Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.3.2.2
10.3.2.2 Voorbeelden
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588344:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276. Anders: Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 10. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264.
Zie o.a. M. van Laarhoven in haar noot (sub 5) onder HR 4 maart 2005, JA 2005/33 (Esso/Alberts en Bartol); Du Perron 1996, nr. 44, p. 35, nt. 18 en nr. 48, p. 37. Zie voor een beroep op de polisvoorwaarden bijvoorbeeld (r.o. 2.28), HR 20 januari 2006, NJ 2008, 461 (Hoge Huys/Visser), m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008, 465; en voor een beroep op rechtsverwerking bijvoorbeeld, Rb. Groningen 3 mei 2006, JM 2007/61.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 13.8.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 6.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 17 december 2002, JOR 2003/54.
Zie o.a. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 179 en 266; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo ), art. 6:145, aant. 13.7.
Zie Van Wassenaer van Catwijck 1971, p. 157; Van Wassenaer van Catwijk & Jongeneel1995, p. 94; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 13.2; en Keirse 2003, p. 110.
Zie HR 2 november 1990, NJ 1991, 23; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 25; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264; T&C 2002 (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:145, aant. 2-4 en aant. 6; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 13.5.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 13.6.
Zie o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 537; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264 en 267; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 7; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26; Streefkerk 2006a, nr. 24.3. 267. Vgl. Ktr. Utrecht 28 juni 2000, Prg. 2000/5537.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 7; Fesevur 1992, nr. 19; Wiarda 1937, 261.
Anders: Van Achterberg 1999, nr. 17, die meent dat het opeisbaar zijn van de tegenvordering van de schuldenaar voldoende is voor het bestaan van het verweermiddel. De opschorting vindt echter niet van rechtswege plaats; zie hiervóór nr. 553. De vraag of de schuldenaar na de overgang van de vordering voor het eerst zijn bevoegdheid tot opschorting kan uitoefenen en daaraan een verweermiddel ontleent, komt hieronder aan bod.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 266; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 9 en 13.9; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26. Vgl. over de stuiting van een bevrijdende verjaring door de nieuwe schuldeiser na de gestelde overdracht van de vordering, HR 1 december 2000, NJ 2001, 46.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 13.9; Blomkwist 2006, p. 76.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 267; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 26. Vgl. HR 5 november 1976, NJ 1978, 72.
Vgl. voor regres o.a. HR 1 april 2005, NJ 2006, 377, m.nt. F.C.B. van Wijmen en m.nt. H.J. Snijders en HR 26 januari 2007, NJ 2007, 77, in welke arresten tot uitdrukking wordt gebracht dat de regel ook voor subrogatie (overgang) geldt. Vgl. ook HR 31 mei 2002, NJ 2004, 161, m.nt. JH.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 145, aant. 13.1.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.5; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 211 en 267. Vgl. Hartkamp 2005, nr. 295-11.
Zie hiervóór nr. 98 e.v.
Zie V.V.II en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 542-543; HR 2 december 1932, NJ 1933, p. 509 e.v.; HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302-304, m.nt. PS; HR 1 juli 1993, NJ 1994, 461 m.nt. HJS; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 276; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 266; Van Achterberg 1999, nr. 17; Wibier 2009a, nr. 25; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 11, 12, 12.1-12.3 en 13.1 met verdere literatuur en jurisprudentie; Wiarda 1937, p. 281-285; Snijders & Rank-Berenschot 2007, p. 284; Zonderland in zijn noot onder Arbitraal vonnis 2 februari 1977, NJ 1978, 51.
Zie daarover o.a. Heemskerk 1976a, p. 122-124; met reactie van Hondius 1976, p. 1060-1065 en Brunner 1976, p. 1065-1068, en antwoord van Heemskerk 1976b; Gerbrandy 1995, p. 232 e.v.; Hardenberg 1996, met reactie van Sanders 1997; en H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7. Vgl. voorts HR 25 mei 1962, NJ 1962, 256; en HR 24 september 1964, NJ 1965, 359.
Vgl. t.a.v. art. 7:852 lid 1 BW, Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 236, aant. 13.
Zie hiervóór nr. 169-170. Vgl. Wiarda 1937, p. 255 e.v.; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.2; Van Achterberg 1999, nr. 17.
Zie hiervóór nr. 169-170. Vgl. Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 3.1.
