Procestaal: Duits.
HvJ EU, 07-10-2014, nr. C-399/12
ECLI:EU:C:2014:2258
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-10-2014
- Magistraten
V. Skouris, K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, T. von Danwitz, J. Malenovský, E. Levits, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-399/12
- Conclusie
P. Cruz Villalón
- Roepnaam
Duitsland/Raad van de Europese Unie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2014:2258, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑10‑2014
ECLI:EU:C:2014:289, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑04‑2014
Uitspraak 07‑10‑2014
V. Skouris, K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, T. von Danwitz, J. Malenovský, E. Levits, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-399/12,*
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 28 augustus 2012,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door T. Henze, B. Beutler en N. Graf Vitzthum als gemachtigden,
verzoekster,
ondersteund door:
Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, E. Ruffer en D. Hadroušek als gemachtigden,
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door P. Frantzen als gemachtigde,
Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman, B. Koopman en J. Langer als gemachtigden,
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
Slowaakse Republiek, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J. Holmes, barrister,
interveniënten,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Sitbon en J.-P. Hix als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, B. Schima en B. Eggers als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, K. Lenaerts (rapporteur), vicepresident, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta en T. von Danwitz, kamerpresidenten, J. Malenovský, E. Levits, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 november 2013,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2014,
het navolgende
Arrest
1
Met haar beroep verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland om nietigverklaring van het besluit van de Raad van de Europese Unie van 18 juni 2012 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties waarover moet worden gestemd in het kader van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) (hierna: ‘bestreden besluit’).
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
2
Artikel 1, lid 2, van het op 3 april 2001 gesloten Verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (hierna: ‘OIV-Verdrag’) bepaalt dat ‘[d]e OIV […] de in artikel 2 genoemde doelstellingen [nastreeft] en […] de daarin genoemde taken [uitoefent] als een intergouvernementele organisatie van wetenschappelijke en technische aard met erkende bevoegdheid op het gebied van wijnbouw, wijn, dranken op basis van wijn, tafeldruiven, rozijnen en andere van wijnbouw afgeleide producten’.
3
Artikel 2 van het OIV-Verdrag luidt:
- ‘1.
In het kader van haar bevoegdheden heeft de OIV de volgende doelstellingen:
- a)
haar leden op de hoogte brengen van maatregelen die het mogelijk maken rekening te houden met de problemen van producenten, consumenten en andere actoren in de druiven- en wijnsector;
- b)
het bijstaan van andere internationale intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, in het bijzonder die welke zich bezighouden met standaardisering;
- c)
bijdragen aan de internationale harmonisatie van bestaande praktijken en normen en, waar nodig, aan het opstellen van nieuwe internationale standaarden teneinde de omstandigheden voor het produceren en op de markt brengen van druiven- en wijnproducten te verbeteren, en er zorg voor dragen dat rekening wordt gehouden met de belangen van de consument.
- 2.
Teneinde deze doelstellingen te bereiken oefent de OIV de volgende taken uit:
[…]
- b)
het opstellen en formuleren van aanbevelingen en het samen met haar leden monitoren van de uitvoering hiervan, in het bijzonder op de volgende gebieden:
- (i)
de omstandigheden voor de productie van druiven;
- (ii)
de oenologische praktijken [procedés];
- (iii)
de definitie en/of beschrijving van producten, etikettering en omstandigheden voor het op de markt brengen;
- (iv)
de methoden voor het analyseren en beoordelen van wijnbouwproducten;
[…]’
4
Volgens artikel 8 van het OIV-Verdrag kan een internationale intergouvernementele organisatie deelnemen aan de werkzaamheden van de OIV of hiervan lid worden en bijdragen aan de financiering van de OIV onder voorwaarden die per geval door de algemene vergadering op voorstel van het uitvoerend comité worden vastgesteld.
5
21 lidstaten van de Europese Unie zijn lid van de OIV, maar de Unie zelf is geen lid van deze organisatie. Zij heeft wel de status van ‘gast’ in de zin van artikel 5, lid 2, van het reglement van orde van de OIV. In die hoedanigheid mag de Europese Commissie de vergaderingen van de deskundigengroepen en de commissies van de OIV bijwonen en op die vergaderingen tussenkomen onder de voorwaarden die in dit reglement van orde zijn gepreciseerd.
Unierecht
6
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PB L 299, blz. 1), in de versie van verordening (EG) nr. 1234/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 (PB L 346, blz. 11; hierna: ‘verordening nr. 1234/2007’), bepaalt in artikel 120 septies, met het opschrift ‘Criteria voor het toestaan van oenologische procedés’:
‘Met het oog op het toestaan van oenologische procedés volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure:
- a)
gaat de Commissie uit van de door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) aanbevolen en gepubliceerde oenologische procedés en van de resultaten die zijn geboekt met het experimentele gebruik van vooralsnog niet-toegestane oenologische procedés;
[…]’
7
Artikel 120 octies van verordening nr. 1234/2007, met het opschrift ‘Analysemethoden’, luidt als volgt:
‘De analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald, en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés, zijn de analysemethoden en de voorschriften die door de OIV zijn aanbevolen en gepubliceerd.
Als er geen door de OIV aanbevolen en gepubliceerde methoden en voorschriften bestaan, stelt de Commissie overeenkomstige methoden en voorschriften vast volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure.
In afwachting van de vaststelling van die voorschriften worden de methoden en voorschriften gebruikt die door de betrokken lidstaat zijn toegestaan.’
8
Artikel 158 bis van verordening nr. 1234/2007, dat betrekking heeft op ‘[b]ijzondere bepalingen voor de invoer van wijn’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Tenzij anders is bepaald, met name in overeenkomstig [artikel 218 VWEU] gesloten overeenkomsten, zijn de bepalingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en etikettering als vastgesteld in deel II, titel II, hoofdstuk I, sectie I bis, subsectie I, en artikel 113 quinquies, lid 1, van deze verordening, van toepassing op in de Gemeenschap ingevoerde producten van de GN-codes 2009 61, 2009 69 en 2204.
- 2.
Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig [artikel 218 VWEU] gesloten overeenkomsten, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die worden aanbevolen en gepubliceerd door de OIV of zijn toegestaan door de Gemeenschap op grond van deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan.’
9
Verordening (EG) nr. 606/2009 van de Commissie van 10 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, wat betreft de wijncategorieën, de oenologische procedés en de daarvoor geldende beperkingen (PB L 193, blz. 1), in de versie van uitvoeringsverordening (EU) nr. 315/2012 van de Commissie van 12 april 2012 (PB L 103, blz. 38; hierna: ‘verordening nr. 606/2009’), bepaalt in artikel 9, lid 1, eerste alinea het volgende:
‘De in artikel 32, tweede alinea, sub e, van verordening (EG) nr. 479/2008 bedoelde specificaties met betrekking tot zuiverheid en identiteit van de bij de oenologische procedés gebruikte stoffen, zijn die welke zijn vastgesteld en bekendgemaakt in de ‘Codex œnologique international’ van de [OIV], voor zover zij niet zijn vastgesteld in richtlijn 2008/84/EG van de Commissie.’
10
Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 606/2009 luidt als volgt:
‘De Commissie publiceert in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, de lijst en de beschrijving van de in artikel [120 octies, eerste alinea, van verordening nr. 1234/2007] bedoelde analysemethoden die in de ‘Recueil des méthodes internationales d'analyse des vins et des moûts’ (het handboek van internationale analysemethoden voor wijn en most) van de OIV zijn beschreven en moeten worden toegepast om de in de communautaire regelgeving vastgestelde maxima en voorschriften voor de productie van wijnbouwproducten te controleren.’
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden besluit
11
Tot in juni 2010 hebben de lidstaten uit eigen beweging hun standpunten binnen de werkgroep ‘wijnen en alcohol’ van de OIV gecoördineerd.
12
Op 16 mei 2011 heeft de Commissie op basis van artikel 218, lid 9, VWEU een voorstel ingediend voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde aanbevelingen waarover moet worden gestemd in het kader van de OIV. Dat voorstel is echter niet aangenomen.
13
Op de coördinatievergaderingen die op 22 en 24 juni 2011 in Porto (Portugal) zijn gehouden, hebben de bij de OIV aangesloten lidstaten van de Unie hun standpunten betreffende de aanbevelingen die op de agenda van de algemene vergadering van de OIV stonden met elkaar in overeenstemming gebracht. De Commissie heeft laten weten dat deze lidstaten geen standpunt mochten innemen dat afdeed aan het acquis van de Unie en dat zij zich derhalve dienden te verzetten tegen iedere aanbeveling van die organisatie die dit acquis kon wijzigen. Zij heeft bij wijze van voorbeeld ook veertien ontwerpaanbevelingen aangehaald waarvan de aanname door die vergadering volgens haar afbreuk zou doen aan het acquis van de Unie.
14
Tijdens de algemene vergadering van de OIV van 24 juni 2011 zijn, met name door de afvaardigingen van de lidstaten, talrijke aanbevelingen goedgekeurd overeenkomstig de in artikel 5, lid 3, sub a, van het OIV-Verdrag bedoelde consensusprocedure.
15
Met het oog op de buitengewone algemene vergadering van de OIV van 28 oktober 2011 te Montpellier (Frankrijk) heeft de Commissie een voorstel voor een besluit van de Raad op basis van artikel 218, lid 9, VWEU ingediend. Dit voorstel is echter evenmin aangenomen.
16
Met het oog op de algemene vergadering van de OIV van 22 juni 2012 te Izmir (Turkije) heeft de Commissie op 27 april 2012 aan de Raad een voorstel toegezonden voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties waarover moet worden gestemd in het kader van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) [COM(2012) 192 final].
17
Aangezien geen meerderheid kon worden gevonden voor dat voorstel, heeft het voorzitterschap van de Unie achtereenvolgens twee compromisvoorstellen ingediend. Het tweede voorstel, dat dateert van 6 juni 2012, is met een gekwalificeerde meerderheid aangenomen op de vergadering van de Raad (Landbouw en Visserij) van 18 juni 2012 en vormt het bestreden besluit.
18
Een aantal lidstaten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, hebben tegen dat voorstel gestemd.
19
De punten 5 tot en met 7 van de considerans van het bestreden besluit luiden als volgt:
- ‘(5)
Bij de ontwerpresoluties OENO-TECHNO 08-394A, 08-394B, 10-442, 10-443, 10-450A, 10-450B, 11-483 en 11-484 worden nieuwe oenologische procedés vastgesteld. Overeenkomstig de artikelen 120 septies en 158 bis van verordening (EG) nr. 1234/2007 zullen deze resoluties gevolgen hebben voor het acquis.
- (6)
Bij de ontwerpresoluties OENO-SCMA 08-385, 09-419B, 10-436, 10-437, 10-461, 10-465 en 10-466 worden analysemethoden vastgesteld. Overeenkomstig artikel 120 octies van verordening (EG) nr. 1234/2007 zullen deze resoluties gevolgen hebben voor het acquis.
- (7)
Bij de ontwerpresoluties OENO-SPECIF 08-363, 08-364, 09-412, 10-451, 10-452, 10-459, 11-485, 11-486B, 11-489, 11-490, 11-491 en 11-494 worden specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij de oenologische procedés gebruikte stoffen vastgesteld. Overeenkomstig artikel 9 van verordening (EG) nr. 606/2009 zullen deze resoluties gevolgen hebben voor het acquis.’
20
Het bestreden besluit bepaalt het volgende:
‘De Raad van de Europese Unie,
Gezien het [VWEU], en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,
[…]
Artikel 1
Het standpunt van de Unie tijdens de Algemene Vergadering van de OIV, die op 22 juni 2012 plaatsvindt, is in overeenstemming met de bijlage bij dit besluit en wordt uitgedragen door de lidstaten die lid zijn van de OIV en gezamenlijk in het belang van de Unie handelen.
Artikel 2
1.
Als het in artikel 1 bedoelde standpunt waarschijnlijk nog zal worden beïnvloed door nieuwe wetenschappelijke of technische informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de OIV wordt gepresenteerd, verzoeken de lidstaten die lid zijn van de OIV om uitstel van de stemming in de Algemene Vergadering van de OIV totdat het standpunt van de Unie is vastgesteld op basis van de nieuwe elementen.
2.
De lidstaten die lid zijn van de OIV en gezamenlijk in het belang van de Unie handelen, kunnen, na coördinatie, met name ter plaatse, en zonder verder besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie, instemmen met wijzigingen in de ontwerpresoluties waarnaar in de bijlage bij dit besluit wordt verwezen, indien deze wijzigingen deze resoluties inhoudelijk niet veranderen.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.’
21
In de bijlage bij dit besluit is vermeld op welke ontwerpresoluties het in artikel 1 van dit besluit bedoelde standpunt van de Unie betrekking heeft.
Conclusies van partijen en procesverloop bij het Hof
22
De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof het bestreden besluit nietig te verklaren en de Raad te verwijzen in de kosten.
23
De Raad concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten. Subsidiair, voor het geval dat het bestreden besluit nietig zou worden verklaard, verzoekt hij het Hof om de gevolgen van dit besluit te handhaven.
24
De Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn toegelaten tot interventie aan de zijde van de Bondsrepubliek Duitsland, terwijl de Commissie is toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad.
Beroep
25
Het beroep berust op één enkel middel, te weten dat artikel 218, lid 9, VWEU in casu niet van toepassing is.
26
In hun memories in interventie voeren Hongarije en het Koninkrijk der Nederlanden bovendien middelen aan inzake schending van bepaalde voorschriften van het VWEU, die verschillen van het middel dat in het kader van het in het vorige punt bedoelde enige middel is aangevoerd.
27
Een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een bij het Hof van Justitie aanhangig geding mag evenwel het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de partijen ten principale, niet wijzigen. Derhalve zijn enkel de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen vastgestelde kader, ontvankelijk.
28
De in punt 26 van het onderhavige arrest bedoelde middelen van Hongarije en het Koninkrijk der Nederlanden moeten dus meteen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Argumenten van partijen
29
In het kader van het enige middel van haar beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland, ondersteund door de Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek en het Verenigd Koninkrijk, in de eerste plaats aan dat artikel 218, lid 9, VWEU niet toepasselijk is in de context van een internationaal verdrag dat, zoals het OIV-Verdrag, door lidstaten en niet door de Unie als zodanig is gesloten.
30
Uit de tekst van artikel 218, lid 9, VWEU blijkt immers dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de standpunten die moeten worden ingenomen ‘namens de Unie’, hetgeen vooronderstelt dat de Unie in het betrokken internationale lichaam over een recht van vertegenwoordiging of over stemrecht beschikt.
31
Ook uit de opzet van artikel 218 VWEU blijkt dat lid 9 ervan enkel van toepassing is in de context van door de Unie gesloten overeenkomsten.
