Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.A.3
II.A.3. Gericht of ongericht? Aanvaarding van het aanbod mag pas na het overlijden
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402675:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
ASSER-HARTKAMP 4-II, Verbintenissenrecht, Algemene leer der overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2005, nr. 83.
Zie ASSER-HARTKAMP 4-II, Verbintenissenrecht, Algemene leer der overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2005, nr. 83, W BREEMHAAR, De uiterste wilsbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992, p. 10, F.W.J.M. SCHOLS, Quasi-erfrecht met bindende elementen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, p. 9, JAC HIJMA,Testament als rechtshandeling (Van Mourikbundel), Deventer: Kluwer 2000, p. 93 e.v.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 163.
C.G. BREEDVELD-DE VOOGD,Vorm, vrijheiden gebondenheidbij de koop van een woning (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 29 e.v. heeft ook oog voor het betreffende onderscheid (materiele rechtshandeling en formele vorm) en merkt op dat de wet voor bepaalde rechtshandelingen een bepaalde vorm heeft voorgeschreven en geeft daarbij het voorbeeld: 'Een testament wordt opgemaakt bij notariele akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte (art. 4:94 BW).' Het 'testament' is immers slechts het plechtige jasje van de rechtshandeling.
Voor het huwelijksvermogensrecht hanteert het Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, M.J.AVAN MOURIKen L.C.A.VERSTAPPEN, Deventer: Kluwer 2006, p. 260 een formele benadering voor het begrip huwelijkse voorwaarden: 'Huwelijkse voorwaarden zijn overeenkomsten tussen echtgenoten waarvan de wet voorschrijft dat die slechts bij nota-riele akte geldig kunnen worden verricht en die indien ze staande huwelijk [...].' Een koppeling aan de vormvoorschriften, doch ook hier zal men net als bij uiterste wilsbeschikkingen eerst antwoord moeten geven op de vraag welke die overeenkomsten zijn alvorens het vormvoorschrift toe te passen en zal men dus ook niet aan een materieel getinte omschrijving ontkomen.
In zijn dubbel pocket Erfrecht/Nieuw erfrecht, Deventer: Kluwer 2002 maakte VAN MOU-RIK, p. 84 in het deel 'oud erfrecht' nog de splitsing rechtskarakter en vorm van de uiterste wilsbeschikking met de terechte mededeling: 'Het belang van het antwoord is duidelijk: uiterste wilsbeschikkingen zijn solemnitatis causa - op straffe van nietigheid - gebonden aan vormvereisten.' Jammergenoeg is de paragraaf 'rechtskarakter' nr. 33 in de nieuw erfrechtelijke drukken verdwenen.
Erflater wil niet alleen nog niet gebonden zijn aan zijn vertrouwenspersoon, maar wil hem van de benoeming wellicht ook nog niet in kennis stellen. De benoeming speelt zich in het 'geheim' af en wel door een verklaring bij en aan de notaris. Zie in deze JAC. HIJMA,Testa-ment als rechtshandeling (Van Mourikbundel), Deventer: Kluwer 2000, p. 93-108. Ook dit verklaart de ongerichtheid, doch ook Hijma heeft het mijns inziens alleen over het testeren als zodanig.
Vanzelfsprekendafgezien van het codicil, art. 4: 97 BW.
JAN BAEL, Het verbodvan bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen (diss. Gent 2002), Mechelen: Kluwer 2006, p. 28. Dit werk werdbekroondmet de driejaarlijkse prijs van het Antwerps Notariaat 2004. Bael verwijst in deze naar M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Antwerpen: Kluwer 1996, p. 257, nr. 208. Interessant zijn de gedachten van Bael over de onherroepelijke volmacht, nrs. 1385-1393 met werking bij overlijden.Voor zover de volmacht reeds tijdens het leven van de volmachtgever gebruikt kan worden ziet Bael geen problemen met betrekking tot de geldigheid hiervan. Een onherroepelijke volmacht die eerst na overlijden werkt vormt in zijn ogen geen probleem en is geldig voor zover hij gegeven is in het belang van de lasthebber. Hier ziet men mijns inziens het gevaar dat er zou zijn als men de herroepelijkheid deel uit zou laten maken van de definitie van uiterste wilsbeschikkingen. Door de (eenzijdige) rechtshandeling onherroepelijk te maken zou men de vormvoorschriften voor uiterste wilsbeschikkingen (eenvoudig) kunnen ontgaan. In Nederland is door de wetgevingstechniek van art. 4:42 BW de 'onherroepelijkheidsroute'afgesneden. Ook interessant in deze is de bijdrage van BAEL, Een pleidooi voor een fundamenteel andere interpretatie van het verbodvan erfovereenkomsten, Over Erven, Liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Mechelen: Kluwer 2006, p. 17-51, waar hij in noot 46 er op wijst dat het testament eenzijdig moet worden opgemaakt volgt uit art. 968 van het Belgische Burgerlijk Wetboek en dat het eenzijdig karakter van het testament niet met zoveel woorden vermeld staat in art. 895 van het Belgische Burgerlijk Wetboek.