565. Hieronder volgen per soort verweer voorbeelden van de toepassing van art. 6:145 BW.
Ad a. Als vóór de overgang van de vordering een schuldoverneming, contractsoverneming of een andere vorm van contractsovergang onder bijzondere of algemene titel heeft plaatsgevonden, kan de (oude) schuldenaar ook jegens de nieuwe schuldeiser het verweer voeren dat hij van de vordering niet (meer) de schuldenaar is en zo nodig de nieuwe schuldenaar in vrijwaring oproepen. De schuldenaar dient het verweer tijdig en ondubbelzinnig jegens de nieuwe schuldeiser te voeren om niet het risico te !open dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer het recht toekomt zich op dit verweer te beroepen.1 Heeft de oude schuldeiser bij voorbaat toestemming verleend aan schuldoverneming (art. 6:155 jo 6:156 BW), dan kan de schuldenaar deze toestemming aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen.
Ad b. Als de vordering niet bestaat op het moment waarop overgang van de vordering zou hebben plaatsgevonden, zoals bij een toekomstige vordering of een vordering die teniet is gegaan, is geen sprake van een verweer in de zin van art. 6:145 BW. 2 Als de vordering niet bestaat, kan de vordering immers niet overgaan. Een beroep op rechtsverwerking, een exoneratieclausule of eigen schuld daarentegen is wel een verweermiddel in de zin van art. 6:145 BW, voor zover de hoogte van de vordering daardoor wordt beperkt.3 Ook een met de oude schuldeiser overgekomen vaststellingsovereenkomst op grond waarvan de hoogte van de vordering nader is overeengekomen ( een schikking), kan aan de nieuwe schuldeiser worden tegengeworpen.4 Hetzelfde geldt als de vordering gedeeltelijk is tenietgegaan, bijvoorbeeld door betaling, verrekening of afstand.5 Ook een beroep op art. 7:23 lid 1 BW is een verweermiddel dat de verkoper als schuldenaar na de overgang van de vordering ook jegens de nieuwe schuldeiser kan inroepen.6
Een beroep op matiging dient naar mijn mening ook als een verweermiddel in de zin van art. 6:145 BW te worden aangemerkt. De oorspronkelijke rechtsverhouding dient beslissend te zijn voor de beoordeling van het beroep van de schuldenaar op matiging. Het is onbillijk als de schuldeiser een beroep van de schuldenaar op matiging zou kunnen omzeilen door de overdracht van de vordering. In de literatuur wordt anders geleerd, namelijk dat voor de vraag of de schuldenaar jegens de nieuwe schuldeiser een matiging van het door hem verschuldigde bedrag kan inroepen, de tussen deze personen bestaande omstandigheden, bijvoorbeeld hun beider draagkracht, beslissend zijn, en niet de verhouding tussen de schuldenaar en de oorspronkelijke schuldeiser.7 Deze redenering is naar mijn mening te formalistisch. Zij kan bovendien tot ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) leiden bij de oude schuldeiser of de nieuwe schuldeiser, afhankelijk of de koopprijs is afgestemd op hetgeen de nieuwe schuldeiser of de oude schuldeiser kan vorderen.
Als de schuldenaar tegenover de oude schuldeiser een beroep kon doen op eigen schuld (art. 6:101 BW), waardoor de schadevergoedingsvordering verminderd wordt, kan hij dit verweer ook tegen de nieuwe schuldeiser voeren.8
Ad c. De schuldenaar behoudt na de overgang van de vordering ook zijn verweermiddelen die hij ontleent aan een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling in een vordering. Wordt hij door de nieuwe schuldeiser aangesproken tot betaling voordat de voorwaarde is vervuld of voordat de vastgestelde tijd is verstreken, dan kan hij op de voorwaarde respectievelijk de tijdsbepaling een beroep doen.9 Als de oude schuldeiser toestemming heeft verleend om de schuld in gedeelten te voldoen (art. 6:29 BW) of als een afbetalingsregeling met de oude schuldeiser is overeengekomen, kan de schuldenaar dit aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen.10
Als de schuldenaar de nakoming van zijn verplichting reeds had opgeschort, behoudt hij het verweermiddel dat hij daaraan ontleent ook na de overgang van de vordering jegens zijn nieuwe schuldeiser.11 Gaat het om een vordering tot afgifte van een zaak die is overgedragen, dan kan de schuldenaar zich ook jegens de nieuwe schuldeiser op zijn retentierecht beroepen.12 De schuldenaar dient zijn bevoegdheid tot opschorting te hebben uitgeoefend; de opschortingsverklaring dient de oude schuldeiser derhalve voor de overgang van de vordering te hebben bereikt, wil het aan de uitoefening van de bevoegdheid ontleende verweermiddel als een verweermiddel in de zin van art. 6:145 BW kunnen worden beschouwd.13
