Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/7.2.1
7.2.1 Inventarisatie omzettingen
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS495207:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Behoudens met een op de voet van art. 2 lid 1 onderdeel d Wet VPB 1969 volledig belaste woningcorporatie (zie art. 15 lid 3 onderdeel d Wet VPB 1969), maar een dergelijke fiscale eenheid laat ik buiten beschouwing. Achtergrond voor het niet toelaten van een stichting of vereniging als fiscale- eenheidsmoeder is de beperkte belastingplicht waardoor heffing niet verzekerd zou zijn. Zie Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 6, p. 35. Ik vermoed echter dat de voornaamste, nimmer als zodanig aangegeven, reden voor het niet toelaten van stichtingen en verenigingen tot het fiscale-eenheidsregime is gelegen in het feit dat dan ook de buitenlandse equivalenten tot het fiscale- eenheidsregime moeten worden toegelaten, zoals de trust (vergelijk art. 15 lid 3 onderdeel d/e en lid 10 onderdeel a Wet VPB 1969). Met dergelijke rechtsfiguren gaat de wetgever zeer krampachtig om, zie bijvoorbeeld J.P. Boer en R.J. de Vries, ‘Anglo-Amerikaanse trusts en de subjectieve vennootschapsbelastingplicht’, WFR 2005, 949.
Vanwege de voor de status van moedermaatschappij van een fiscale eenheid geldende rechtsvormeis, is het aantal omzettingen op de voet van art. 2:18 BW dat kan samenlopen met de fiscale eenheid beperkt. Van de voor de omzetting in aanmerkende komende rechtsvormen, te weten de zes rechtspersonen van Boek 2 BW, kunnen op grond van art. 15 lid 3 onderdeel d Wet VPB 1969 slechts BV’s, NV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als moedermaatschappij fungeren. Een fiscale eenheid met een stichting of vereniging als moedermaatschappij is niet mogelijk.1 De omzettingen waarbij de omzettende rechtspersoon als moedermaatschappij van een fiscale eenheid ex art. 15 Wet VPB 1969 deel kan uitmaken, zijn derhalve:2
omzetting van een BV in een NV (en omgekeerd);
omzetting van een BV/NV in een coöperatie (en omgekeerd);
omzetting van een BV/NV in een onderlinge waarborgmaatschappij (en omgekeerd);
omzetting van een BV/NV/coöperatie/onderlinge waarborgmaatschappij in een stichting;
omzetting van een BV/NV/coöperatie/onderlinge waarborgmaatschappij in een vereniging.
De eerstgenoemde omzettingen, te weten de omzetting van een BV in een NV en omgekeerd, zijn de eenvoudigste en behandel ik in paragraaf 7.2.2 hierna. De ficties van art. 28a Wet VPB 1969 zijn op deze omzettingen namelijk niet van toepassing. Dit in tegenstelling tot de overig opgesomde omzettingsvarianten, die ik behandel in paragraaf 7.2.3.