32
Die uitlegging vindt steun in de ontstaansgeschiedenis en de strekking van artikel 218, lid 9, VWEU. Deze bepaling, die een vrijwel letterlijke overname vormt van artikel 300, lid 2, EG, voorziet in een specifieke procedure op basis waarvan de Unie snel kan reageren wanneer andere contractpartijen een internationale overeenkomst schenden waarbij ook de Unie partij is.
33
Het in artikel 5, leden 1 en 2, VEU verankerde beginsel van bevoegdheidstoebedeling, dat de afbakening van de bevoegdheden van de Unie regelt, verbiedt dat de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU naar analogie ook op de uitvoering van door lidstaten gesloten internationale overeenkomsten wordt toegepast.
34
De praktijken en de regels waarop de aanbevelingen van de OIV betrekking hebben, behoren bovendien niet tot een gebied waarvoor de Unie exclusief bevoegd is, maar wel tot het gebied van de landbouw in de zin van artikel 4, lid 2, sub d, VWEU, waar een gedeelde bevoegdheid van de Unie en haar lidstaten geldt.
35
In de tweede plaats betogen de Bondsrepubliek Duitsland en de tot interventie aan haar zijde toegelaten lidstaten dat enkel handelingen van internationaal recht die bindend zijn voor de Unie, kunnen worden aangemerkt als ‘handelingen met rechtsgevolgen’ in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU. Die uitlegging vloeit voort uit de bewoordingen van deze bepaling en vindt steun in de opzet van de voorschriften waartoe artikel 218, lid 9, VWEU behoort.
36
In casu behoren de aanbevelingen van de OIV niet tot de categorie van de in artikel 218, lid 9, VWEU bedoelde handelingen. Dergelijke aanbevelingen zijn enerzijds immers niet bindend naar internationaal recht, en anderzijds vloeien de verwijzingen naar de aanbevelingen van de OIV in de artikelen 120 septies, sub a, 120 octies en 158 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 1234/2007 alsook in artikel 9 van verordening nr. 606/2009 voort uit een eenzijdige handeling van de wetgever van de Unie die deze aanbevelingen niet de kwalificatie van een — met name ten aanzien van derde landen — bindende handeling van internationaal recht kan verlenen.
37
In de derde plaats voert het Koninkrijk der Nederlanden aan dat de niet-toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU in casu ook blijkt uit het feit dat er ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit geen absolute zekerheid bestond in verband met de aanbevelingen waarover op de algemene vergadering van de OIV van 22 juni 2012 daadwerkelijk zou worden gestemd.
38
De Raad, ondersteund door de Commissie, betoogt in de eerste plaats dat artikel 218, lid 9, VWEU geldt voor de bepaling van de standpunten die namens de Unie moeten worden ingenomen in een organisatie zoals de OIV, die bij een door lidstaten gesloten internationale overeenkomst is opgericht en die tot taak heeft om handelingen met rechtsgevolgen vast te stellen, wanneer de Unie bevoegd is voor het betrokken gebied.
39
Op basis van een letterlijke uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU, waarin niets op het tegendeel wijst, kan worden aangenomen dat deze bepaling ook van toepassing is in de context van overeenkomsten waarbij de Unie geen partij is, voor zover deze overeenkomsten gebieden betreffen die onder de bevoegdheid van de Unie vallen.
40
Met betrekking tot de context van artikel 218, lid 9, VWEU stelt de Raad dat geen enkele conclusie mag worden afgeleid uit de artikelen 216 VWEU en 218, lid 1, VWEU, aangezien die bepalingen betrekking hebben op de sluiting van internationale overeenkomsten door de Unie, terwijl artikel 218, lid 9, VWEU niet ziet op de procedure inzake de onderhandeling of de afsluiting van dergelijke overeenkomsten, maar op de uitvoering van een overeenkomst die rechtsgevolgen in de Unie kan hebben.
41
Vanuit teleologisch oogpunt beoogt artikel 218, lid 9, VWEU een procedureel kader in het leven te roepen dat het mogelijk maakt om het standpunt van de Unie in internationale organisaties te bepalen, ook in de context van internationale overeenkomsten waarbij de Unie zelf geen partij is, wanneer de vast te stellen handelingen bedoeld zijn om later in het Unierecht te worden geïncorporeerd.
42
De Unie maakt geen inbreuk op de bevoegdheden van de lidstaten wanneer zij op internationaal niveau de bevoegdheden uitoefent die haar krachtens artikel 43 VWEU zijn toebedeeld op gebieden als de oenologische procedés en de methoden voor het analyseren van wijnbouwproducten.
43
Bovendien beschikt de Unie op grond van artikel 3, lid 2, VWEU over een exclusieve externe bevoegdheid op de gebieden waarop de in de bijlage bij het bestreden besluit bedoelde aanbevelingsontwerpen betrekking hebben, aangezien zij een invloed kunnen hebben op de gemeenschappelijke regels van de Unie. Die ontwerpen betreffen immers oenologische procedés en analysemethoden die vervolgens overeenkomstig de artikelen 120 septies, sub a, 120 octies en 158 bis, lid 2, van verordening nr. 1234/2007, alsook verordening nr. 606/2009 als grondslag zullen dienen voor de opstelling van de regelgeving van de Unie of door die regelgeving toepasselijk zullen worden verklaard.
44
In de tweede plaats betoogt de Raad, ondersteund door de Commissie, dat artikel 218, lid 9, VWEU uitsluitend vereist dat de door het internationale lichaam vast te stellen handelingen gevolgen hebben binnen de rechtsorde van de Unie, en niet dat die handelingen gevolgen hebben in de internationale rechtsorde.
45
Deze bepaling ziet dus ook op de situatie waarin internationale aanbevelingen weliswaar niet bindend zijn, maar krachtens dwingende Unierechtelijke voorschriften wel rechtsgevolgen hebben in de Unie.
46
In casu hebben de door een algemene vergadering van de OIV vastgestelde aanbevelingen betreffende de oenologische procedés en de analysemethoden rechtsgevolgen binnen de Unie, gelet op de keuze van de wetgever van de Unie om deze in de regelgeving van de Unie op te nemen.
47
In de derde plaats voert de Raad aan dat het in punt 37 van dit arrest weergegeven argument van het Koninkrijk der Nederlanden indruist tegen de bewoordingen en de doelstelling van artikel 218, lid 9, VWEU.
Beoordeling door het Hof
48
Luidens artikel 218, lid 9, VWEU ‘stelt [de Raad], op voorstel van de Commissie […], een besluit vast […] tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord’.
49
Om te beginnen moet erop worden gewezen dat die bepaling verwijst naar een lichaam dat is opgericht krachtens ‘een overeenkomst’, zonder te preciseren dat de Unie partij bij die overeenkomst moet zijn. De in deze bepaling opgenomen verwijzing naar de standpunten die ‘namens de Unie’ moeten worden ingenomen, impliceert evenmin dat de Unie partij moet zijn bij de overeenkomst tot oprichting van het betrokken internationale lichaam.
50
Derhalve staat de tekst van artikel 218, lid 9, VWEU er niet aan in de weg dat de Unie een besluit aanneemt ter bepaling van een standpunt dat namens haar moet worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht krachtens een internationale overeenkomst waarbij zij geen partij is.
51
Voorts moet worden benadrukt dat de onderhavige zaak het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, en meer in het bijzonder de gemeenschappelijke ordening van de wijnbouwmarkten, een gebied dat de wetgever van de Unie krachtens zijn op artikel 43 VWEU gebaseerde bevoegdheid in verregaande mate heeft gereguleerd.
52
Wanneer het betrokken gebied onder een bevoegdheid van de Unie valt zoals die welke in het vorige punt is beschreven, belet het feit dat de Unie geen partij is bij de betrokken internationale overeenkomst haar niet om die bevoegdheid uit te oefenen door in het kader van haar instellingen een standpunt te bepalen dat namens haar in het bij die overeenkomst opgerichte lichaam moet worden ingenomen, met name door de lidstaten die partij zijn bij die overeenkomst en gezamenlijk in het belang van de Unie optreden (zie arrest Commissie/Griekenland, C-45/07, EU:C:2009:81, punten 30 en 31; zie eveneens in die zin advies 2/91, EU:C:1993:106, punt 5).
53
Aan deze bevindingen wordt niet afgedaan door de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland waarmee deze ten eerste stelt dat de aan artikel 218, lid 9, VWEU voorafgaande bepalingen van titel V van het vijfde deel van het VWEU enkel betrekking hebben op overeenkomsten tussen de Unie en één of meer lidstaten of tussen de Unie en internationale organisaties, en ten tweede dat de vaststelling door de Unie van een besluit tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst, waarvan artikel 218, lid 9, VWEU eveneens gewaagt, slechts kan gebeuren bij door de Unie gesloten internationale overeenkomsten.
54
In dit verband moet namelijk worden opgemerkt dat de in het vorige punt bedoelde bepalingen, met uitzondering van artikel 218, lid 9, VWEU, betrekking hebben op de onderhandeling en de sluiting van overeenkomsten door de Unie. Artikel 218, lid 9, VWEU betreft daarentegen de bepaling van standpunten die namens de Unie moeten worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam. Anders dan een besluit van de Unie tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst kunnen dergelijke standpunten in de in punt 52 van dit arrest genoemde situatie ook worden vastgesteld in de context van een overeenkomst waarbij de Unie geen partij is.
55
De omstandigheid dat de Unie geen partij is bij het OIV-Verdrag belet haar op zich dus niet om artikel 218, lid 9, VWEU toe te passen.
56
Vervolgens moet worden nagegaan of de door de OIV vast te stellen aanbevelingen die in casu aan de orde zijn, ‘handelingen met rechtsgevolgen’ in de zin van deze bepaling zijn.
57
Dienaangaande volgt uit de punten 5 tot en met 7 van de considerans van het bestreden besluit en uit de bijlage bij dat besluit dat de aanbevelingen van de OIV waarover op de in dit besluit bedoelde algemene vergadering van deze organisatie moest worden gestemd, betrekking hebben op nieuwe oenologische procedés, analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald of specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij die procedés gebruikte stoffen.
58
Die aanbevelingen vallen derhalve onder de in artikel 2, lid 2, sub b, van het OIV-Verdrag opgesomde gebieden, hetgeen overigens door geen van de partijen bij het onderhavige geding wordt betwist.
59
Luidens artikel 2, leden 1, sub b en c, en 2, van het OIV-Verdrag hebben de door de OIV op die gebieden vastgestelde aanbevelingen tot doel bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van die organisatie, die er met name in bestaan andere internationale organisaties — in het bijzonder die welke zich bezighouden met standaardisering — bij te staan, alsook bij te dragen aan de internationale harmonisatie van bestaande praktijken en normen en, waar nodig, aan het opstellen van nieuwe internationale standaarden.
60
Voorts moet worden opgemerkt dat de OIV volgens artikel 2, lid 2, sub b, van het OIV-Verdrag tot taak heeft om de uitvoering van deze aanbevelingen samen met haar leden te monitoren.
61
In het kader van de gemeenschappelijke ordening van de wijnbouwmarkten neemt de wetgever van de Unie die aanbevelingen bovendien op in de regelgeving die hij in dit verband vaststelt. Uit de artikelen 120 octies en 158 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 1234/2007 en uit artikel 9, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 606/2009 blijkt immers dat de aanbevelingen van de OIV uitdrukkelijk worden gelijkgesteld met Unierechtelijke regels, wat de analysemethoden betreft waarmee de samenstelling van wijnbouwproducten wordt bepaald, de bijzondere bepalingen die op het gebied van oenologische procedés gelden voor de invoer van wijn uit derde landen, en de specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij die procedés gebruikte stoffen.
62
De bij artikel 120 septies, sub a, van verordening nr. 1234/2007 aan de Commissie opgelegde verplichting om van de aanbevelingen van de OIV ‘uit te gaan’, wat het toestaan van oenologische procedés betreft, houdt noodzakelijkerwijs in dat deze aanbevelingen bij de opstelling van de Unierechtelijke regels ter zake in aanmerking moeten worden genomen.
63
Bijgevolg hebben de in casu aan de orde zijnde aanbevelingen, die — zoals in punt 57 van dit arrest is aangegeven — betrekking hebben op nieuwe oenologische procedés, analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald of specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij die procedés gebruikte stoffen, beslissende invloed op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt op het gebied van de gemeenschappelijke ordening van de wijnbouwmarkten.
64
Uit de in de punten 57 tot en met 63 van dit arrest geformuleerde overwegingen volgt dat dergelijke aanbevelingen, met name doordat zij overeenkomstig de artikelen 120 septies, sub a, 120 octies en 158 bis, leden 1 en 2, van verordening nr. 1234/2007 alsook artikel 9, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 606/2009 in het Unierecht worden opgenomen, rechtsgevolgen op het voornoemde gebied hebben in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU en dat de Unie, hoewel zij geen partij is bij het OIV-Verdrag, gemachtigd is om het standpunt te bepalen dat namens haar over die aanbevelingen moet worden ingenomen, gelet op de rechtstreekse gevolgen die deze aanbevelingen op dit gebied voor het acquis van de Unie hebben.
65
Het in punt 37 van het onderhavige arrest weergegeven argument van het Koninkrijk der Nederlanden druist in tegen de bewoordingen en de doelstelling van artikel 218, lid 9, VWEU, dat de mogelijkheid beoogt te scheppen om een vooraf namens de Unie vastgesteld standpunt te vertolken binnen een internationaal lichaam dat ‘tot taak heeft’ handelingen met rechtsgevolgen vast te stellen, ongeacht of de handelingen waarop het aldus bepaalde standpunt betrekking heeft uiteindelijk ook effectief in stemming worden gebracht binnen het bevoegde lichaam.
66
Gelet op een en ander heeft de Raad zich voor de vaststelling van het bestreden besluit terecht op artikel 218, lid 9, VWEU gebaseerd.
67
Het enige middel dat de Bondsrepubliek Duitsland ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, kan derhalve niet slagen.
68
Bijgevolg moet het beroep worden verworpen.
Kosten
69
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten. Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van dit Reglement, krachtens hetwelk de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten dragen, dient te worden beslist dat de Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hun eigen kosten dragen.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
- 1)
Het beroep wordt verworpen.
- 2)
De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
- 3)
De Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑10‑2014
Conclusie 29‑04‑2014
P. Cruz Villalón
Partij(en)
Zaak C-399/121.
Bondsrepubliek Duitsland
tegen
Raad van de Europese Unie
(beroep tot nietigverklaring, ingesteld door de Bondsrepubliek Duitsland)
1.