Zie KLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, nr. 110.
Zie de kritische beschouwing van A.J.M. NUYTINCK, Het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen: weg ermee!,WPNR (2006) 6683, p.706-709.
Conversie moet in deze niet gezien worden als een faciliteit, doch als een'verplichting'. In het recente arrest HR 17 november 2006, nrs 41 485 en 41 488, Notafax 2006, 275 wees de Hoge Raad er immers op dat er (pas) geen geldig genotsrecht gevestigd was, indien noch krachtens uitleg noch krachtens conversie de bedoelde werking aan de akte kan worden toegeschreven.
Anders gezegd: er mag niet besteld worden buiten de (erfrechtelijke menu)kaart.
ASSER-HARTKAMP 4-I,Verbintenissenrecht, De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2004 nr. 83 en ASSER-HARTKAMP, 4-II,Verbintenissenrecht, Algemene leer der overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2005, nr. 81.
E.M. MEIJERS, De Algemene Begrippen van het Burgerlijk Recht, Leiden: Universitaire Pers 1948, p. 295.
Dat zo nu en dan zwaar vastgehouden wordt aan de eis van ongerichtheid heeft mijns inziens te maken met het feit dat W. BREEMHAAR, De uiterste wilsbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1992 in zijn dissertatie zwaar gehamerd heeft op de eis van 'ongerichtheid' als onderdeel van de definitie van uiterste wilsbeschikking. Hij heeft zich daarbij met name laten leiden door het 'nulliteitenvraagstuk', p.11.Van belang is het onderscheid uiterste wilsbeschikking in materiele zin en het maken van het testament (het testeren) goedte onderscheiden. Breemhaar beroept zich op de hiervoor in de tekst aangehaalde bron uit de parlementaire geschiedenis, doch hier gaat het over het testeren als zodanig, het feit dat dit een ongerichte rechtshandeling oplevert? Als men dit onderscheid niet maakt, loopt men het risico op het verkeerde been gezet te worden.
P.C. VAN ES, Boekbespreking FWJ.M. Schols, Quasi-erfrecht (diss. Nijmegen), NTBR 2006, 53, p. 357.
J.B. VEGTER, Boekbespreking F.W.J.M. Schols, Quasi-erfrecht met bindende elementen, WPNR (2006) 6684, p.733.
Zie Gr.VAN DER BURGHT, Nieuw erfrecht in eigen koninkrijk, Fiscaal TijdschriftVermogen (FTV), juli-augustus 2006, nr.32, p. 11-15, alsmede FWJ.M. SCHOLS, Erfrechtelijkchillen op de Antillen,WPNR (2007) 6717, p. 591-597.
Aan de ene kant wijst KLAASSEN-LUIJTEN-MEIJER, Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002,nr. 108 er op dat art. 4:42 BW slechts een louter materiele omschrijving van de uiterste wilsbeschikking geeft, terwijl aan de andere kant opgemerkt wordt dat duidelijk is dat de uiterste wilsbeschikking een niet-gerichte rechtshandeling is. Dit laatste wordt opgemerkt in het licht van de 'nulliteiten'en ziet waarschijnlijk op het maken van een uiterste wilsbeschikking, niet op de materiele kenmerken.
