Vgl. HR 19 december 1987, ECLI:NL:1978:AC6437.
HR, 06-02-2024, nr. 22/01358
ECLI:NL:HR:2024:122
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
22/01358
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:122, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1091
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:536
ECLI:NL:PHR:2023:1091, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:122
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0024
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen aanslagen met handgranaten op twee coffeeshops in Delft in 2018 (art. 157.1 en 157.2 Sr) en (medeplegen) voorhanden hebben van handgranaten, semiautomatisch pistool, vuurwapen, pistool en munitie (art. 26.1 WWM). Onttrekking aan het verkeer van twee boksbeugels, art. 36c Sr. Hof heeft inbeslaggenomen boksbeugels aan het verkeer onttrokken o.g.v. art. 36c Sr en geoordeeld dat bewezenverklaarde feiten met behulp van boksbeugels zijn begaan. Uit uitspraak en p-v van tz. in hoger beroep kan echter niet worden afgeleid dat bij onderzoek op die tz. is gebleken dat bewezenverklaarde feiten met behulp van deze boksbeugels zijn begaan. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer (zonder terugwijzing).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01358
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 april 2022, nummer 22-005146-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het eerste cassatiemiddel is later ingetrokken.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen die onder nummers 10 en 24 zijn vermeld op de aan die uitspraak gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat twee inbeslaggenomen boksbeugels aan het verkeer onttrokken worden verklaard.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (meermalen gepleegd), het (medeplegen van) het voorhanden hebben van handgranaten, het medeplegen van het voorhanden hebben van een semiautomatisch pistool en het voorhanden hebben van een gewijzigd (ingekort) vuurwapen, van een revolver en van munitie, tot onder meer een gevangenisstraf van zeven jaren en tien maanden, met onttrekking aan het verkeer van twee boksbeugels.
2.2.2
Over de onttrekking aan het verkeer heeft het hof het volgende overwogen:
“De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder de nummers (...) 10 en 24 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.”
2.2.3
De lijst van inbeslaggenomen voorwerpen houdt het volgende in:
“10 1.00 STK Wapen (...)BOKSBEUGEL
(...)
24 1.00 STK Boxbeugel”
2.3
Artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
2.4
Het hof heeft de inbeslaggenomen boksbeugels aan het verkeer onttrokken op grond van artikel 36c Sr en heeft in dit verband geoordeeld dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van de boksbeugels zijn begaan. Uit de uitspraak en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan echter niet worden afgeleid dat bij het onderzoek op die terechtzitting is gebleken dat, zoals het hof heeft overwogen, de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze boksbeugels zijn begaan.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren en tien maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de twee inbeslaggenomen boksbeugels en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze zeven jaren en vier maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Onttrekking aan het verkeer van (o.a.) twee boksbeugels. Art. 36c Sr. De door het hof gegeven motivering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer is gebaseerd op art. 36c.3 Sr. Uit het bestreden arrest noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep kan echter worden afgeleid dat bij het onderzoek op die terechtzittingen is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die boksbeugels zijn begaan. Klacht over overschrijding inzendtermijn in cassatie. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van genoemde boksbeugels en voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01358
Zitting 12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 5 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens:1. “medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd”,2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd”,3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,4. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II” en6. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en tien maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen en daarvoor de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft aanvankelijk drie middelen van cassatie voorgesteld. Bij schrijven van 4 oktober 2023 heeft laatstgenoemde te kennen gegeven het eerste middel in te trekken en het tweede en derde middel te handhaven.
Het tweede middel
2.1
Het middel klaagt over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummers 10 en 24 vermelde boksbeugels.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door meermalen
- een pin uit een handgranaat te trekken en
- vervolgens die handgranaat tegen de gevel van een pand gelegen aan de Peperstraat en de Breestraat te gooien of te leggen, terwijl daarvan telkens
- gemeen gevaar voor dat pand en in dat pand aanwezige goederen en/of omliggende panden en/of de inboedel/inrichting van omliggende panden en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich bevonden in omliggende panden en op straat, te duchten was;
2.
hij op of 17 mei 2018 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander, twee, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk handgranaten, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;
4.hij op 12 juni 2018 te Noordwijk, tezamen en in vereniging met een ander een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een semi automatisch pistool (merk Zastava, model M57, kaliber 7,62 mm) en
en
hij op 12 juni 2018 te Noordwijk een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie II sub 3 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gewijzigd (ingekort) vuurwapen (merk onbekend, model onbekend, kaliber 16) voorhanden heeft gehad;
5.
hij op 12 juni 2018 te [plaats] , in een woning gelegen [a-straat 1] , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing, namelijk een handgranaat, voorhanden heeft gehad;
6.
hij op 20 maart 2018 te Den Haag een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Zastava, model 357 Magnum) en munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber .38 Special) en een kogelpatroon (merk Lapua, kaliber .38 Special), voorhanden heeft gehad.”
2.3
Over de onttrekking aan het verkeer heeft het hof het volgende overwogen:
“Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder de nummers 1 tot en met 7, 9, 10 en 24 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.”
2.4
Op de door het hof genoemde lijst van inbeslaggenomen voorwerpen staan, voor zover van belang, de volgende voorwerpen vermeld:
“10. 1.00 STK Wapen BOKSBEUGEL (…)24. 1.00 STK Boxbeugel”
2.5
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 36b lid 1 Sr:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3°. bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie;
5°. bij een strafbeschikking.”
- art. 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
2.6
Het hof heeft ten aanzien van de hiervoor onder 2.4 weergegeven boksbeugels vastgesteld dat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan met behulp van deze voorwerpen en heeft de beslissing die voorwerpen aan het verkeer te onttrekken daarmee kennelijk gebaseerd op hetgeen is bepaald in art. 36b lid 1, aanhef en onder 1°, Sr in verbinding met art. 36c, aanhef en onder 3°, Sr. Uit het bestreden arrest noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep kan echter worden afgeleid dat bij het onderzoek op die terechtzittingen is gebleken dat de onder 1 tot en met 6 bewezenverklaarde feiten met behulp van die boksbeugels zijn begaan. De beslissing tot onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen is derhalve niet toereikend gemotiveerd.1.
2.7
Het middel is terecht voorgesteld. Naar mijn mening kan worden volstaan met de vernietiging van de onttrekking aan het verkeer van de beide boksbeugels. Vervolgens zou het openbaar ministerie kunnen vorderen dat bij afzonderlijke rechterlijke beschikking (art. 36b onder 4° Sr) nogmaals over onttrekking aan het verkeer wordt beslist.2.Daarbij kan ook de door de steller van het middel opgeworpen mogelijkheid van onttrekking op grond van art. 36d Sr worden betrokken.
Het derde middel
3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Namens de verdachte is op 13 april 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van zes maanden met ruim zes maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk. Deze termijnoverschrijding dient derhalve te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
Afronding
4.1
Het tweede en derde middel slagen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen die onder nummers 10 en 24 zijn vermeld op de aan die uitspraak gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2023
Vgl. AG Knigge in ECLI:NL:PHR:2019:815, randnummer 5.6.