De Europese Unie heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een vooraanstaande partner in internationale organisaties.2. Een van de relevante bepalingen van de Verdragen in dit verband is artikel 218, lid 9, VWEU, dat een rechtsgrondslag van procedurele aard bevat voor het bepalen van standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een bij een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt. Het onderhavige beroep tot nietigverklaring werpt de vraag op of deze bepaling van toepassing is in een situatie die de volgende bijzondere kenmerken vertoont: het eerste bijzondere aspect is dat sommige lidstaten van de Unie lid zijn van de organisatie, maar de Unie zelf niet, het tweede dat de betrokken organisatie in beginsel ‘aanbevelingen’ doet.
2.
Aanleiding voor het geschil was de coördinatie tussen de Unie en de lidstaten met betrekking tot het werkterrein van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (‘OIV’), een intergouvernementele organisatie op het gebied van wijnbouw, wijn, dranken bereid op basis van wijn, tafeldruiven, krenten en rozijnen en andere wijnbouwproducten. Een groot aantal lidstaten van de Unie is lid van de organisatie, de Unie zelf echter niet. Op 19 juni 2012 heeft de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op grond van artikel 43 juncto artikel 218, lid 9, VWEU voor het eerst een besluit genomen tot vaststelling van een standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties van de OIV. De Bondsrepubliek Duitsland, die tegen het besluit had gestemd en een verklaring voor de Raadsnotulen betreffende haar standpunt had afgelegd, heeft vervolgens het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld.
3.
Ook buiten het bestek van de onderhavige zaak zijn de te beantwoorden rechtsvragen van groot belang voor de verhouding tussen Unie en lidstaten in het kader van het externe optreden. Bij tal van internationale organisaties zijn namelijk — al is het maar om volkenrechtshistorische redenen — wel de lidstaten van de Unie aangesloten, maar de Unie zelf niet. Vaak is dat ook het geval wanneer de betrokken organisatie in de bevoegdheidssfeer van de Unie opereert. Voor dergelijke situaties kan het Hof in de onderhavige zaak verduidelijkingen aanbrengen die richtinggevend zijn voor de toekomst.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Internationaal recht
4.
De OIV werd in haar huidige vorm opgericht bij het verdrag tot oprichting van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding van 3 april 2001 (hierna: ‘verdrag’)3. als opvolgster van het in 1924 opgerichte Internationaal Bureau voor de wijnbouw.4.
5.
Het verdrag wil onder meer ‘bijdragen aan de internationale harmonisatie van bestaande praktijken en normen en, waar nodig, aan het opstellen van nieuwe internationale standaarden teneinde de voorwaarden voor de productie en het op de markt brengen van wijnbouwproducten te verbeteren, en er zorg voor dragen dat rekening wordt gehouden met de belangen van de consument’ (artikel 2, lid 1, sub c, van het verdrag).
6.
Volgens artikel 2, lid 2, sub b, van het verdrag vervult de OIV daartoe onder meer de volgende taken:
‘het opstellen en formuleren van aanbevelingen en het samen met haar leden uitoefenen van toezicht op de uitvoering hiervan, in het bijzonder op de volgende gebieden:
- i)
de voorwaarden van de wijnproductie;
- ii)
de oenologische procedés;
- iii)
de definitie en/of beschrijving van de producten, de etikettering en de voorwaarden voor het op de markt brengen;
- iv)
de methoden voor het analyseren en beoordelen van wijnbouwproducten.’
7.
Artikel 8 van dat verdrag luidt5.:
‘Een internationale intergouvernementele organisatie kan deelnemen aan de werkzaamheden van de OIV of hiervan lid worden en bijdragen aan de financiering van de OIV onder voorwaarden die per geval door de Algemene Vergadering op voorstel van het Uitvoerend Comité worden vastgesteld.’
B — Unierecht
1. Primair recht
8.
Artikel 4, lid 3, eerste volzin, VEU bepaalt het volgende:
‘Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien.’
9.
Artikel 218 VWEU bepaalt:
- ‘1.
Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 207 wordt bij het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties de volgende procedure gevolgd. […]
- 9.
De Raad stelt, op voorstel van de Commissie of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, een besluit vast tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord. […]
- 11.
Een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie kan het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Verdragen. […]’
2. Afgeleid recht
10.
Verordening nr. 479/2008 van de Raad6., die op 1 augustus 2008 in werking trad, introduceerde in het afgeleide recht voor het eerst7. dynamische verwijzingen naar resoluties van de OIV. Bij verordening nr. 491/2009 van de Raad8. werden deze normen van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt opgenomen in verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (Integrale-GMO-verordening).9.
11.
Artikel 120 septies van de integrale-GMO-verordening bepaalt:
‘Met het oog op het toestaan van oenologische procedés volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure:
- a)
gaat de Commissie uit van de door de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV) aanbevolen en gepubliceerde oenologische procedés en van de resultaten die zijn geboekt met het experimentele gebruik van vooralsnog niet-toegestane oenologische procedés […]’
12.
Artikel 120 octies van deze verordening luidt:
‘De analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald, en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés, zijn de analysemethoden en de voorschriften die door de OIV zijn aanbevolen en gepubliceerd.
Als er geen door de OIV aanbevolen en gepubliceerde methoden en voorschriften bestaan, stelt de Commissie overeenkomstige methoden en voorschriften vast volgens de in artikel 195, lid 4, bedoelde procedure.
In afwachting van de vaststelling van die voorschriften worden de methoden en voorschriften gebruikt die door de betrokken lidstaat zijn toegestaan.’
13.
Artikel 158 bis van dezelfde verordening luidt:
‘Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die worden aanbevolen en gepubliceerd door de OIV of zijn toegestaan door de Gemeenschap op grond van deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan.’
14.
Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 606/200910. bepaalt:
‘De in artikel 32, tweede alinea, onder e), van verordening (EG) nr. 2/2008 bedoelde specificaties met betrekking tot zuiverheid en identiteit van de bij de oenologische procedés gebruikte stoffen, zijn die welke zijn vastgesteld en bekendgemaakt in de ‘Codex œnologique international’ van de ‘Organisation Internationale de la Vigne et du Vin’ (OIV), voor zover zij niet zijn vastgesteld in richtlijn 2008/479/EG van de Commissie.’11.
15.
Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 606/2009 luidt:
‘De Commissie publiceert in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, de lijst en de beschrijving van de in artikel 31, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 479/2008 bedoelde analysemethoden die in de ‘Recueil des méthodes internationales d'analyse des vins et des moûts’ (het handboek van internationale analysemethoden voor wijn en most) van de OIV zijn beschreven en moeten worden toegepast om de in de communautaire regelgeving vastgestelde maxima en voorschriften voor de productie van wijnbouwproducten te controleren.’12.
II — Voorwerp van het geschil, procesverloop en conclusies
16.
Op 18 juni 2012 heeft de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit genomen tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties waarover moet worden gestemd in het kader van de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV).13. Het besluit werd gebaseerd op artikel 43 juncto artikel 218, lid 9, VWEU.
17.
Bij verzoekschrift van 28 augustus 2012 heeft de Bondsrepubliek Duitsland beroep tot nietigverklaring van dit besluit ingesteld. Duitsland is van mening dat artikel 218, lid 9, VWEU niet als procedurele rechtsgrondslag voor het besluit had mogen dienen. Voor het besluit lijkt volgens Duitsland geen andere procedurele rechtsgrondslag in aanmerking te komen.
18.
De Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk en de Slowaakse Republiek zijn toegelaten als interveniënten ter ondersteuning van de Bondsrepubliek Duitsland, en de Commissie is toegelaten als interveniënt ter ondersteuning van de Raad.
19.
De Bondsrepubliek Duitsland, ondersteund door haar interveniënten, verzoekt het Hof
- —
het besluit van de Raad van 18 juni 2012 nietig te verklaren, en
- —
de Raad te verwijzen in de kosten.
20.
De Raad, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Hof
- —
het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren,
- —
subsidiair, in geval van nietigverklaring van het besluit, de handhaving van de gevolgen ervan te gelasten,
- —
verzoekster te verwijzen in de kosten.
21.
Na afronding van de schriftelijke procedure is het beroep op 26 november 2013 ter terechtzitting behandeld. Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland is bij die gelegenheid eveneens toegelaten als interveniënt aan de zijde van de Bondsrepubliek Duitsland.
III — Argumenten van partijen
22.
De Bondsrepubliek baseert haar beroep tot nietigverklaring op één enkel middel: zij stelt dat de Raad artikel 218, lid 9, VWEU niet als procedurele rechtsgrondslag voor het bestreden besluit had mogen gebruiken. Duitsland voert in wezen twee redenen aan waarom de bepaling niet op het onderhavige geval kan worden toegepast: ten eerste zou de bepaling blijkens de bewoordingen, de systematiek, de ontstaansgeschiedenis en het doel ervan niet van toepassing zijn op overeenkomsten van de lidstaten, maar alleen op internationale overeenkomsten van de Unie zelf, en zou ze ook niet naar analogie kunnen worden toegepast. De coördinatie van het optreden van de lidstaten in lichamen van internationale organisaties die bij internationale overeenkomsten van de lidstaten zijn opgericht, vindt volgens Duitsland plaats uit hoofde van het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU.14. Ten tweede veronderstelt artikel 218, lid 9, VWEU volgens de Bondsrepubliek Duitsland een ‘handeling met rechtsgevolgen’, wat naar haar opvatting betekent dat de desbetreffende handeling volkenrechtelijk bindend moet zijn. Dit is volgens haar bij resoluties van de OIV niet het geval. Duitsland wijst er voorts op dat toepassing van de bepaling niet past bij het technische karakter van de OIV en er ook toe leidt dat de belangen van de Unie minder efficiënt worden behartigd.
23.
De Raad acht artikel 218, lid 9, VWEU echter toepasselijk. Hij stelt in wezen dat de bepaling op terreinen die binnen de bevoegdheid van de Unie vallen, ook de vaststelling van een standpunt in internationale organisaties toestaat waarvan alleen de lidstaten lid zijn, maar niet de Unie zelf. Ten aanzien van de OIV-resoluties waarop het bestreden besluit betrekking heeft, gaat de Raad — in tegenstelling tot de Bondsrepubliek Duitsland — uit van een exclusieve bevoegdheid van de Unie. Met betrekking tot de ‘rechtsgevolgen’ van de handelingen wijst de Raad er niet alleen op dat de resoluties, hoewel het slechts om aanbevelingen gaat, bepaalde volkenrechtelijke gevolgen hebben, maar stelt hij met name dat de integratie van de resoluties in het Unierecht krachtens de artikelen 158 bis, lid 2, 120 septies, sub a, en 120 octies van de integrale-GMO-verordening, voldoende rechtskracht waarborgt.
24.
De Tsjechische Republiek sluit zich in wezen aan bij het betoog van de Bondsrepubliek en vult dat aan met een opmerking over de uitlegging van artikel 218, lid 9. Ook het Groothertogdom Luxemburg deelt de opvatting van de Bondsrepubliek en wijst er onder meer op dat het in het onderhavige geval om een gedeelde bevoegdheid en niet om een exclusieve bevoegdheid gaat. Dat wordt ook benadrukt door Nederland, dat bovendien stelt dat artikel 218, lid 9, ook daarom niet als rechtsgrondslag in aanmerking komt, omdat ten tijde van de vaststelling van het besluit niet vaststond welke resoluties ter stemming zouden worden voorgelegd. Ook ontbreekt volgens Nederland in het besluit een motivering, met name ten aanzien van de vraag waarom het besluit noodzakelijk is als men in aanmerking neemt dat noch de Unie noch al haar lidstaten lid zijn van de OIV en er binnen het verband van de OIV en haar voorloper al veertig jaar lang door lidstaten wordt samengewerkt.15. Tot slot is Nederland van mening dat de handelwijze van de Raad de verstandhouding binnen de OIV en daarmee de belangen van de Unie in gevaar brengt. Hongarije vult het betoog van Duitsland aan en wijst er daarnaast op dat het Europees Parlement, voor zover bekend, niet over het betwiste besluit is geïnformeerd en dat daardoor de door artikel 218, lid 10, VWEU voorgeschreven procedure is geschonden, wat door het Hof ambtshalve moet worden onderzocht. Ook Oostenrijk sluit zich in wezen bij het betoog van Duitsland aan. De Slowaakse Republiek onderschrijft de argumenten van Duitsland en wijst er onder meer op dat artikel 218, lid 9, VWEU zelfs op een terrein waarop de Unie een exclusieve externe bevoegdheid heeft, alleen kan worden toegepast wanneer aan de voorwaarden van het artikel is voldaan. Het Verenigd Koninkrijk wijst er in verband met de kwestie van de rechtskracht op dat de rechtspraak betreffende rechtsgevolgen in het Unierecht niet relevant is, maar dat in aanmerking moet worden genomen dat artikel 218 VWEU het sluiten van overeenkomsten regelt die de Unie volkenrechtelijk binden.
25.
De Commissie deelt het standpunt van de Raad. Zij wijst bovendien op het fundamentele belang van de zaak: er zijn verschillende internationale organisaties waarin de Unie niet is vertegenwoordigd, hoewel die organisaties volgens de Commissie actief zijn op terreinen die ten minste voor een deel binnen de bevoegdheid van de Unie vallen. Uit de rechtspraak blijkt volgens haar dat de externe vertegenwoordiging van de Unie binnen haar bevoegdheidssfeer in zulke gevallen via de lidstaten plaatsvindt, die in het belang van de Unie optreden. De Commissie wijst voor haar argumentatie met name op de bevoegdheden van de Unie.16. In het onderhavige geval beschikt de Unie volgens de Commissie over een exclusieve externe bevoegdheid. Rechtens mogen de lidstaten derhalve in een organisatie geen besluiten nemen die tot wijzigingen van het Unierecht kunnen leiden. De OIV-resoluties leiden volgens de Commissie echter tot een dergelijke wijziging. Derhalve kunnen de resoluties volgens haar alleen worden aangenomen na vaststelling van een gemeenschappelijk Uniestandpunt overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, waarmee niet alleen het standpunt wordt bepaald, maar ook de lidstaten worden gemachtigd om het standpunt van de Unie op het terrein van haar exclusieve externe bevoegdheid in te nemen. Alleen zo worden volgens de Commissie ook de belangen van de lidstaten behartigd die niet in de OIV zijn vertegenwoordigd. Ook deze lidstaten ondervinden immers de effecten van OIV-resoluties, aangezien de resoluties leiden tot wijzigingen van het EU-acquis, dat bindend is voor de lidstaten van de Unie. Met betrekking tot de systematische uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU wijst de Commissie erop dat in aanmerking moet worden genomen dat ook artikel 218, lid 11, VWEU niet alleen overeenkomsten van de Unie zelf betreft. Verder vult de Commissie aan dat voor handelingen zonder rechtsgevolgen informele coördinatie binnen de Raad dient plaats te vinden overeenkomstig artikel 16 VWEU.
IV — Beoordeling
26.
In de onderhavige zaak verschillen partijen in wezen17. van mening over de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU als procedurele rechtsgrondslag van het besluit van de Raad van 18 juni 2012 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties waarover moet worden gestemd in het kader van de OIV.