Als de vordering niet (meer) afdwingbaar is, kan de schuldenaar daar ook jegens de nieuwe schuldeiser een beroep op doen.14 Het karakter van een natuurlijke verbintenis verandert door de overgang niet.15 Een lopende bevrijdende verjaring ondergaat door de overgang evenmin wijzigingen; door de overgang vindt geen stuiting van de verjaring plaats. De schuldenaar kan zich jegens zijn nieuwe schuldeiser beroepen op de bevrijdende verjaring van de vordering die na de overgang wordt voltooid.16 Dat geldt ook voor schadevergoedingsvorderingen, waarbij de verjaringstermijn begint te !open op de dag waarop de benadeelde zowel bekend is met de schade als met de aansprakelijke persoon (art. 3:310 lid 1 BW). De schuldenaar kan aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen dat de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen op het moment dat de oude schuldeiser met de schade en de aansprakelijke persoon bekend was, ongeacht of, en op welk moment de nieuwe schuldeiser daarmee bekend is geworden.17
Ad d. De schuldenaar kan aan zijn nieuwe schuldeiser dezelfde verweren tegenwerpen ten aanzien van de inhoud van de te verrichten prestatie, als die hij voor de overgang van de vordering aan zijn oude schuldeiser kon tegenwerpen. Heeft de oude schuldeiser toestemming verleend aan een inbetalinggeving (art. 6:45 BW}, dan kan de schuldenaar deze toestemming aan de nieuwe schuldeiser tegenwerpen. Ook afspraken omtrent de plaats van betaling gelden na de overgang van de vordering tussen de schuldenaar en de nieuwe schuldeiser, en kan de eerste derhalve aan de laatste tegenwerpen.18 Bij geldschulden moet betaling worden gedaan aan de woonplaats van de schuldeiser (art. 6:116 BW). Bij de overgang van de vordering kan de schuldenaar derhalve gehouden zijn op een andere plaats te betalen.19 Wordt het voldoen aan de verbintenis daardoor voor de schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker, dan is hij bevoegd de betaling op te schorten, totdat de schuldeiser een andere plaats voor betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar niet is verbonden (art. 6:117 BW). Voor de plaats van betaling wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 3.20
Ad e. De contractuele bedingen die de absolute of relatieve bevoegdheid van de rechter betreffen, alsmede bewijsovereenkomsten en rechtskeuzebedingen, bepalen nader de inhoud van de vordering en gaan om die reden als nevenrecht met de vordering over. Deze bedingen gelden na de overgang van de vordering tussen de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar. Uit dien hoofde kan de schuldenaar zich daarop jegens de nieuwe schuldeiser beroepen.21 Met betrekking tot het arbitragebeding heeft de literatuur afwijkende geluiden Iaten horen.22 Als argument tegen gebondenheid van de nieuwe schuldeiser aan het arbitragebeding werd art. 17 Grondwet genoemd: arbitrage dient vrijwillig te zijn, een schuldeiser kan niet tegen zijn wil van de rechter worden afgehouden. De uitkomst is onwenselijk. Het argument mist ook overtuigende kracht, omdat het voorbij gaat aan het gegeven dat het recht van de nieuwe schuldeiser is afgeleid van het recht van de oude schuldeiser die het arbitragebeding is overeengekomen. Bij de overdracht van een vordering volgt overigens impliciet de instemming van de nieuwe schuldeiser met het beding.23 Is een procedure beëindigd, dan valt ook een beroep op het gezag van gewijsde (art. 236 Rv) onder de verweermiddelen van de schuldenaar zoals bedoeld in art. 6:145 BW.24
De nieuwe schuldeiser kan een aantal processuele verweren niet voeren. Bij de gedeeltelijke overgang van een vordering kan de schuldenaar mogelijk niet het verweer voeren dat de sector kanton van de rechtbank niet bevoegd is.25 Na de overgang verandert voorts de bewijsrechtelijke positie van de oude en de nieuwe schuldeiser als partijgetuige, alsmede het verschoningsrecht van hun familieleden om als getuige op te treden.26