Ik realiseer mij dat dit bij een legaat met sublegaat (tegen inbreng) ook niet het geval hoeft te zijn, maar het is dan ook niet voor niets dat daarbij de analogie met koop snel naar boven komt. In ieder geval is bij een legaat de benadering anders. Bij een legaat ontstaan de verbintenissen op de overlijdensdatum'zonder dat een aanvaarding nodig is', aldus art. 4:201 BW
CAROLINE CAUFFMAN verwijst in haar dissertatie, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005, p. 554, naar de Franse doctrine (J. MARTIN DE LA MOTTE, o.c. nr. 229 e.v., p. 214 e.v) en merkt op dat aldaar is geoordeeld dat de dwaling omtrent de persoon bij een rechtshandelingen enkel een rol kan spelen ten aanzien van het testament.
Tijdens het leven kan de herroeping geschieden 'bij een tot de begiftigde gerichte verklaring'. Hierin kan men desgewenst de bevestiging lezen dat de formele plechtigheid als zodanig, het maken van een uiterste wilsbeschikking bij de notaris een ongerichte rechtshandeling is. Ik herhaal: uit het erfrechtelijke schouwspel bij de notaris mag men echter niet afleiden dat een gerichte rechtshandeling niet aan de kenmerken van een uiterste wil zou voldoen als bedoeld in art. 4: 42 lid 1 BW en derhalve niet in een notarieel jasje gestoken zou dienen te worden. Het is een kwestie van 'oorzaak en gevolg'.
Vanzelfsprekendkan nog verwerping plaatsvinden.
ASSER-HARTKAMP 4-II,Verbintenissenrecht, De verbintenis in het algemeen, Deventer:Kluwer 2005, nr. 81.
MvA, nr. 6, p. 98, Parl. Gesch. Vast., p. 841. De wijziging vondplaats bij het Gewijzigd Ontwerp van Wet, 3771, nr.7. De Commissie Erfrecht, Rapport II, p. 205 heeft de 'onzekerheid' van de minister in de gaten en 'daagt hem uit' met de opmerking dat woorden 'na het overlijden van de erflater' kunnen vervallen. Volgens de definitie van de uiterste wilsbeschikking werkt immers de benoeming eerst na het overlijden, zo stelt de Commissie. In de Eerste Kamer wordt opgemerkt: 'Aan een aanvaarding van het executeurschap tijdens het leven van de erflater zou ook zonder deze toevoeging geen waarde kunnen worden gehecht.',Voorlopig Verslag I 3771, nr. 73a, p. 14, Parl. Gesch.Vast, p. 842. Boekdelen spreekt het venijnige antwoord van de minister: 'Ondergetekende is het materieel volkomen eens met de commissie dat een dergelijke aanvaarding van het executeurschap niet mogelijk moet zijn. In tegenstelling tot de commissie geeft hijer echter de voorkeur aan dit dan ook te bepalen.', MvA I 3771, nr. 133, p. 60, Parl. Gesch.Vast., p. 842.
De notaris is immers als geen ander bedacht op de 'aanzuigende' werking van het erfrechtelijk gesloten stelsel.
Zo zou men zich zelfs de vraag kunnen stellen in hoeverre de door de notaris in de vorm van een ongerichte rechtshandeling 'verpakte' testeerhandeling na overlijden van de erflater, na het openbaren van de uiterste wilsbeschikking oftewel het 'uitpakken' door de notaris eventueel (weer) de gedaante van een gerichte rechtshandeling aanneemt.
CAROLINE CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005, p. 185.
PAUL PIOTET, Schweizerisches Privatrecht IV, 1, Erbrecht Erster Halbband, Basel und Stuttgart: Helbing en Lichtenhahn 1978, p. 153.
Zie hierover uitgebreid FWJ.M. SCHOLS, Quasi-erfrecht met bindende elementen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2005, p. 66-80.