27.
De betrokken resoluties van de OIV zijn zelf geen voorwerp van het geschil. Zij werden door alle partijen en interveniënten gesteund en in de OIV met de stemmen van verzoekster en haar interveniënten aangenomen.
A — Inleidende overwegingen
28.
Voordat ik mij kan bezighouden met de uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU acht ik het opportuun de achtergrond van het geschil en de ontstaansgeschiedenis van de bepaling, die voor het begrip ervan essentieel is, uitvoerig uiteen te zetten. In dit kader zal ik aansluitend ook onderzoeken in hoeverre de zaak CITES18. van belang is voor het onderhavige geschil.
1. Achtergrond van het geschil
29.
De OIV is, zoals gezegd, een internationale organisatie die onder meer aanbevelingen voor de wijnsector opstelt, bijvoorbeeld op het gebied van de oenologische procedés.19. Deze aanbevelingen worden in de regel tijdens de jaarlijkse algemene vergadering bij consensus20. aangenomen.
30.
De Bondsrepubliek Duitsland en negentien andere lidstaten van de Unie zijn lid van de OIV.21. De Unie zelf heeft krachtens artikel 8 van het oprichtingsverdrag weliswaar het recht om lid te worden van de organisatie, maar is tot op heden geen lid en heeft ook geen waarnemers- of andere speciale status.22. De Commissie mag echter als gast de vergaderingen van de deskundigengroepen en commissies van de OIV bijwonen en aan hun werkzaamheden deelnemen.23.
31.
Tot juni 2010 coördineerden de lidstaten van de Unie hun optreden in de OIV in samenwerking met de Commissie in de werkgroep ‘Wijnen en alcohol’ van de Raad op basis van artikel 4, lid 3, VEU. De Commissie diende geen voorstel voor een gemeenschappelijk standpunt in, maar de lidstaten en de Commissie brachten ieder hun opvattingen naar voren waarna het voorzitterschap probeerde een gemeenschappelijk standpunt te formuleren.
32.
De resoluties van de OIV en haar voorloper, gespecialiseerde internationale organisaties met een grote wetenschappelijk-technische deskundigheid, hebben volgens de door Duitsland ter terechtzitting verstrekte informatie sinds 1971 gefungeerd als referentiepunt voor Europese wetgeving.
33.
Bij verordening nr. 479/2008 introduceerde de Unie, zoals gezegd, in de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt voor het eerst dynamische verwijzingen naar OIV-resoluties.24.
34.
Korte tijd later, in september 2008, deed de Commissie de aanbeveling aan de Raad — uitdrukkelijk ook vanwege de bij bovengenoemde verordening ingevoerde verwijzingen naar aanbevelingen van de OIV — haar te machtigen onderhandelingen te voeren over toetreding van de Europese Gemeenschap tot de OIV.25. De Raad verleende een dergelijke machtiging echter niet, omdat de daarvoor benodigde meerderheid niet tot stand kwam.26.
35.
Op 16 mei 2011 diende de Commissie met het oog op de negende algemene vergadering van de OIV voor het eerst een voorstel in voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt dat namens de Unie ten aanzien van OIV-resoluties moest worden ingenomen. De Commissie baseerde zich daarbij in procedureel opzicht op artikel 218, lid 9, VWEU, dus op de bepaling waarop de Raad zich in het in de onderhavige zaak betwiste besluit heeft beroepen. Het voorstel van de Commissie werd echter niet aangenomen. De Commissie concludeerde vervolgens dat de lidstaten bij gebreke van een besluit van de Raad in de OIV geen standpunt mochten innemen dat gevolgen zou hebben voor het acquis van de Unie, en noemde in een niet-limitatieve opsomming veertien ontwerpresoluties die, als ze zouden worden aangenomen, naar het oordeel van de Commissie het acquis zouden beïnvloeden. Desondanks namen de in de OIV vertegenwoordigde lidstaten, na voorafgaand onderling overleg, op de algemene vergadering van de OIV van 24 juni 2011 bij consensus een groot aantal resoluties aan, waaronder ook resoluties die volgens de Commissie gevolgen hadden voor het acquis van de Unie. De Commissie leidde vervolgens een niet-nakomingsprocedure tegen de betrokken lidstaten in, onder meer tegen de Bondsrepubliek Duitsland.27.
36.
Op 27 april 2012 diende de Commissie bij de Raad een voorstel in voor een besluit tot vaststelling van een standpunt dat namens de Unie moest worden ingenomen ten aanzien van resoluties waarover op de tiende algemene vergadering van de OIV van 22 juni 2012 zou moeten worden gestemd.28. Onder druk van de niet-nakomingsprocedure29. werd het op artikel 43 juncto artikel 218, lid 9, VWEU gebaseerde voorstel in gewijzigde vorm met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op 11 juni 2012 door het Speciaal Comité Landbouw en op 18 juni 2012 door de Raad (Landbouw en Visserij) aangenomen, waarbij Duitsland, de Tsjechische Republiek, Oostenrijk en Slowakije tegenstemden en Luxemburg zich van stemming onthield.30. Duitsland, Griekenland, Nederland, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk legden daarbij verklaringen voor de Raadsnotulen af, waarin zij betwijfelden of artikel 218, lid 9, als geschikte rechtsgrondslag kon dienen. Hongarije en Finland sloten zich bij deze verklaringen aan.31.
37.
Het bestreden besluit van de Raad van 18 juni 2012 stelt een gemeenschappelijk standpunt van de Unie vast ten aanzien van 27 in de bijlage genoemde ontwerpresoluties over analysemethoden voor het bepalen van de samenstelling van de wijnbouwproducten, specificaties met betrekking tot de zuiverheid en de identiteit van de bij oenologische procedés gebruikte stoffen en oenologische procedés. Dit zijn resoluties die naar het oordeel van de Raad onder de bevoegdheid van de Unie vallen en rechtsgevolgen hebben.32. De lidstaten die lid zijn van de OIV moeten volgens het besluit het gemeenschappelijke standpunt op de algemene vergadering van de OIV uitdragen. Daarbij kunnen de betrokken lidstaten na onderlinge afstemming, met name ter plekke, zonder een besluit van de Raad instemmen met wijzigingen die geen inhoudelijke wijzigingen van de resoluties inhouden. Als er nieuwe wetenschappelijke of technische informatie wordt gepresenteerd waardoor het standpunt zou kunnen worden beïnvloed, moeten de betrokken lidstaten om uitstel van de stemming op de algemene vergadering verzoeken totdat de Unie op basis van de nieuwe informatie haar standpunt heeft bepaald.
38.
De resoluties werden, met één uitzondering33., door de algemene vergadering van de OIV van 22 juni 2012 in Izmir aangenomen. Voorafgaand waren de wijzigingen van de ontwerpresoluties op vergaderingen ter coördinatie van het Uniestandpunt in Izmir als niet ‘inhoudelijk’ beoordeeld. Ook de Bondsrepubliek Duitsland was het eens met de vaktechnische inhoud van de resoluties, en stemde voor.
2. Ontstaansgeschiedenis van de bepaling
39.
Bespreking van de ontstaansgeschiedenis van de bepaling inzake de vaststelling van een standpunt dat namens de Unie wordt ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam is alleen al gerechtvaardigd vanwege de bijzondere systematische plaats van de bepaling, als lid 9 van artikel 218 VWEU. Het kan namelijk opmerkelijk lijken dat een bepaling betreffende de vaststelling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wordt aangetroffen in de context van een artikel dat de procedures regelt voor het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties. Om de bepaling, waarvan de draagwijdte in casu omstreden is, te begrijpen, is het mijns inziens noodzakelijk zowel de oorsprong van de bepaling als de bepalingen die eraan voorafgingen aan een nadere beschouwing te onderwerpen.
a) Het EEG-Verdrag
40.
Het EEG-Verdrag bevatte geen bepaling die overeenkomt met het huidige artikel 218, lid 9, VWEU. Artikel 116 EEG bepaalde evenwel: ‘Voor alle vraagstukken die van bijzonder belang zijn voor de gemeenschappelijke markt treden de lidstaten, in het kader van de internationale organisaties die een economisch karakter dragen, na het einde van de overgangsperiode nog slechts gezamenlijk op. De Commissie doet aan de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, voorstellen betreffende de draagwijdte en de uitvoering van dat gezamenlijk optreden. […]’
41.
De bepaling verschafte, aldus het Hof, een grondslag voor ‘een gezamenlijk optreden van de lidstaten in de internationale organisaties […] waarvan de Gemeenschap geen lid is’34.. Een dergelijke regel was destijds ook nodig omdat internationale organisaties doorgaans alleen staten als lid accepteerden35., wat juist op het belangrijkste terrein binnen de bevoegdheidssfeer van de Unie, de handelspolitiek, tot problemen zou kunnen leiden. In de praktijk werd de bepaling ook buiten de gemeenschappelijke handelspolitiek toegepast.36. Daarnaast leek het Hof vast te houden aan een regelmatigere toepassing van de bepaling.37. De lidstaten zagen de bepaling echter als een bedreiging voor hun bevoegdheden.38.
b) Het Verdrag van Maastricht
42.
Het Verdrag van Maastricht schrapte de bepaling zonder haar door een andere te vervangen — op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bleef alleen de verplichting over om het optreden in internationale organisaties te coördineren en de gemeenschappelijke standpunten te verdedigen.39. De reden daarvoor zal zijn geweest dat vanuit de optiek van de lidstaten een te grote inbreuk op hun soevereiniteit werd gepleegd.40. De Verdragen bevatten nu geen bepaling meer die expliciet de coördinatie van het optreden van de lidstaten en van de Gemeenschap in internationale organisaties regelde.
43.
Gezien het toenemende belang van internationale organisaties op tal van gebieden en de uitgebreide bevoegdheden van de Gemeenschap moest de Gemeenschap echter ook in het vervolg in internationale organisaties optreden, waardoor de vraag naar de rechtsgrondslag werd opgeworpen, die in de praktijk echter doorgaans alleen relevant werd wanneer de instellingen van de Unie en de lidstaten geen overeenstemming konden bereiken.
44.
Bij het onderhandelen over volkenrechtelijk verbindende besluiten konden daarbij de bepalingen inzake het sluiten van overeenkomsten worden toegepast. Reeds in zijn advies 1/78 had het Hof aangegeven dat bij onderhandelingen in het kader van internationale organisaties die beogen te komen tot een ‘door volkenrechtelijke subjecten aangegane verbintenis met verbindende kracht’, de bepalingen betreffende het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden van toepassing zijn, en niet artikel 116 EEG.41. In zijn advies 2/92 behandelde het Hof vervolgens de toetreding van de Gemeenschap tot het ook onder haar bevoegdheid vallende derde herziene besluit van de Raad van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) betreffende de nationale behandeling.42. De Gemeenschap was geen lid van de organisatie. Het Hof oordeelde dat het (juridisch bindende) besluit gelijk te stellen was met een akkoord tussen de Gemeenschap en derde landen. Een akkoord in de zin van artikel 228 EG was volgens het Hof namelijk ‘elke door volkenrechtelijke subjecten aangegane verbintenis met verbindende kracht’43.. De opvatting dat het nemen van besluiten van internationale organisaties gelijkstaat met het sluiten van een overeenkomst lag in zoverre voor de hand.44.
45.
In de praktijk kon dan ook worden geconstateerd dat het ontbreken van een expliciete rechtsgrondslag voor de coördinatie van het optreden in internationale organisaties in het geval van juridisch bindende besluiten van de organisaties werd ondervangen met een beroep op met name de artikelen 113 EG (gemeenschappelijke handelspolitiek) en 228 EG (sluiten van internationale akkoorden).45.
c) Het Verdrag van Amsterdam
46.
Deze rechtssituatie voldeed echter niet aan de behoeften van de Unie bij haar externe betrekkingen. Vooral gemengde overeenkomsten leverden problemen op.46. Zo werd tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Amsterdam aanvaard dat de Gemeenschap ondanks de bestaande verdeling van bevoegdheden met één stem zou moeten spreken, met name in het licht van de toename van gemengde organen waarvan de beslissingen rechtsgevolgen sorteerden.47. Om dit probleem op te lossen werd een aanvulling voorgesteld op artikel 228, lid 2, EG, dus op de bepaling betreffende het sluiten van overeenkomsten.48.
47.
Het resultaat van de onderhandelingen was (na de hernummering van het toenmalige artikel 228 EG) artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG, dat als volgt luidde: ‘In afwijking van de in lid 3 vastgestelde voorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing voor een besluit tot opschorting van de toepassing van een akkoord en voor het bepalen van de standpunten die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een op basis van artikel 238 gesloten akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.’
48.
Met name de systematiek van de bepaling is leerzaam: artikel 300, leden 1 tot en met 5, EG regelde de procedure van sluiting van internationale overeenkomsten. Daarbij wordt de fase van het onderhandelen over een akkoord (artikel 300, lid 1, EG) onderscheiden van de ondertekening, die vergezeld kan gaan van een besluit inzake de voorlopige toepassing, en de sluiting van het akkoord (artikel 300, lid 2, eerste alinea). De betrokkenheid van het Europees Parlement bij de procedure van sluiting van overeenkomsten wordt na deze bepalingen behandeld in lid 3.
49.
Te midden van deze bepalingen over het sluiten van overeenkomsten staat artikel 300, lid 2, tweede alinea, dat bepaalt dat ‘[i]n afwijking van de in lid 3 vastgestelde voorschriften […] dezelfde procedures’ van toepassing zijn voor het opschorten van een akkoord en het bepalen van standpunten in lichamen die zijn opgericht uit hoofde van artikel 310 EG. De procedure voor het sluiten van overeenkomsten (met name artikel 300, lid 2, eerste alinea, EG) moet dus — met een aanpassing met betrekking tot de deelneming van het Parlement — ook gelden voor de besluitvorming in lichamen die uit hoofde van artikel 310 EG, dus bij associatieakkoorden, zijn opgericht. In plaats van de in artikel 300, lid 3, EG voorgeschreven raadpleging van het Parlement wordt het Parlement hier overeenkomstig artikel 300, lid 2, derde alinea, slechts onverwijld en volledig op de hoogte gebracht. De beperking van het toepassingsgebied van de bepaling tot besluiten van associatieraden zou juist verklaard kunnen worden door de bijzondere plaats die besluiten van associatieraden in de rechtsorde van de Unie innemen, namelijk als bestanddeel van die rechtsorde.49.
50.
Doel van de bepaling was daarmee — naast verduidelijking van de toepassing van de bepalingen over het sluiten van overeenkomsten — de totstandbrenging van een vereenvoudiging van de procedure50., een lex specialis ten opzichte van de procedure die normaal gesproken van toepassing is, voor het bepalen van standpunten die in associatieraden moeten worden ingenomen, dus in lichamen die worden opgericht uit hoofde van overeenkomsten waarbij de Unie per definitie (artikel 310 EG) partij is.
d) Het Verdrag van Nice
51.
