Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/12.1:12.1 Inleiding
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/12.1
12.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197323:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 februari 1995, nr. 15375/89 (Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH v. the Netherlands), BNB 1995/262 m.nt. Feteris, par. 60.
EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98 (Ferrazzini v. Italy), EHRC 2001/57 m.nt. Heringa.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de invordering van belasting binnen de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol valt, volgt uit de tekst van artikel 1 Eerste Protocol. De tweede alinea van deze bepaling bevat immers het voorbehoud “to secure the payment of taxes”. Omdat het in invorderingskwesties per definitie gaat om een bedrag dat moet worden betaald aan de fiscus, lijkt de aantasting van eigendom in dat soort gevallen een gegeven. Als een belastingschuldige meent dat door de invorderingsmaatregel inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht, komt het bij de beoordeling of artikel 1 Eerste Protocol is geschonden uitsluitend aan op de vragen of het handelen van de belastingautoriteiten (i) een wettelijke grondslag heeft, (ii) een legitieme doelstelling in het algemeen belang dient en (iii) proportioneel is. Evenals in zaken over de heffing van belastingen, komt in invorderingszaken een wide margin of appreciation toe aan de staat.1
Het is niet helemaal duidelijk of invorderingszaken – anders dan zaken over de heffing van belasting – binnen de reikwijdte van artikel 6 EVRM (fair hearing bij strafvervolging en vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen) vallen. Betoogd kan worden dat met de invordering van belastingen ‘civil rights and obligations’ zijn gemoeid (uitwinning van private eigendom immers), zodat artikel 6, lid 1, EVRM van toepassing is. In de zaak Ferrazzini v. Italy,2 waarin het EHRM belastingzaken expliciet buiten de reikwijdte van art. 6 EVRM hield, maakte dat Hof evenwel geen onderscheid tussen heffing en invordering van belastingen; het overwoog ongespecificeerd dat “tax matters still form the hard core of public-authority prerogatives, with the public nature of the relationship between the taxpayer and the tax authority remaining predominant”. Gezien deze overweging houd ik het er op dat ook invorderingskwesties buiten artikel 6 EVRM vallen.3