Voor het onderzoek naar de aard van executele is de vraag ofeen uiterste wilsbeschikking een ongerichte of gerichte rechtshandeling is, van groot belang. Immers: 'Tussen eenzijdig gerichte rechtshandelingen en overeenkomsten kan dikwijls geen scherp onderscheid worden gemaakt [...]', aldus Asser-Hartkamp.1 Anders gezegd: des te gerichter de rechtshandeling des te meer men op het terrein van het overeenkomstenrecht komt. De heersende leer beschouwt het maken van een uiterste wil als een ongerichte rechtshandeling.2
In de parlementaire geschiedenis3 wordt op het eerste gezicht ook duidelijke taal gesproken:
'Naar het oordeel van de ondergetekende behoort voorts de regel van het ontwerp te worden gehandhaafd, dat uiterste wilsbeschikkingen van een onbekwame nietig zijn. In het gewijzigdontwerp vloeit dit voort uit lid 3. Een uiterste wilsbeschikking is, zoals uit art. 4.3.1.2 lid3 en de vormvoorschriften volgt, geen tot een of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling. Zij wordt immers niet tot standgebracht door een verklaring die tot een bepaalde persoon is gericht en dus ingevolge art. 3.2.4 lid 3 die persoon moet hebben bereikt, wil zij haar werking hebben.'
Tot zover eens. Wel vallen twee dingen op. Ten eerste vindt er een verwijzing plaats naar het 'nulliteiten'vraagstuk. En ten tweede lijkt de minister het te hebben over het tot stand brengen van de uiterste wilsbeschikking, het testeren als zodanig, en de daarvoor geldende vormvoorschriften.4 Dit is heel iets anders dan de vraag naar de materiele kenmerken van de uiterste wilsbeschikking, de aard van de uiterste wilsbeschikking. Men zal eerst5 een rechtshandeling in materiele zin moeten beoordelen om vervolgens tot het antwoord op de vraag te komen welk vormvoorschrift op de rechtshandeling van toepassing is. Dat is de route.6
In de door de wetgever in art. 4:42 lid 1 BW gegeven definitie maken de termen 'gericht' of 'ongericht' geen deel uit van de aard van de uiterste wilsbeschikking. Logisch als men bedenkt dat anders, door de rechtshandeling een gericht karakter te geven, de vormvoorschriften voor de uiterste wil eenvoudig zouden kunnen worden ontgaan. Dit is niet anders voor het aan de betreffende rechtshandeling gekoppeld dwingendrechtelijk gevolg:7 de herroepelijkheid.
Indien men de herroepelijkheid deel uit zou laten maken van de omschrijving in materiele zin van een uiterste wilsbeschikking, zou men de vormvoorschriften eenvoudig kunnen omzeilen door de eenzijdige rechtshandeling onherroepelijk te maken. De herroepelijkheidis 'slechts' het gevolg van de uiterste wilsbeschikking. De wetgever grijpt om dit gevolg te bereiken desnoods in met zijn 'gesloten stelsel'. Past een rechtshandeling (gericht of ongericht) binnen de mal van lid 1, dan verneemt men in lid 2 wat de juridische gevolgen zijn (herroepelijk) en in lid3 wat men te doen staat, te weten: de gang naar de notaris (vormvoorschrift).8 De mal geeft aan welk regime van rechtsregels van toepassing is, bijvoorbeeld met betrekking tot het beheer van de executeur en het einde daarvan. Overigens wijst de Belgische auteur Bael in zijn recente bewerking (2006) van zijn dissertatie9 'Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen', erop dat indien een verbintenis de eigen nalatenschap betreft en herroepelijk is, deze verbintenis in een testament moet worden neergelegd. Dit hangt samen met de in art. 895 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek gegeven regel dat: 'Een testament een akte (is) waarbij de erflater, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen'. Ik maak deze opmerking om te laten zien dat hieruit (over de Nederlandse grenzen heen) voorzichtig afgeleid zou kunnen worden dat niet alleen de eenzijdigheid, maar ook de herroepelijkheid tot het wezen van de uiterste wil behoort, zij het 'slechts' als dwingend gevolg.10
Het gesloten stelsel voegt hier aan toe, dat men niet zijn eigen 'mal' mag maken, maar dat men dient te kiezen uit het door de wetgever samengestelde assortiment. Dit is geen probleem, omdat er sprake is van een 'ruime keus' en in ieder geval alle erfrechtelijke rechtsfiguren die onder het oude erfrecht mogelijk waren, onder het nieuwe erfrecht in beginsel11 ook tot standkunnen worden gebracht, zij het zo nu en dan in een nieuw jasje. Via het leerstuk 'conversie'12 mag er best enig 'hangen en wurgen' plaatsvinden tot 'de wil' binnen de mal past. En niet alleen 'mag', want door het gesloten stelsel 'moet' er ook geconverteerdworden en bestaat er een erfrechtelijke conversieplicht. Deze plicht zou getypeerd kunnen worden als de aanzuigende werking van het gesloten stelsel. Hiermee heeft de wetgever erfrechtelijke grip op de betreffende door erflater verrichte rechtshandeling en kan hij desgewenst een dwingend regime opleggen.13 Hiermee is allesbehalve gezegddat alle vraagstukken die zich rondom de rechtsfiguur kunnen voordoen uitputtend in de wet geregeldzijn. Analogieredeneringen mogen en moeten, ondanks de 'geslotenheid' van het erfrechtelijk stelsel. De (met name verbintenisrechtelijke) deur naar de andere vermogensrechtelijke Boeken staat nog steeds wijd open.