Het Verdrag van Nice handhaafde de formulering van de bepaling, maar hief de beperking op dat de bepaling alleen van toepassing is op lichamen die zijn opgericht uit hoofde van op basis van artikel 310 EG gesloten akkoorden. De tekst van het hier relevante deel van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG luidde nu algemeen: ‘die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een akkoord’. Hierdoor verloor de bepaling de beperking dat ze alleen van toepassing was op een specifieke of bijzondere soort akkoorden uit hoofde waarvan een lichaam wordt opgericht.51.
e) Het Verdrag van Lissabon
52.
Met het Verdrag van Lissabon werden de regels voor het sluiten van overeenkomsten — en ook voor het vaststellen van een gemeenschappelijk standpunt — vastgelegd in artikel 218 VWEU. Dat ging gepaard met een aantal redactionele wijzigingen. Zo verviel de verwijzing naar ‘dezelfde procedures’ en de inleidende verwijzing naar een afwijking van lid 3. De verwijzingen werden vervangen door een beschrijving van de procedure. Voor het overige waren aan deze verdragswijziging echter geen belangrijke inhoudelijke veranderingen verbonden. De redactionele wijzigingen deden met name niets af aan de hoedanigheid van de bepaling als lex specialis, zoals al blijkt uit het feit dat ze deel bleef uitmaken van de regeling van de procedure van sluiting van overeenkomsten (artikel 218 VWEU).
3. De zaak CITES
53.
Tot slot wil ik nog bezien in hoeverre het door de partijen herhaaldelijk aangehaalde arrest CITES van belang is voor de onderhavige procedure en met name of het Hof zich daarin niet al ten minste impliciet over de hier te beantwoorden vragen heeft uitgesproken.
54.
Ook de zaak CITES ging over het vaststellen van een gemeenschappelijk standpunt van lidstaten van de Unie in het kader van een internationale overeenkomst (namelijk op de veertiende conferentie van de partijen bij de CITES-overeenkomst) waartoe de Unie zelf niet was toegetreden. De Raad had — zoals ook in de onderhavige zaak — een besluit vastgesteld tot bepaling van een gemeenschappelijk standpunt dat op de conferentie moest worden ingenomen. Hoewel de Raad het besluit naar eigen zeggen had genomen conform de procedure van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG, de voorloper van het huidige artikel 218, lid 9, VWEU, noemde het besluit feitelijk geen rechtsgrondslag. De keuze van de toepasselijke rechtsgrondslag had eerder tot controverses binnen de Raad geleid. De Commissie stelde een beroep tot nietigverklaring in met het argument dat het besluit de motiveringsplicht schond doordat het de rechtsgrondslag niet vermeldde.52.
55.
De zaak is om twee redenen relevant voor het onderhavige geschil. In de eerste plaats besliste het Hof in de geest van de Commissie dat een besluit de rechtsgrondslag moet vermelden waarop het is gebaseerd, indien dat besluit het standpunt van de Unie vaststelt op een gebied dat onder haar bevoegdheid valt en het standpunt door de gezamenlijk in het belang van de Unie handelende lidstaten naar voren zal worden gebracht op een conferentie van de partijen bij een niet door de Unie geratificeerde internationale overeenkomst.53.
56.
Vanuit dit perspectief vormt de onderhavige zaak de consequentie van het arrest CITES. Nu heeft de Raad, overeenkomstig zijn verplichting, een rechtsgrondslag aangegeven. Verzoekster en de interveniënten aan haar zijde achten die grondslag evenwel niet van toepassing.
57.
De tweede reden waarom de zaak CITES hier van bijzonder belang is, is dat de rechtsgrondslag, waarvan de toepasselijkheid in de onderhavige zaak wordt betwist, ook in de zaak CITES werd vermeld. De Raad en de Commissie delen de opvatting dat het Hof in deze discussie ten minste impliciet heeft bevestigd dat deze rechtsgrondslag in gevallen als het onderhavige van toepassing is.
58.
Mijns inziens kan voor die opvatting geen steun worden gevonden in het arrest. Het Hof heeft er weliswaar op gewezen dat de ‘Raad een besluit heeft vastgesteld op grond van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG’54., maar hierbij ging het slechts om een beschrijving van de feiten55.. Nergens stelt het Hof dat de genoemde bepaling daadwerkelijk een geschikte rechtsgrondslag vormt voor de vaststelling van standpunten in internationale lichamen waarvan de Unie geen lid is.
59.
Ook de conclusie van advocaat-generaal Kokott bevat een dergelijke vaststelling niet. De advocaat-generaal betoogt juist dat de rechtsgrondslag van het besluit, die daarin niet is aangegeven, niet onmiskenbaar uit de handeling kan worden opgemaakt, ook omdat onduidelijk is of artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG van toepassing is op internationale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap geen partij is. Een systematische uitlegging zou tegen, een teleologische uitlegging juist vóór een dergelijke toepassing pleiten.56. De advocaat-generaal hoefde met betrekking tot de toepasselijkheid van de bepaling geen standpunt in te nemen en deed dat ook niet.
60.
In het arrest CITES heeft het Hof zich derhalve niet, ook niet impliciet, uitgesproken over een van de hier relevante vragen. De problematiek bleef onopgelost.
B — Analyse
1. Uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU
61.
Voor zijn standpunt voert Duitsland inhoudelijk twee argumenten aan: dat de uit te leggen bepaling uitgaat van de premisse dat de Unie zelf lid is van de betrokken internationale organisatie, wat in de onderhavige zaak niet het geval is, en dat de vaststelling van de standpunten die namens de Unie moeten worden ingenomen volgens de bepaling van een tweede voorwaarde afhangt, waaraan niet is voldaan, namelijk dat de internationale organisatie handelingen ‘met rechtsgevolgen’ vaststelt, dus handelingen die volkenrechtelijk bindend zijn, wat hier volgens Duitsland evenmin het geval is. Derhalve dient in de onderhavige zaak te worden onderzocht of de normatieve inhoud van artikel 218, lid 9, VWEU inderdaad vereist dat de Unie ten eerste lid is van de betrokken internationale organisatie en ten tweede dat de handelingen die het desbetreffende lichaam vaststelt, of ten minste enkele van deze handelingen, volkenrechtelijk bindend zijn.
a) Lidmaatschap
62.
Ik zal eerst nagaan of artikel 218, lid 9, VWEU ook kan worden toegepast bij de bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer de Unie zelf geen partij is bij de overeenkomst, maar alleen een aantal lidstaten.
63.
Artikel 218, lid 9, VWEU luidt volledig: ‘De Raad stelt, op voorstel van de Commissie of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, een besluit vast tot schorsing van de toepassing van een overeenkomst en tot bepaling van de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.’
64.
In één zin worden hiermee twee regelingen met elkaar verbonden die op het eerste gezicht uitgesproken verschillend zijn. Allereerst gaat de bepaling over het vaststellen van een besluit tot ‘schorsing van de toepassing van een overeenkomst’. Deze bepaling werd naar de algemeen heersende opvatting opgenomen als gevolg van het feit dat de door de Unie gesloten handels- en samenwerkingsovereenkomsten sinds de jaren negentig in toenemende mate mensenrechtenclausules bevatten die in het geval van mensenrechtenschendingen leiden tot opschorting of beëindiging van de overeenkomst.57. De bepaling schiep duidelijkheid met betrekking tot de hierbij toe te passen procedure en stelde de Unie in staat snel te handelen.58.
65.
Vervolgens bevat de bepaling een rechtsgrondslag voor de vaststelling van standpunten in internationale organisaties. Deze is het voorwerp van de onderhavige zaak.
i) Bewoordingen
66.
Uitgangspunt van een letterlijke lezing moet de vaststelling zijn dat de bepaling in eerste instantie algemeen van ‘overeenkomsten’59. spreekt, zonder daarbij een expliciet onderscheid te maken tussen gevallen waarin de Unie partij is bij zulke overeenkomsten en gevallen waarin dat niet zo is. Uit het ontbreken van dit onderscheid mag echter niet de voorbarige conclusie worden getrokken, zoals de Raad uiteindelijk voorstelt, dat waar de wet geen onderscheid maakt, ook de wetstoepasser geen onderscheid dient te maken.60.
67.
Allereerst moet namelijk in aanmerking worden genomen dat de bepaling hetzelfde woord ‘overeenkomst’ in één adem noemt met betrekking tot twee verschillende situaties: eerst wordt de ‘schorsing van de toepassing van een overeenkomst’, vervolgens de bepaling van standpunten voor een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam geregeld. In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat hetzelfde woord ook de dezelfde betekenis heeft. Het is duidelijk dat het in het eerste geval alleen kan gaan om overeenkomsten van de Unie. Bijgevolg moet het woord ‘overeenkomst’ ook in het tweede geval deze betekenis hebben, dat wil zeggen dat het ook hier om overeenkomsten van de Unie gaat.61.
68.
Minder overtuigend lijkt mij het door Duitsland aangevoerde argument dat gebaseerd is op de woorden ‘namens de Unie’. Duitsland stelt dat uit het feit dat de te bepalen standpunten ‘namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam’62. volgt dat de Unie lid van de organisatie moet zijn.63. Ik geloof echter om de hieronder genoemde redenen niet dat het gebruik van deze woorden automatisch impliceert dat de Unie zelf partij moet zijn bij de overeenkomst.
69.
Wanneer de Unie zelf partij is bij de overeenkomst, wanneer zij dus lid is van de internationale organisatie, heeft zij geen lidstaat als vertegenwoordiger nodig die namens haar spreekt, maar alleen een mandataris, precies zoals wordt bedoeld in een ander lid van het artikel.64. In de context van het onderhavige geval kan het begrip dus alleen in oneigenlijke of overdrachtelijke zin zijn bedoeld, namelijk in die zin dat de lidstaten in het belang van de Unie het Uniestandpunt uitdragen — ook zonder daarbij uitdrukkelijk in naam van een derde te handelen.
70.
In dit verband wijst de Raad er terecht op dat zelfs exclusieve externe bevoegdheden van de Unie vaak via de lidstaten moeten worden uitgeoefend, die in het belang van de Gemeenschap gezamenlijk optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de Unie om volkenrechtelijke redenen geen lid kan worden van een internationale organisatie.65. In een dergelijke situatie nemen de lidstaten het standpunt van de Unie in en zijn zij, zoals de Commissie heeft opgemerkt, verplicht zorg te dragen voor een effectieve vertolking van dat standpunt.
71.
Gelet op het voorgaande ben ik derhalve van mening dat het woord ‘overeenkomst’ op de wijze waarop het in artikel 218, lid 9, VWEU wordt gebruikt, betrekking heeft op overeenkomsten waarbij de Unie partij is.
ii) Systematiek
72.
Met betrekking tot de systematiek van de bepaling kunnen zowel uit de titel waarin de bepaling is opgenomen, als uit het artikel zelf conclusies worden getrokken.
73.
De uit te leggen bepaling maakt deel uit van titel V, ‘internationale overeenkomsten’, van het vijfde deel (extern optreden van de Unie) van het VWEU. Zoals blijkt uit de inleidende bepaling van de titel, artikel 216 VWEU over de bevoegdheid tot sluiting van overeenkomsten, behandelt de titel overeenkomsten van de Unie. Dat wordt bevestigd door de inhoud van de andere bepalingen van de titel.
74.
Ook artikel 218 zelf pleit voor een dergelijke systematische uitlegging. Artikel 218, lid 1, VWEU bepaalt namelijk dat — onverminderd artikel 207 — ‘bij het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties de volgende procedure [wordt] gevolgd’. Het nemen van een besluit tot bepaling van een standpunt in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam dat handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, is, zoals uit de historische kanttekeningen is gebleken, in de zin van het Verdrag een bijzondere vorm van het sluiten van een overeenkomst. Artikel 218, lid 1, VWEU beperkt de toepasselijkheid van lid 9 van de bepaling duidelijk tot overeenkomsten ‘tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties’.
75.
Deze uitlegging wordt gestaafd door het feit dat de bepaling uitdrukkelijk niet van toepassing is op handelingen ‘tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord’. Deze beperking van het toepassingsgebied van de bepaling is mijns inziens een duidelijk bewijs voor haar karakter als lex specialis voor de vaststelling van standpunten in internationale organisaties, die bedoeld was als een vereenvoudiging ten opzichte van de omslachtigere procedure voor het sluiten van overeenkomsten. Bij bijzonder belangrijke besluiten dient deze vereenvoudiging van de procedure, met name de beperking van de deelneming van het Parlement, niet te worden toegepast. Een lex specialis ter vereenvoudiging van de procedure voor het sluiten van overeenkomsten kan echter niet worden toegepast op overeenkomsten waarop de procedure van de Unie voor het sluiten van overeenkomsten toch al niet van toepassing is. Aangezien de procedure voor het sluiten van overeenkomsten geldt voor overeenkomsten van de Unie, kan ook de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU alleen voor overeenkomsten van de Unie gelden.
76.
De Raad en de Commissie brengen tegen dit argument in dat ook artikel 218, lid 11, VWEU van toepassing is op overeenkomsten van de lidstaten zonder dat de Unie erbij betrokken is, en dat derhalve niet alle bepalingen van artikel 218 VWEU alleen van toepassing zijn op overeenkomsten van de Unie.
77.
Inderdaad staat volgens vaste rechtspraak van het Hof de in artikel 218, lid 11, VWEU genoemde mogelijkheid om advies in te winnen over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Verdragen, ook open bij overeenkomsten die niet door de Unie zelf, maar door lidstaten worden gesloten.66. Het ging het Hof in die zaak echter met name om de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten inzake het sluiten van overeenkomsten67., niet om een algemene toetsing van overeenkomsten van de lidstaten. De genoemde rechtspraak heeft mijns inziens heel specifiek betrekking op de adviesprocedure en kan niet als argument worden aangevoerd voor de uitlegging van de andere bepalingen van artikel 218 VWEU, met name van het hier aan de orde zijnde lid.
78.
De systematische uitlegging pleit derhalve voor het standpunt van verzoekster.68.
iii) Teleologie
79.
In het kader van de teleologische uitlegging dient om te beginnen de strekking van de bepaling te worden vastgesteld. Die kan ten eerste worden gevonden door middel van een uitlegging van de context en samenhang, ten tweede met behulp van het doel dat de wetgever met de bepaling heeft nagestreefd, en ten slotte kan daarvoor de doelstelling van het Verdrag als geheel als uitgangspunt worden genomen.69.
80.
