsregeling als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118.
33
De verschuldigdheid van de accijns vloeit immers rechtstreeks voort uit het feit dat de producten aan een dergelijke schorsingsregeling worden onttrokken, zodat de als erkend entrepothouder optredende rechtspersoon tot voldoening van de accijns is gehouden.
34
Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een rechtspersoon die, met het oog op erkenning als belastingentrepothouder, ethylalcohol onder schorsing van accijns heeft geproduceerd en ten aanzien van wie is vastgesteld dat een bepaalde hoeveelheid van die alcohol in zijn voorraden ontbrak, valt onder het begrip ‘tot voldoening van die accijns gehouden persoon’ in de zin van die bepaling.
Tweede en derde vraag
35
Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 1, onder a), i), en lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie voor de vaststelling van de tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon of personen in de zin van deze bepalingen, gebonden is aan de civielrechtelijke bepalingen van een arrest van een strafrechter waarbij een natuurlijke persoon die werknemer of bestuurder van een rechtspersoon is, definitief is veroordeeld als enige aansprakelijke voor de schade die aan de staatsbegroting is toegebracht wegens het verduisteren van een hoeveelheid alcohol die onder schorsing van accijns bij die rechtspersoon is opgeslagen.
36
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2008/118 uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid dat verscheidene schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dezelfde accijnsschuld, aangezien die schuldenaren gehouden zijn tot betaling van een dergelijke schuld.
37
Evenzo kan krachtens artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118 ‘in geval van onregelmatige onttrekking [van accijnsgoederen] aan het belastingentrepot’ elke natuurlijke persoon die wordt beschouwd als een ‘andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest’, als hoofdelijke medeschuldenaar van de verschuldigd geworden accijns worden gehouden tot betaling van deze accijns, naast de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt, als bestuurder of gedelegeerd bestuurder, of waarvan hij de werknemer is.
38
Het is juist dat in de Franse taalversie van artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118, anders dan in andere taalversies, het nevenschikkend voegwoord ou (of) wordt gebruikt om ‘[e]nig andere persoon die bij die onttrekking betrokken is geweest’ als schuldenaar aan te wijzen. Niettemin kan het beginsel van hoofdelijke betaling van accijns worden afgeleid uit zowel de algemene opzet van deze richtlijn, met name artikel 8, lid 2, ervan, als het doel dat met deze richtlijn wordt nagestreefd.
39
In dit verband moet worden opgemerkt dat de aansprakelijkheid van de erkende entrepothouder objectief van aard is en verband houdt met zijn deelname aan een economische activiteit. Het feit dat een andere persoon dan die entrepothouder, zoals in dit geval de gedelegeerd bestuurder van Ecoserv, in zijn eigen belang en ten nadele van die entrepothouder heeft kunnen handelen, heeft enkel strafrechtelijke gevolgen en geen fiscale gevolgen (zie in die zin arrest van 17 oktober 2019, Comida paralela 12, C-579/18, EU:C:2019:875, punt 41).
40
De verschuldigdheid van de accijns vloeit immers rechtstreeks voort uit het feit dat de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken, en in een dergelijk geval is de als erkend entrepothouder handelende rechtspersoon tot voldoening van de accijns gehouden.
41
Bovendien wordt, gelet op het doel van richtlijn 2008/118, de uitlegging van artikel 8 van die richtlijn, volgens welke een rechtspersoon hoofdelijk schuldenaar van de accijns kan zijn, samen met onder meer andere personen die bij een onregelmatige onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling betrokken zijn geweest, eveneens bevestigd door de voorbereidende werkzaamheden van deze richtlijn. Het oorspronkelijke voorstel voor deze richtlijn beperkte de lijst van de tot voldoening van de accijns gehouden personen, in geval van het onregelmatig binnenbrengen van goederen op het grondgebied van een lidstaat, tot uitsluitend de personen die zekerheid voor de betaling van de accijns hadden gesteld. De Raad van de Europese Unie heeft deze lijst echter willen uitbreiden tot ‘eenieder die bij de onregelmatigheid betrokken is geweest’, zoals blijkt uit artikel 38, lid 3, van richtlijn 2008/118. De Uniewetgever heeft dus beoogd een ruime omschrijving te geven aan de personen die in geval van onregelmatigheden tot voldoening van de accijns kunnen worden gehouden, teneinde ervoor te zorgen dat deze rechten zo veel mogelijk worden geïnd (arrest van 17 oktober 2019, Comida paralela 12, C-579/18, EU:C:2019:875, punt 37).
42
Bovendien kan de omstandigheid dat in een uitspraak van een strafrechter is erkend dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade aan de staatsbegroting uitsluitend rust op een natuurlijke persoon die een rechtspersoon vertegenwoordigt die als erkend entrepothouder fungeert, geen invloed hebben op de vaststelling van de tot voldoening van de accijns gehouden persoon. Er zij immers op gewezen dat het gezag van gewijsde dat aan een dergelijk arrest toekomt, bij gebreke van een identiek voorwerp, niet eraan in de weg kan staan dat een besluit tot heffing en inning van accijnsrechten wordt vastgesteld en uitgevoerd dat in overeenstemming is met het Unierecht op dit gebied [zie naar analogie arrest van 16 juli 2020, UR (Btw-plichtigheid van advocaten), C-424/19, EU:C:2020:581, punt 34].
43
Bijgevolg moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, onder a), i), en lid 2, van richtlijn 2008/118 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie voor de vaststelling van de tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon of personen in de zin van deze bepalingen, niet gebonden is aan de civielrechtelijke bepalingen van een arrest van een strafrechter waarbij een natuurlijke persoon die werknemer of bestuurder van een rechtspersoon is, definitief is veroordeeld als enige aansprakelijke voor de schade die aan de staatsbegroting is toegebracht wegens het verduisteren van een hoeveelheid alcohol die onder schorsing van accijns bij die rechtspersoon is opgeslagen.
Kosten
44
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 8, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG,
moet aldus worden uitgelegd dat
een rechtspersoon die, met het oog op erkenning als belastingentrepothouder, ethylalcohol onder schorsing van accijns heeft geproduceerd en ten aanzien van wie is vastgesteld dat een bepaalde hoeveelheid van die alcohol in zijn voorraden ontbrak, valt onder het begrip ‘tot voldoening van die accijns gehouden persoon’ in de zin van die bepaling.
- 2)
Artikel 8, lid 1, onder a), i), en lid 2, van richtlijn 2008/118
moet aldus worden uitgelegd dat
een nationale rechterlijke instantie voor de vaststelling van de tot voldoening van de verschuldigd geworden accijns gehouden persoon of personen in de zin van deze bepalingen, niet gebonden is aan de civielrechtelijke bepalingen van een arrest van een strafrechter waarbij een natuurlijke persoon die werknemer of bestuurder van een rechtspersoon is, definitief is veroordeeld als enige aansprakelijke voor de schade die aan de staatsbegroting is toegebracht wegens het verduisteren van een hoeveelheid alcohol die onder schorsing van accijns bij die rechtspersoon is opgeslagen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑11‑2025