Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.5.14
11.4.5.14 Standaardvoorwaarde 11: buitenlandse bronbelasting
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491550:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de officiële tekst van de standaardvoorwaarde volgt hierna het woord ‘het’.
Zie uitgebreider onderdeel 11.3.4.
Ik verwijs naar de onderdelen 11.3.4, 11.3.11.2, 11.3.11.4 en 11.3.11.5.
Aan een afsplitsing kunnen meerdere verkrijgers deelnemen. Standaardvoorwaarde 11 geldt in die gevallen per verkrijger.
Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 6.
Ik volsta kortheidshalve met een verwijzing naar onderdeel 11.4.4.14. Daarin is standaardvoorwaarde 11 behorende bij een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing op verzoek behandeld. De analyses en aanbevelingen gelden mutatis mutandis voor de onderhavige standaardvoorwaarde.
Standaardvoorwaarde 11 bevat het volgende voorschrift:
“1. De voortwenteling van niet verrekende bronbelasting krachtens een regeling ter voorkoming van dubbele belasting, uit het jaar voorafgaande aan het afsplitsingstijdstip, bedraagt ten hoogste het volgens het volgende lid te bepalen bedrag.
2. Het in het vorige lid bedoelde bedrag is het bedrag van de krachtens de desbetreffende regeling ter voorkoming van dubbele belasting geldende zogenoemde tweede limiet, als deze limiet wordt berekend met de bedragen die zijn toe te rekenen aan de voor het afsplitsingstijdstip gedreven onderneming van de rechtspersoon van wie de bronbelasting afkomstig is.
3. De toerekening bedoeld in het tweede lid vindt plaats met overeenkomstige toepassing van de winstsplitsing van voorwaarde 8.
4. Voor zover voortwenteling op grond van deze voorwaarde is uitgesloten, wordt het met1 overeenkomstige toepassing van de voortwentelingsbepaling van de desbetreffende regeling ter voorkoming van dubbele belasting, voortgewenteld naar het volgende jaar en met inachtneming van deze voorwaarde in aanmerking genomen.”
Beschikt een verkrijgende rechtspersoon over een aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, dan kan de wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 niet worden toegepast. Indien de splitsingspartners een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing tot stand willen brengen, moeten zijn uitwijken naar de doorschuifregeling op verzoek als bedoeld in art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969. Het berust naar mijn overtuiging dan ook op een vergissing dat de toegang tot de wettelijke doorschuifregeling niet is geblokkeerd, indien de afsplitsende rechtspersoon direct voor het afsplitsingstijdstip zo’n aanspraak heeft.2 Deze kan immers op grond van de fiscale indeplaatstreding overgaan naar de verkrijger(s). Dat is het geval als het vermogen dat deze aanspraak in het verleden heeft veroorzaakt, overgaat naar de verkrijger(s).3 Standaardvoorwaarde 11 omvat dan ook zowel de voortwenteling van onverrekende buitenlandse bronbelasting van de verkrijgende rechtspersoon als de voortwenteling van dergelijke aanspraken die naar deze verkrijger zijn overgegaan als gevolg van de fiscale indeplaatstreding.4 Dit volgt in de eerste plaats uit de tekst van standaardvoorwaarde 11, lid 2 waarin niet (alleen) wordt gesproken over de bronbelasting van de verkrijger, maar (meer in het algemeen) over de rechtspersoon van wie de bronbelasting afkomstig is. In de tweede plaats blijkt dit ontegenzeggelijk uit de toelichting op deze standaardvoorwaarde.5
De achtergrond van standaardvoorwaarde 11 is vergelijkbaar met die van standaardvoorwaarde 9 en 10. Beoogd is te bewerkstelligen dat een op het afsplitsingstijdstip aanwezige voortwentelingsaanspraak na dat tijdstip alleen kan worden verzilverd voor zover daarvoor ruimte aanwezig is bij de ‘onderneming’ waarbinnen die aanspraak is ontstaan.6
In de toelichting op standaardvoorwaarde 11 merkt de staatssecretaris op dat geen winstsplitsing geldt voor een doorschuifaanspraak in de zin van art. 34 Bvdb 2001 of een inhaalclaim ex art. 33b, lid 1, Wet VPB 1969. Het kan hier enerzijds gaan over een ‘eigen’ doorschuifaanspraak of inhaalclaim van de verkrijgende rechtspersoon en anderzijds over een van de afsplitsende rechtspersoon via de fiscale indeplaatstreding overgenomen doorschuifaanspraak of inhaalclaim.