Allereerst werpt de ontstaansgeschiedenis van de bepaling een licht op het door haar beoogde doel: Dat men door het Verdrag van Maastricht was gedwongen terug te grijpen op de procedure voor het sluiten van overeenkomsten bij het bepalen van standpunten in internationale organisaties met het oog op besluiten die de Unie volkenrechtelijk binden, deed geen recht aan de realiteit. Het Verdrag van Amsterdam riep een vereenvoudigde procedure in het leven, die aanvankelijk alleen voor associatieraden werd toegepast, maar waarvan het toepassingsgebied later werd uitgebreid. Artikel 218, lid 9, VWEU moest in dat verband als lex specialis ten opzichte van de algemene procedure voor het sluiten van overeenkomsten fungeren voor de besluitvorming binnen de Unie in verband met de vaststelling van besluiten met rechtsgevolgen in internationale lichamen. De bepaling moet het dus — in de woorden van de Commissie in haar memorie in interventie — mogelijk maken ‘dat in het kader van internationale akkoorden handelingen kunnen worden vastgesteld die op het niveau van de EU aan een vereenvoudigde en daardoor snelle procedure kunnen worden onderworpen, zonder evenwel het institutionele evenwicht te verstoren’.
81.
Ondanks de uitbreiding van het toepassingsgebied van de bepaling in het Verdrag van Nice, die zich ook al gezien de minimale tekstwijzigingen niet diende uit te strekken tot overeenkomsten van de lidstaten, en ondanks de door het Verdrag van Lissabon aangebrachte wijzigingen laat de context zien dat met de bepaling nog steeds het oorspronkelijke doel wordt beoogd. Zij maakt namelijk tot op de dag van vandaag deel uit van het artikel dat gaat over het onderhandelen over en sluiten van overeenkomsten van de Unie, en blijft daardoor dus een lex specialis in het kader van de procedure voor het sluiten van overeenkomsten.
82.
De procedure voor het sluiten van overeenkomsten is echter een procedure voor het sluiten van overeenkomsten tussen de Unie en derde landen of internationale organisaties (artikel 218, lid 1, VWEU). Wanneer de procedure van artikel 218, lid 9, VWEU ten opzichte daarvan een lex specialis vormt, moet ook het toepassingsgebied van deze bepaling beperkt zijn tot overeenkomsten waarbij de Unie partij is.
iv) Tussenconclusie
83.
Uit het voorafgaande volgt dat artikel 218, lid 9, VWEU uitgaat van de veronderstelling dat de Unie partij moet zijn bij de overeenkomst krachtens welke het door de bepaling genoemde lichaam is opgericht.
b) Handelingen met rechtsgevolgen
84.
De vraag naar het belang van het criterium ‘met rechtsgevolgen’, de tweede vraag die de onderhavige zaak opwerpt, rijst tegen de achtergrond van twee bijzondere omstandigheden. Ten eerste bevatten de OIV-resoluties waarop het bestreden besluit betrekking had, aanbevelingen, die — wat niet ter discussie staat — in elk geval in de zin van het klassieke volkenrecht niet bindend zijn70., los van de vraag of resoluties van de OIV de Unie als niet-lid überhaupt zouden kunnen binden.71.
85.
In de tweede plaats — en ook dat wordt niet betwist — bevat het afgeleide recht van de Unie sinds 2008 dynamische verwijzingen naar precies deze OIV-resoluties. Zo gaat de Commissie bij de goedkeuring van oenologische procedés uit van de door de OIV aanbevolen procedés (artikel 120 septies van de integrale-GMO-verordening). Daarnaast zijn de analysemethoden waarmee de samenstelling van de wijnbouwproducten wordt bepaald, en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés, de analysemethoden en de voorschriften die door de OIV zijn aanbevolen en gepubliceerd (artikel 120 octies van de integrale-GMO-verordening), welke volgens artikel 15, lid 2, van verordening 606/2009 ook door de Commissie worden gepubliceerd. Ten derde zijn de door de OIV aanbevolen oenologische procedés ook direct van belang voor de invoer van wijn (artikel 158 bis, lid 2, van de integrale-GMO-verordening). Ten minste voor de twee laatstgenoemde gevallen geldt dat de resoluties van de OIV via de dynamische verwijzing in het Unierecht worden opgenomen in het afgeleide recht. De resoluties in kwestie betroffen ook volgens verzoekster methoden zoals bedoeld in de artikelen 120 septies, 120 octies en 158 bis, lid 2, van de integrale-GMO-verordening.
86.
De Bondsrepubliek Duitsland en de interveniënten aan haar zijde staan op het standpunt dat alleen volkenrechtelijk verbindende besluiten van een internationale organisatie als handelingen ‘met rechtsgevolgen’ kunnen worden aangemerkt.
87.
De Raad en de Commissie zijn daarentegen van oordeel dat ook besluiten van een internationale organisatie die via een dynamische verwijzing in het Unierecht zijn geïntegreerd, rechtsgevolgen in de zin van de bepaling hebben. Zij stellen voorts dat ook de zwakke volkenrechtelijke effecten van een niet-bindend besluit volstaan om te erkennen dat het besluit rechtsgevolgen heeft.
88.
Hieronder zal ik de bewoordingen, de systematiek en de teleologie van de bepaling analyseren, teneinde vast te stellen wat met het begrip ‘met rechtsgevolgen’ wordt bedoeld.
i) Bewoordingen
89.
Werpt men een eerste blik op de tekst van de bepaling, dan valt op dat het in de bepaling gebruikte begrip ‘met rechtsgevolgen’, zoals door de Commissie is gesteld, verschilt van het begrip ‘volkenrechtelijk bindend’. Dat is ook het geval in andere taalversies72., waarin de gebruikte begrippen kennelijk vooral duiden op juridische gevolgen van de handeling en daarbij in het midden laten van welke aard deze gevolgen moeten zijn.
90.
Wanneer men de tekst echter preciezer analyseert, blijkt dat de formulering van de bepaling pleit tegen de opvatting van de Raad, die is gebaseerd op dynamische verwijzingen in het Unierecht: de bepaling spreekt van handelingen met rechtsgevolgen die een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam ‘vaststelt’.73. Deze formulering van de bepaling verduidelijkt de nauwe relatie tussen de handeling van het lichaam en het resultaat van de handeling. Het lichaam zou volgens de formulering dus handelingen moeten vaststellen die ab origine ‘rechtsgevolgen’ hebben. De bepaling heeft daarmee geen betrekking op gevallen waarin handelingen zonder rechtsgevolgen als het ware pas achteraf door het interne recht van een verdragspartij (in ons geval de Unie) rechtskracht krijgen, ook als dit automatisch via een dynamische verwijzing geschiedt, maar veeleer op gevallen waarin handelingen deze eigenschap van meet af aan (en daarmee volgens de rechtsorde van het lichaam zelf, dus volkenrechtelijk) bezitten. Juist deze eigenschap van de onmiddellijke rechtskracht zal waarschijnlijk de reden zijn voor de noodzaak van het bepalen van een gemeenschappelijk standpunt. Doel van de bepaling is daarmee dat vanuit het lichaam gezien de Unie juridisch wordt gebonden.
ii) Systematiek
91.
Een systematische interpretatie biedt weinig duidelijkheid. Enerzijds bezigt artikel 216, lid 2, VWEU met betrekking tot internationale overeenkomsten de woorden ‘zijn verbindend’74., wat ervoor zou kunnen pleiten dat aan het begrip ‘Rechtswirksamkeit’ [‘rechtsgevolgen’] een andere betekenis moet worden toegekend. Anderzijds bevat de bepaling over het beroep tot nietigverklaring (artikel 263 VWEU) met het woord ‘Rechtswirkung’ [‘rechtsgevolgen’] een begrip dat lijkt op het begrip ‘Rechtswirksamkeit’, wat met name in de andere taalversies tot uitdrukking komt75., en dat verwijst naar de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke alleen maatregelen die ‘bindende rechtsgevolgen in het leven roepen’ vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring76., wat zou kunnen pleiten voor een hierbij aansluitende uitlegging van het begrip ‘Rechtswirksamkeit’ in de zin van ‘verbindendheid’ (in het onderhavige geval van volkenrechtelijke aard). Het feit ten slotte dat het Hof in ander verband betekenis heeft toegekend aan volkenrechtelijk niet-bindende handelingen77., staat geen conclusies toe voor de hier te beantwoorden uitleggingsvraag.
iii) Teleologie
92.
Zoals reeds is gezegd, is het doel van de bepaling om in het kader van de algemene procedure voor het sluiten van overeenkomsten een lex specialis in het leven te roepen voor de besluitvorming binnen de Unie in verband met het vaststellen van besluiten met rechtsgevolgen in internationale lichamen. Dit doel pleit naar mijn opvatting om twee redenen voor de uitlegging van ‘met rechtsgevolgen’ in de zin van ‘volkenrechtelijk bindend’.
93.
In de eerste plaats moeten kennelijk relevante van niet-relevante handelingen worden onderscheiden op basis van het effect van de handeling. De juridische gevolgen van een handeling rechtvaardigen bij handelingen met rechtsgevolgen een andere procedure voor de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt dan bij handelingen zonder rechtsgevolgen. Het onderscheid heeft daarmee betrekking op een kwaliteit die van meet af aan inherent is aan de handelingen zelf, namelijk het feit dat zij de Unie volkenrechtelijk binden. Volkenrechtelijk niet-bindende handelingen kunnen weliswaar op grond van een dynamische verwijzing in het Unierecht vanaf het moment van de vaststelling leiden tot rechtsgevolgen in het Unierecht, maar die berusten op de vrije wil van de Unie. Bij dergelijke rechtsgevolgen gaat het niet om een eigenschap van de handeling zelf.
94.
In de tweede plaats blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van de bepaling dat onder het Verdrag van Maastricht voor volkenrechtelijk verbindende besluiten moest worden teruggegrepen op de procedure voor het sluiten van overeenkomsten. Het begrip ‘volkenrechtelijk akkoord’ werd in dat verband ruim gedefinieerd, namelijk, zoals reeds is gezegd, als ‘elke door volkenrechtelijke subjecten aangegane verbintenis met verbindende kracht’78.. Het lijkt in die zin logisch wanneer de door het Verdrag van Amsterdam in het leven geroepen lex specialis bij deze procedure eveneens volkenrechtelijk verbindende besluiten beoogt.
95.
Een dergelijke uitlegging biedt ook de nodige mate aan rechtszekerheid bij de beslissing over de toepasselijkheid van artikel 218, lid 9, VWEU, in het belang van de bij de procedure betrokken instellingen. De door verweerder voorgestelde criteria zouden die zekerheid niet bieden.
96.
Wanneer, zoals de Raad stelt, de rechtskracht die via een dynamische verwijzing in het Unierecht is verkregen, zou volstaan voor de toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU, zou daarmee de toepassing van de procedure aan de beoordeling van de wetgever worden overgelaten. Invoering van een dynamische verwijzing zou tot toepassing van de bepaling leiden, maar als in plaats daarvan de desbetreffende internationale handelingen zonder meer in de Uniewetgeving zouden worden overgenomen, zou de toepassing van de bepaling weer worden uitgesloten. Een dergelijk criterium lijkt mij te willekeurig voor een beslissing over de toepassing van een zo belangrijke bepaling als een mogelijke procedurele rechtsgrondslag.79.
97.
Nog minder geschikt als criterium voor de toepassing van een procedurele rechtsgrondslag zijn de door de Raad en de Commissie genoemde volkenrechtelijke gevolgen van een niet-bindend besluit. Men zou geneigd kunnen zijn er in dat verband op te wijzen dat de rechtsleer de laatste jaren in toenemende mate onder de noemer ‘soft law’ ook handelingen als volkenrechtelijke rechtsbronnen wil aanmerken die juridisch weliswaar niet bindend zijn, maar door verwijzingen, door het feit dat ze voor de uitlegging van bindend recht worden aangevoerd of door hun feitelijke doelmatigheid toch een zekere relevantie bezitten.80.
98.
Om deze zekere relevantie in het onderhavige geval, dus voor de betrokken OIV-resoluties, te illustreren, heeft de Raad er terecht op gewezen dat deze resoluties als internationale technische normen vallen onder de artikelen 2.4 en 2.5 van het TBT-verdrag van de Wereldhandelsorganisatie.81. Een staat die technische voorschriften vaststelt die in overeenstemming zijn met deze normen, geniet voordelen voor het geval dat juist deze technische voorschriften in de Wereldhandelsorganisatie worden aangevochten: binnenlandse technische voorschriften die in overeenstemming zijn met de desbetreffende internationale normen worden geacht, tot het bewijs van het tegendeel is bewezen, geen onnodige belemmering voor het internationale handelsverkeer te vormen.82. Mijns inziens gaat het bij ‘soft law’ echter noch om een juridisch relevante noch om een duidelijk af te bakenen categorie handelingen. Derhalve is zij niet geschikt als criterium voor de toepassing van een procedurele rechtsgrondslag.
iv) Tussenconclusie
99.
Het begrip ‘rechtsgevolgen’ in artikel 218, lid 9, VWEU doelt op het volkenrechtelijk bindende karakter van de handeling.
c) Samenvatting van de uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU
100.
In beginsel blijkt dus dat artikel 218, lid 9, VWEU, gelet op de bewoordingen, de systematiek, het doel en de strekking ervan, niet geschikt is voor toepassing op gevallen als het onderhavige. Met deze conclusie kan de analyse van het onderhavige geval echter niet worden afgesloten.
2. Analoge toepassing
101.
De Raad en de Commissie hebben namelijk argumenten aangevoerd die eventueel een analoge toepassing van de bepaling zouden kunnen rechtvaardigen, ondanks het feit dat niet is voldaan aan de twee hier getoetste voorwaarden voor toepasselijkheid van de bepaling. Naar hun oordeel moet artikel 218, lid 9, VWEU worden toegepast zodra de handeling van een krachtens een internationale overeenkomst opgericht lichaam onder de bevoegdheid van de Unie valt, met name wanneer het een exclusieve bevoegdheid van de Unie betreft.83. Alleen zo zou het vermogen van de Unie en haar lidstaten om in de bevoegdheidssfeer van de Unie op te treden, gewaarborgd kunnen worden.
102.
De noodzaak van analoge toepassing van de bepaling zou hier dus kunnen voortvloeien uit het feit dat de Verdragen in een situatie waarin een internationale organisatie waarvan de Unie geen lid is met een handeling (zonder rechtsgevolgen) in de bevoegdheidssfeer van de Unie treedt, onbedoeld geen interne procedure bieden die de Unie kan toepassen om een doelmatige uitoefening van haar externe bevoegdheden door de lidstaten te waarborgen, alsook uit het feit dat de situatie vergelijkbaar is met die van gevallen waarop artikel 218, lid 9, VWEU normaal gesproken van toepassing is.
103.
