Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.2.2
3.6.2.2 De weg naar de eerste wettelijke schadevergoedingsbepaling
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702033:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van den Bergh, NJB 1946, p. 404; Van der Schaaf 1971, p. 132; Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (III), p. 405-406; Lietaert Peerbolte 1932, p. 66-67. Anders: De Vos van Steenwijk & Scholtens 1929, p. 50; Van der Drift 1939, p. 68-75.
Zie bijvoorbeeld KB 28 juli 1954, nr. 27, OB 1954, XI 10, 12819 (Schoorl), KB 10 september 1957, OB 1958, XI 10, 16745 (Maasland), KB 20 april 1956 (Gouda) en KB 10 september 1956 (Zundert) alsmede de literatuurverwijzing van voetnoot 447. De Kroon was tot en met 1987 de bevoegde instantie om te oordelen over schadevergoeding in het kader van de ruimtelijke ordening.
Kamerstukken II 1957/58, 4233, 5, p. 13-14.
Wij herkennen het ‘moderne’ égalité-beginsel met zijn ‘abnormale’ en ‘speciale’ last. In de literatuur bestaat overigens discussie over de vraag of het daadwerkelijk het égalitébeginsel was dat ten grondslag lag aan het regeringsvoorstel: vergelijk De Jongh 2012, p. 266 met Van den Berg & Pronk 1975, p. 136.
Met name de leden Berkhouwer, Biewenga, De Vries en Van Rijckevorsel waren erg ‘actief’.
Handelingen II 1960/61, 2433, p. 4175. Zie voor het amendement: Kamerstukken II 1960/61, 4233, 37. Voor een nagenoeg volledig beeld van de parlementaire behandeling verwijs ik naar: Van der Schaaf 1971, p. 47-54; Tjepkema 2010, p. 91-102; De Jongh 2012, p. 263-274.
Handelingen I 1961/62, 2433, p. 3471.
Stb. 1962, 286.
De bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving raakte langzaam gedateerd. Dat gold ook voor de gemeentelijke schadevergoedingspraktijk. Vanuit de literatuur werd steeds vaker kritiek geuit op de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen1 en de Kroon zag zich dikwijls genoodzaakt om zelf een tegemoetkoming toe te kennen na een ruimtelijk besluit.2 Ook op het gebied van de schadevergoedingen was een nieuwe regeling dus meer dan welkom.
De parlementaire behandeling van de WRO verliep echter niet soepel. Exemplarisch was de behandeling van de daarin voorziene schadevergoedingsbepaling. Regering en parlement waren het weliswaar eens over de implementatie van een schadevergoedingsbepaling, maar oneens over de reikwijdte daarvan.3 De regering vond dat vergoeding enkel was aangewezen indien de schade het normale maatschappelijke risico oversteeg én de aanvrager, in vergelijking met anderen, onevenredig zwaar was getroffen.4 De Kamer vond een dergelijke regeling echter niet ruimhartig genoeg. De regering werd dan ook verzocht om met een ruimhartigere schadevergoedingsbepaling te komen. 5De regering volhardde echter en overwoog:
“(…) schade ter zake van bestemmingsplannen alleen aanspraak geeft op tegemoetkoming, indien de maatregel verder gaat dan het concretiseren van de vrijheidsbeperking die voortvloeit uit het feit, dat de burger tezamen met anderen in een gemeenschap leeft. In dat geval dient er geen aanspraak op volledige vergoeding te worden gegeven, maar een tegemoetkoming, aangezien slechts de schade vergoed dient te worden, voorzover die de normale te dulden schade overschrijdt.”6
De regering vond dat zij voortborduurde op de reeds bestaande opvattingen van de Kroon. Naar aanleiding van de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer, welke ook nog wel wat stof deed opwaaien,7 werd uiteindelijk een amendement van onder andere Van Rijckevorsel aangenomen.8 Dat amendement introduceerde een ‘redelijkerwijsformule’ in plaats van een ‘onevenredigheidsformule’. Daarmee ontstond er een soort polderoplossing waarmee niet alleen de schade die een aanvrager onevenredig heeft geleden ten gevolge van een ruimtelijk besluit werd vergoed, maar de schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoorde te blijven. Het gewijzigd voorstel van wet kwam vervolgens probleemloos door de Eerste Kamer.9Art. 49 WRO werd daarmee een feit. Dat artikel luidde, voor zover van belang, als volgt:
Indien en voorzover blijkt, dat dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel ten zijnen laste behoort te blijven (…), kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
Tegen een besluit tot weigering of tot toekenning van een schadevergoeding als bedoeld in het vorige lid staat bij Ons beroep open (…).10
De tekst en het vergoedingssysteem van art. 49 WRO vertoont veel gelijkenis met die van de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen. Voor een burger die meent dat hij gedupeerd is door een ruimtelijk besluit (in het geval van art. 49 WRO, een bestemmingsplan) staat een schadevergoedingsprocedure open. Die procedure start met een verzoek aan de gemeenteraad. De gemeenteraad stelt vervolgens een onderzoek in naar de gestelde schade en neemt daarover een besluit. Wanneer een belanghebbende zich niet kan vinden in dat besluit, kan hij in beroep. De regeling van art. 49 WRO kende, anders dan de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen, een uniform stelsel van rechtsbescherming met de Kroon als beroepsinstantie.