De analogie maakt deel uit van het instrumentarium van het Unierecht.84. Zij veronderstelt naast het bestaan van een niet-gewilde lacune in de regeling85. ook de vergelijkbaarheid van de onderzochte en de bedoelde situatie. De striktheid waarmee deze voorwaarden worden getoetst hangt daarbij af van de materie waarbinnen een analoge toepassing wordt overwogen. Zo is in het strafrecht een analogie zonder meer uitgesloten.86. Op het gebied van de materiële bevoegdheden van de Unie is een analogie, gelet op het beginsel van de bevoegdheidstoedeling, uitgesproken problematisch.87. Op andere gebieden echter, zoals in het afgeleid recht op het gebied van verplaatsing en verblijf, kan een redenering naar analogie voor de hand liggen.88.
104.
Wat de onderhavige zaak betreft, dient eerst te worden opgemerkt dat op het gebied van de procedurele rechtsgrondslagen, waartoe deze zaak moet worden gerekend, een analogie weliswaar niet is uitgesloten, maar dat de voorwaarden, gelet op de in acht te nemen bevoegdheden van de instellingen van de Unie, zorgvuldig moeten worden getoetst. Voorts pleit het tegen een analogie wanneer een regel als lex specialis voor een specifiek geval in het leven werd geroepen.89. In beginsel vereist het teruggrijpen op een analogie derhalve dat de redenen die toepassing ervan zouden kunnen rechtvaardigen, zorgvuldig worden afgewogen.
a) Onderscheid tussen twee soorten situaties
105.
De Verdragen gaan van de premisse uit dat bevoegdheden van de Unie door instellingen van de Unie worden uitgeoefend.90. Wanneer een internationale organisatie actief wordt in de bevoegdheidssfeer van de Unie, lijkt de logica van het systeem in eerste instantie te gebieden dat de Unie als lid van de organisatie zelf actief wordt. In veel gevallen is de Unie echter geen lid van de organisatie.
106.
In dit verband moeten mijns inziens voor de oplossing van de onderhavige zaak twee soorten situaties worden onderscheiden. Zo zijn er ten eerste situaties waarin de Unie om volkenrechtelijke redenen geen lid van een internationale organisatie kan worden. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de internationale organisatie het lidmaatschap van supranationale organisaties niet toestaat dan wel wanneer het verzoek van de Unie om toe te treden tot de organisatie — om welke reden dan ook — werd afgewezen. In een dergelijk geval wordt volgens de rechtspraak van het Hof de externe bevoegdheid van de Unie uitgeoefend via de lidstaten, die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.91.
107.
De situatie is anders wanneer het lidmaatschap van de betrokken internationale organisatie openstaat voor de Unie en een verzoek tot toetreding tot nu toe niet werd afgewezen. In een dergelijk geval vormt de toetreding van de Unie de natuurlijkste weg naar een doelmatige uitoefening van de bevoegdheden van de Unie.
108.
De onderhavige zaak moet bij deze tweede categorie worden ingedeeld. De OIV staat in het verdrag van 3 april 2001 volgens artikel 8 uitdrukkelijk de toetreding toe van ‘internationale intergouvernementele organisatie[s]’ en daarmee ook van de Unie. De Commissie heeft dienovereenkomstig in 2008, met een beroep op de dynamische verwijzingen naar OIV-resoluties die kort daarvoor in het Unierecht waren opgenomen92., een aanbeveling gedaan om haar te machtigen onderhandelingen te voeren over toetreding, maar deze machtiging werd om redenen die met de Unie zelf te maken hadden — namelijk het ontbreken van de vereiste meerderheid in de Raad — niet verleend.
109.
In deze omstandigheden zal ik hieronder mijn overwegingen aangaande de kwestie van de analoge toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU beperken tot de tweede soort situaties. Ik zal dus buiten beschouwing laten in hoeverre een analogie met de bepaling gerechtvaardigd zou zijn bij overeenkomsten waarvan de inhoud binnen de bevoegdheidssfeer van de Unie valt, maar waarbij de Unie door de aard van de internationale overeenkomst ‘nog geen’ partij kan zijn.93.
b) Analoge toepassing in het kader van de aan de orde zijnde categorie
110.
Mijns inziens moet in dit verband analoge toepassing van de bepaling van de hand worden gewezen.
111.
In de eerste plaats zou de door verweerster voorgestelde uitlegging van artikel 218, lid 9, VWEU nagenoeg een terugkeer betekenen naar artikel 116 EEG. Deze bepaling werd echter bewust afgeschaft en niet opnieuw ingevoerd — bovendien had zij betrekking op een totaal andere context. De kennelijke bedoeling van de opstellers van de Verdragen zou daarmee worden genegeerd.
112.
In de tweede plaats zou een dergelijke analoge toepassing twee belangrijke ontwikkelingen in het recht negeren. Ten eerste valt het werkterrein van steeds meer internationale organisaties in de bevoegdheidssfeer van de Unie. Ten tweede, en belangrijker nog, werden en worden de volkenrechtelijke belemmeringen voor een lidmaatschap van de Unie van internationale organisaties in toenemende mate weggenomen. Uitgangspunt bij de uitoefening van exclusieve bevoegdheden van de Unie moet zijn dat de Unie toetreedt tot de internationale organisatie. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn de instellingen van de Unie en de lidstaten op het terrein van de exclusieve bevoegdheden van de Unie verplicht alle juridische en politieke middelen aan te wenden teneinde de aansluiting van de Unie bij overeenkomsten te verzekeren.94. Zou men de opvatting van de Raad echter volgen, dan zou de Unie voortaan telkens zelf kunnen bepalen of zij wil toetreden tot een internationale organisatie dan wel of zij zonder toetreding standpunten op dezelfde wijze wil vaststellen als na toetreding het geval zou zijn. Wanneer men namelijk de opvatting van de Raad ten aanzien van de effecten van dynamische verwijzingen zou volgen, zou de Unie door het opnemen van een dergelijke verwijzing de toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU zelf teweegbrengen en op die wijze kunnen afzien van toetreding tot de internationale organisatie.
113.
Ten slotte zou de analoge toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU in het onderhavige geval de bevoegdheden van het Europees Parlement omzeilen. Artikel 218 VWEU bepaalt in beginsel dat het Parlement bij het sluiten van een overeenkomst moet worden betrokken. Dit is zowel van toepassing bij toetreding van de Unie tot een internationale organisatie als, overeenkomstig het hierboven gestelde, bij de vaststelling van een besluit met rechtsgevolgen in internationale organisaties. In het kader van artikel 218, lid 9, VWEU is de rol van het Parlement echter beperkt tot de regel dat het onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd. De uitbreiding van artikel 218, lid 9, VWEU tot overeenkomsten tussen de lidstaten perkt de rechten van het Parlement om deel te nemen aan de procedure aanzienlijk in. De keuze van de juiste rechtsgrondslag dient echter met name ook de bescherming van de prerogatieven van de betrokken gemeenschapsinstellingen.95.
114.
Een zorgvuldige afweging van de argumenten die voor en tegen een analoge toepassing van artikel 218, lid 9, VWEU pleiten, biedt derhalve geen steun voor de analoge toepassing.
C — Samenvatting
115.
Artikel 218, lid 9, VWEU biedt bijgevolg geen geschikte rechtsgrondslag voor het besluit dat in deze zaak ter discussie staat. In het licht van mijn bovenstaande opmerkingen gaat het hierbij ook niet om een zuiver formeel gebrek.96. Het bestreden besluit moet nietig worden verklaard.
D — Aanvullende grieven
116.
Gelet op mijn standpunt spreek ik mij niet uit over de door de interveniënten aangevoerde aanvullende grieven — ook niet over de ontvankelijkheid ervan —, waaronder met name de door Nederland bekritiseerde onvoldoende motivering van het bestreden besluit en de door Hongarije aangevoerde grief betreffende de ontbrekende betrokkenheid van het Parlement.
E — Beperking van de gevolgen van de nietigverklaring
117.
De Raad heeft in geval van nietigverklaring van het besluit verzocht om handhaving van de gevolgen ervan. Verzoekster heeft zich tegen dit verzoek verzet.
118.
Volgens artikel 264 VWEU bepaalt het Hof, zo het dit nodig oordeelt, welke gevolgen van de vernietigde handeling als definitief moeten worden beschouwd.
119.
Door middel van het bestreden besluit werd een standpunt van de Unie bepaald dat door de lidstaten van de Unie die lid zijn van de OIV moest worden of werd ingenomen. In dat opzicht lijkt de situatie op die waarin het Hof in de zaak CITES de gevolgen van het bestreden besluit heeft gehandhaafd.97.
120.
Het onderhavige geval verschilt echter al in die zin van de zaak CITES dat verzoekster in de laatstgenoemde zaak tegen het verzoek tot handhaving geen verweer heeft gevoerd. In het onderhavige geval heeft verzoekster verweer gevoerd met het argument van mogelijke consequenties in het kader van niet-nakomingsprocedures.
121.
Zoals de Slowaakse regering terecht heeft opgemerkt, is in het onderhavige geval niet in te zien wiens rechtszekerheid door de nietigverklaring in gevaar zou worden gebracht. De betrokken OIV-resoluties werden aangenomen en de werking ervan wordt door het wegvallen van het besluit niet aangetast. Mijns inziens moet derhalve het subsidiaire verzoek niet worden toegewezen.
F — Kosten
122.
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien in de door mij voorgestelde oplossing verzoekster in het gelijk wordt gesteld, dient de Raad te worden verwezen in de kosten, zoals zij heeft gevorderd. De interveniënten dragen overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten.
V — Conclusie
123.
Om de hierboven genoemde redenen geef ik het Hof in overweging te oordelen als volgt:
- 1)
Het besluit van de Raad van 19 juni 2012 tot vaststelling van een standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van bepaalde resoluties van de OIV, wordt nietig verklaard.
- 2)
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.
- 3)
De Tsjechische Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Slowaakse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie dragen hun eigen kosten.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑04‑2014
Oorspronkelijke taal: Duits.
Hoffmeister, F., Outsider or Frontrunner? Recent Developments under International and European Law on the Status of the European Union in International Organizations and Treaty Bodies, CMLR 44 (2007), 41, 68.
BGBl. II 2002, 2733 [Trb. 2001, 194]. Volgens artikel 19 van het verdrag zijn de Engelse, de Franse en de Spaanse tekst van het verdrag gelijkelijk authentiek.
Overeenkomst houdende instelling, te Parijs, van een Internationaal Wijnbureau, 29 november 1924. Een vertaling in het Duits is bijvoorbeeld te vinden in het Bundesgesetzblatt für die Republik Österreich 1930, 241. De naam ‘Internationaal Bureau voor de wijnbouw’ voerde de organisatie sinds 4 september 1958.
Volgens de voorloper van de OIV konden kennelijk alleen staten lid worden. Artikel 6 van de overeenkomst houdende instelling, te Parijs, van een Internationaal Wijnbureau bepaalde immers: ‘Ieder land dat deze overeenkomst niet heeft ondertekend, kan toetreden […]’.
Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999 (PB L 148, blz. 1).
Duitsland stelde ter terechtzitting dat de resoluties van de OIV en haar voorloper vanaf 1971 voor de Gemeenschap als referentiepunt dienden. De OIV werd ook vóór 2008 in relevante handelingen genoemd, bijvoorbeeld in punt 4 van de considerans van verordening (EG) nr. 2165/2005 van de Raad van 20 december 2005 (PB L 345, blz. 1) en in punt 1 van de considerans van verordening (EG) nr. 1507/2006 van de Commissie van 11 oktober 2006 (PB L 280, blz. 9). Zie ook punt 2 van de considerans van verordening (EG) nr. 519/2007 van de Raad van 7 mei 2007 (PB L 123, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PB L 154, blz. 1).
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PB L 299, blz. 1), herhaaldelijk gewijzigd. Zie punt 3 van de considerans van verordening 491/2009.
Verordening (EG) nr. 606/2009 van de Commissie van 10 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad, wat betreft de wijncategorieën, de oenologische procedés en de daarvoor geldende beperkingen (PB 193, blz. 1).
Hier weergegeven zonder de voetnoten die de aangehaalde tekst bevat.
Cursivering in het origineel.
Document van de Raad nr. 11436/12.
Ter terechtzitting onderscheidde Duitsland in dit verband twee vragen: of de Unie lid van de OIV moet zijn om het voorschrift te kunnen toepassen, en of resoluties in de OIV ‘namens de Unie’ kunnen worden aangenomen. Mijns inziens gaat het bij de tweede vraag slechts om een aspect van de eerste vraag.
Verzoekster onderschrijft deze grief uitdrukkelijk.
De Raad deelde deze redenering.
De interveniënten aan de zijde van Duitsland hebben aanvullende grieven aangevoerd, die deels door Duitsland worden onderschreven.
Arrest Commissie/Raad (‘CITES’, C-370/07, EU:C:2009:590). CITES is de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, Washington, 3 maart 1973, UNTS 993, blz. 243.
De doelstellingen en taken van de OIV zijn genoemd in de artikelen 1 en 2 van het verdrag.
Zie artikel 5, leden 1 en 3, van het verdrag. Uitzonderingen op de regel van besluitvorming bij consensus zijn mogelijk, maar kunnen worden geblokkeerd wanneer fundamentele nationale belangen dreigen te worden aangetast. De procedure van voorbereiding van resoluties wordt beschreven in hoofdstuk 5 van het reglement van orde van de OIV.
Stand per 19 juni 2012. Momenteel zijn 21 van de 45 lidstaten van de OIV lid van de Unie: België, Bulgarije, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Kroatië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Zweden, Slowakije, Slovenië, Spanje, Tsjechische Republiek, Hongarije en Cyprus.
Artikelen 3 en 4 van het reglement van orde van de OIV.
Overeenkomstig artikel 5, leden 2 en 3, van het reglement van orde van de OIV met toestemming van het uitvoerend comité. Definities van beide begrippen staan in bijlage 2 van het reglement van orde van de OIV.
Artikelen 30, sub a, 31 en 82, lid 2, van de verordening, thans artikelen 120 septies, sub a, 120 octies en 158 bis, lid 2, van de integrale-GMO-verordening. De OIV wordt ook al in eerdere handelingen vermeld, zie voetnoot 7.
COM(2008) 577 definitief.
De Commissie noemde hiervoor ter terechtzitting twee redenen: ten eerste zou het lidmaatschap van de Unie vanwege het daaraan gekoppelde stemgewicht het evenwicht binnen de OIV kunnen verstoren en ten tweede wilden de lidstaten een autonome positie blijven innemen.
Procedure nr. 2011/2121. De procedures werden volgens een mededeling van de Commissie ter terechtzitting opgeschort teneinde de beslissing in de onderhavige zaak af te wachten.
COM(2012) 192 final. Tussen de negende en de tiende algemene vergadering van de OIV in had de organisatie twee buitengewone algemene vergaderingen gehouden. Voor de eerste van deze vergaderingen was een ontwerpbesluit op basis van artikel 218, lid 9, VWEU ingediend, dat echter niet werd aangenomen. De door de OIV aangenomen resoluties werden echter niet relevant geacht voor het acquis van de Unie. Voor de tweede vergadering kon wegens tijdgebrek geen ontwerpbesluit worden ingediend en geen afstemming in het kader van de Unie plaatsvinden.
Duitsland en de Tsjechische Republiek stellen dat de Commissie had aangekondigd de niet-nakomingsprocedures niet te zullen voortzetten als de lidstaten met het besluit zouden instemmen. De Commissie erkende ter terechtzitting dat de meerderheid onder druk van de niet-nakomingsprocedure tot stand was gekomen.
Raadsdocument 11436/12.
De verklaring van Roemenië noemt de bepaling niet, maar stelt dat het stemgedrag van Roemenië niet als precedent voor vergelijkbare gevallen mag worden uitgelegd en dat Commissie en lidstaten de verdeling van de bevoegdheden moeten verduidelijken.
Andere ontwerpresoluties waren daarentegen het voorwerp van informele coördinatie in de voorbereidende instanties van de Raad overeenkomstig de plicht tot loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VEU).
Resolutie OENO-SPECIF 10-452 werd volgens de uiteenzettingen van de Raad conform een besluit van de bevoegde technische commissie niet op de algemene vergadering in stemming gebracht.
Advies 1/78 (EU:C:1979:224, punt 50). Cursivering van mij.
Zie met betrekking tot het volkenrechtelijke aspect Kuijper, P., e.a. (red.), The Law of EU External Relations, Oxford, OUP, 2013, blz. 201. Over de thematiek in het algemeen: Eeckhout, P., EU External Relations Law, Oxford, OUP, 2e druk, 2012, blz. 222–231.
Arrest Commissie/Raad (‘AETR’, 22/70, EU:C:1971:32, punten 76 en 77).
Arrest Kramer e.a. (3/76, 4/76 en 6/76, EU:C:1976:114, punten 42 en 43); zie in dit verband Constantinesco, V., e.a. (red.), Traité instituant la CEE, Paris, Economica, 1992, Article 116, punten 6 en 16.
Bekritiseerd werd bijvoorbeeld dat de Gemeenschap volgens de bepaling met meerderheid van stemmen besluiten kon nemen die de Raad intern slechts unaniem had kunnen nemen, en dat besluiten konden worden genomen op terreinen die tot het exclusieve domein van de lidstaten behoorden. CONF/3870/96
Artikel J.2, lid 3, VEU, thans artikel 34, lid 1, VEU, met een verplichting om de standpunten van de Unie te verdedigen, waarbij ‘standpunt’ niet in strikte zin moet worden opgevat. Zie in dit verband Geiger, R., in: Geiger, R., e.a. (red.), EUV/AEUV, München, C.H. Beck, 5e druk, 2010, Art. 34 VEU, punt 1.
Sack, J., Les relations extérieures de l'Union européenne sous l'angle institutionnel, Revue des affaires européennes 2001–2002, 29, 33.
Advies 1/78 (EU:C:1979:224, punt 51), zie ook advies 1/75 (EU:C:1975:145).
Het besluit voorzag uitdrukkelijk in de mogelijkheid van toetreding van de Gemeenschap, artikel 7 van het derde herziene besluit van de Raad van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling betreffende de nationale behandeling.
Advies 2/92 (EU:C:1995:83, punt 8).
Zie ook Vedder, C., Die auswärtige Gewalt des Europa der Neun, Göttingen, Otto Schwartz&Co., 1980, blz. 155–157.
Sack, J., The European Community's Membership of International Organizations, CMLR 32 (1995), 1227, 1252; Schmalenbach, K., in: Calliess, C., en Ruffert, M., (red.), Kommentar zu EU-Vertrag und EG-Vertrag, Neuwied, Luchterhand, 1999, artikel 300, punt 49.
Zie met betrekking tot deze overeenkomsten en de bevoegdheid van de Gemeenschap om lid te worden van een internationale organisatie, advies 1/76 (EU:C:1977:63, punt 5), advies 1/94 (EU:C:1994:384) en Hillion, C., en Koutrakos, P., (red.), Mixed Agreements Revisited, Oxford, Hart, 2010.
CONF/3870/96, met name blz. 5. Al vroeg waren er in dat verband met het oog op grondstoffenovereenkomsten en de FAO niet-gepubliceerde afspraken tussen de Raad en de Commissie tot stand gekomen. Sack, J., Die Europäische Gemeinschaft als Mitglied Internationaler Organisationen, in: Randelzhofer, A., e.a. (red.), Gedächtnisschrift für Eberhard Grabitz, München, C.H.Beck, 1995, blz. 655–659.
CONF/3822/96; CONF/3870/96.
Arresten Sevince (C-192/89, EU:C:1990:322, punt 9) en Griekenland/Commissie (30/88, EU:C:1989:422, punt 13).
Schmalenbach, K., in: Calliess, C., en Ruffert, M., (red.), Kommentar zu EU-Vertrag und EG-Vertrag, Neuwied, Luchterhand, 1999, artikel 300, punt 45.
De bepaling gold nu ook voor andere, bijvoorbeeld uit hoofde van samenwerkingsovereenkomsten opgerichte lichamen. Conference of the Representatives of the Governments of the Member States, The Legal Adviser, document SN 2705/00 van 10 mei 2000. Vgl. Rehulka, in: Mayer, H., en Stöger, K., Kommentar zu EUV und AEUV, Wien, Manzsche Verlags- und Universitätsbuchhandlung, 2011, artikel 218 VWEU, punt 3; Terhechte in: Schwarze, J., (red.), EU-Kommentar, Baden-Baden, Nomos, 2e druk, 2009, artikel 218 VWEU, punten 11–14.
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punten 19, 58 en 59).
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punten 43, 45, 61 en 62).
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punt 51).
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punt 59).
Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak ‘CITES’ (C-370/07, EU:C:2009:249, punten 75–77).
Zie de artikelen 57 en 60 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Brandtner, B., en Rosas, A., Human Rights and the External Relations of the European Community, EJIL 9 (1998), 468; Bartels, L., Human Rights Conditionality in the EU's International Agreements, Oxford, OUP, 2005; vgl. COM(95) 216 final.
In dit verband eensluidend: Zagel, G., in: Smit, H., e.a. (red.), Smit & Herzog on the Law of the European Union, Danvers, LexisNexis, 2013, Article 218.04[3][c]; Schmalenbach, K., in: Calliess, C., en Ruffert, M., (red.), EUV/AEUV, München, C.H. Beck, 4e druk, 2011, artikel 218, punten 23 en 24.
Het begrip ‘overeenkomst’ is in de plaats gekomen van het begrip ‘akkoord’, dat in de voorloper van deze bepaling, artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG, werd gebruikt. Dat houdt echter geen inhoudelijke wijziging in. Het begrip verwijst nog steeds naar ‘elke door volkenrechtelijke subjecten aangegane verbintenis met verbindende kracht, ongeacht de formele kwalificatie ervan’. Vgl. advies 1/75 (EU:C:1975:145), zie ook advies 2/92 (‘OECD’, EU:C:1995:83, punt 8) en arrest Frankrijk/Commissie (C-233/02, EU:C:2004:173, punt 45).
Conform het beginsel Ubi lex non distinguit, nec nos distinguere debemus (glosse pretium bij Dig. 6.2.8). Even onjuist acht ik het argument van de Raad dat bij een duidelijke grammaticale uitlegging en het ontbreken van afwijkende bewoordingen in andere taalversies niet meer op andere uitleggingsmethoden hoeft te worden teruggegrepen. Het Hof heeft uitdrukkelijk vastgesteld dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht ‘niet alleen rekening [moet] worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt’. Arresten Sturgeon e.a. (C-402/07 en C-432/07, EU:C:2009:716, punt 41), SGAE (C-306/05, EU:C:2006:764, punt 34) en Wendelboe e.a. (19/83, EU:C:1985:54, punten 13–15).
Per saldo ook Lorenzmeier, S., in: Grabitz, E., e.a. (red.), Das Recht der Europäischen Union, München, C.H. Beck, supplement 51, 2013, artikel 218, punt 8. Met betrekking tot het gebruik van het begrip in artikel 218, lid 11, VWEU verwijs ik naar mijn uiteenzetting over de systematische uitlegging van de bepaling.
Cursivering van mij.
Duitsland stelde dat een verklaring ‘namens’ een niet-lid van een internationale organisatie niet is toegestaan en dat de lidstaten van de OIV die niet tot de Unie behoren het voorleggen van standpunten ‘namens de Unie’ afwijzen, en dat het ook niet door het presidium wordt geaccepteerd.
Artikel 218, lid 7, VWEU gebruikt de woorden ‘namens de Unie’ in de zin van de vertegenwoordiging door een mandataris: ‘Bij de sluiting van een overeenkomst kan de Raad […] de onderhandelaar machtigen om de wijzigingen die krachtens de overeenkomst […] worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren’. Cursivering van mij.
Advies 2/91 (EU:C:1993:106, punt 5) en arrest Commissie/Griekenland (C-45/07, EU:C:2009:81, punt 31). Zie voetnoot 91.
Advies 2/91 (EU:C:1993:106, punt 5).
Advies 2/91 (EU:C:1993:106,punten 3 en 4).
Zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak ‘CITES’ (EU:C:2009:249, punt 75).
Fundamenteel: Simon, D., L'Interprétation judiciaire des traités d'organisations internationales, Paris, Pedone, 1981, blz. 391–398. Zie ook Lecourt, R., L'Europe des juges, Bruxelles, Bruylant, 1976, blz. 235–247.
De OIV ziet weliswaar toe op de uitvoering van de aanbevelingen (artikel 2, lid 2, sub b, van het verdrag), maar dit is geen toezicht op een dwingende implementatie.
Zie in dit verband arresten Intertanko e.a. (C-308/06, EU:C:2008:312, punten 47–50) en Air Transport Association of America e.a. (C-366/10, EU:C:2011:864, punten 52, 60–71).
‘when that body is called upon to adopt acts having legal effects’ in het Engels, ‘lorsque cette instance est appelée à adopter des actes ayant des effets juridiques’ in het Frans, ‘cuando dicho organismo deba adoptar actos que surtan efectos jurídicos’ in het Spaans en ‘se tale organo deve adottare atti che hanno effetti giuridici’ in het Italiaans.
Zie voor de andere taalversies voetnoot 72.
In de Engelse versie: ‘binding’, in de Franse versie: ‘lient’, in de Spaanse versie: ‘vincularán’, in de Italiaanse versie: ‘vincolano’.
In het Duits luidt de desbetreffende tekst: ‘mit Rechtswirkung gegenüber Dritten’, in de Engelse versie: ‘intended to produce legal effects vis-à-vis third parties’ (cursivering in het origineel), in het Frans: ‘destinés à produre des effets juridiques à l'egard des tiers’, in het Spaans: ‘destinados a producir efectos jurídicos frente a terceros’, in het Italiaans: ‘destinati a produrre effetti giuridici nei confronti di terzi’.
Arresten Eurocoton e.a./Raad (C-76/01 P, EU:C:2003:511, punt 54), Nederland/Commissie (C-147/96, EU:C:2000:35, punt 25), Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166, punten 24–27), IBM/Commissie (60/81, EU:C:1981:213, punt 9) en ‘AETR’ (EU:C:1971:32, punten 38–55). Zie ook arrest Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:21, punt 56).
In dezelfde zin in de arresten Deutsche Shell (C-188/91, EU:C:1992:393, punten 16–18) en Commissie/Griekenland (EU:C:2008:642, punten 19–23).
Zie voetnoot 59.
Evenals de Raad ben ik echter van mening dat het hierbij niet gaat om uitbreiding van de materiële bevoegdheden van de Unie versus het beginsel van bevoegdheidstoedeling.
Zie Dupuy, P.-M., Droit international public, Paris, Dalloz, 10e druk, 2010, blz. 433; Malanczuk, P., Akehurst's Modern Introduction to International Law, Londen, Routledge, 7e druk, 1997, blz. 54.
Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (‘TBT-verdrag’), bijlage 1A van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (PB L 366 van 1994, blz. 86–99), door de Raad goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 (PB L 336, blz. 1).
Zie in dit verband Tamiotti, L., Art. 2 TBT Agreement, in: Wolfrum, R. e.a. (red.), Max Planck Commentaries on World Trade Law: Technical Barriers and SPS Measures, Leiden, Brill, 2007, blz. 226.
Ik hoef hier niet te beoordelen of er in de onderhavige zaak daadwerkelijk sprake is van een exclusieve materiële bevoegdheid van de Unie.
Zie recent arrest O (C-456/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50); zie ook arresten Ziebell (voorheen Örnek) (C-371/08, EU:C:2011:809, punt 58) en Winner Wetten (C-409/06, EU:C:2010:503, punt 64).
Conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Sapir e.a. (C-645/11, EU:C:2012:757, punt 118), conclusie van advocaat-generaal Alber in de zaak Raad/Busacca e.a. (C-434/98 P, EU:C:2000:298, punt 26).
Artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 7 EVRM, EHRM, K.A. en A.D. v. België, nr. 42758/98 en 45558/99, 17 februari 2005, punt 51.
Zie arresten Eind (C-291/05, EU:C:2007:771, punten 43 en 45) en O (C-456/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50).
Arrest Haneberg (C-28/91, EU:C:1992:285, punten 21–25).
Schmalenbach, K., in: Calliess, C. en Ruffert, M., Kommentar zu EU-Vertrag und EG-Vertrag, Neuwied, Luchterhand, 2e druk, 2002, artikel 300, punt 74.
Advies 2/91 (EU:C:1993:106, punt 5); arrest Commissie/Griekenland (EU:C:2009:81, punt 31), conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Griekenland (C-45/07, EU:C:2008:642, punt 47). In ruimere zin: arrest AETR (EU:C:1971:32, punten 81–90) (met betrekking tot wijzigingen in de bevoegdheden van de Gemeenschap), conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak Commissie/Duitsland (C-433/03, EU:C:2005/153, punt 87). Vgl. Algemeen, Cremona, M., Member States as Trustees of the Community Interest: Participating in International Agreements on Behalf of the European Community, EUI Working Papers 2009/17.
Punt 34 van deze conclusie.
Over deze kwestie in het kader van een teleologische uitlegging conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak ‘CITES’ (EU:C:2009:249, punt 76). Voor een analoge toepassing van de bepaling: Lorenzmeier, S. in Grabitz, E. e.a. (red.), Das Recht der Europäischen Union, München, C.H. Beck, supplement 51, 2013, artikel 218, punt 64–66.
Arrest Kramer e.a. (EU:C:1976:114, punten 44 en 45). Vgl. Hoffmeister, aangehaald in voetnoot 2, blz 59.
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punt 48).
Zie arrest Commissie/Raad (165/87, EU:C:1988:458, punt 19).
Arrest ‘CITES’ (EU:C:2009:590, punten 63–66).