Met enige goede wil past alles, zelfs een (soort) ouderlijke boedelverdeling. Conversie tot een enig erfgenaamschap met legaten of zelfs een wettelijke verdeling lijkt immers mogelijk, mits men vanzelfsprekend de juiste vorm in acht genomen heeft.Wellicht kan zelfs nog het verlenen van een onherroepelijke 'volmacht' (opgenomen in een testament) geconverteerdworden in een executele? Hierover hierna meer.
Ook Asser-Hartkamp14 die enerzijds het maken van (!) een uiterste wil als ongerichte rechtshandeling bestempelt, heeft er geen enkele moeite mee om een in de basis gerichte handeling als een aanbod tot omzetting van een natuurlijke verbintenis bij uiterste wil te 'doen'. Geconcludeerd wordt immers:
'Het nieuwe erfrecht beschouwt een zodanig aanbod als een legaat [...].'
Duidelijk. Een (voorgenomen) in eerste instantie (eventueel) gerichte handeling wordt (gelet op de vormvoorschriften van uiterste wilsbeschikkingen) 'ten kantore van en in samenspel met de notaris' omgedoopt tot een ongerichte rechtshandeling. De handeling ten overstaan van de notaris betreft echter slechts de formele testeerhandeling, hetgeen iets anders is dan het rechtskarakter van de uiterste wilsbeschikking. Dit blijkt mijns inziens ook uit de vermogensrechtelijke bijbel 'Algemene Begrippen van het Burgerlijk Recht'15 van Meijers, als hij behandelt wanneer een verklaring werking heeft en constateert dat in vele gevallen voor werking van de verklaring ontvangst van de verklaring door de wederpartij vereist is:
'Deze noodzakelijkheid bestaat b.v. voor een opzegging, voor een ingebrekestelling, enz., maar niet voor een testament' (Curs. BS)
Ik ga er vanuit dat ook Meijers het hier heeft over de rechtshandeling die reeds de testeerplechtigheid bij de notaris 'gepasseerd' is en de term 'testament' gebruikt als formele verpakking van de uiterste wil. Uit het feit dat 'testeren' in de ogen van Asser-Hartkamp een ongerichte rechtshandeling is, mag derhalve niet worden afgeleid dat een op het eerste gezicht feitelijk dan wel juridisch gerichte rechtshandeling niet ook een uiterste wilsbeschikking kan zijn in de zin van art. 4:42 lid 1 BW. Kolkman lijkt hier ook oog voor te hebben als hij schrijft: 'De vraag duikt dan echter op of het aanbod dat in een uiterste wil is neergelegdniet ook als ongericht moet worden beschouwdge-lijk een legaat.' En hij vervolgens in noot 562 van zijn dissertatie opmerkt: 'Overigens zou men met Van Mourik,WPNR 6213 (1996), p. 147-150, twijfels kunnen hebben bij het denkbeeld dat uiterste wilsbeschikkingen zoals legaten wel ongerichte rechtshandelingen zijn [...]' en uiteindelijk tot de conclusie komt: 'Ik zou willen aannemen dat het testamentaire aanbod tot koop of schenking heeft te gelden als een legaat.' Ik leid hier uit af dat een gerichte rechtshandeling als een aanbod tot koop een uiterste wilsbeschikking in materiele zin als bedoeld in art. 4:42 lid 1 BW kan zijn en derhalve voor een geldige totstandkoming het juiste vormvoorschrift in acht genomen dient te worden. De testeerhandeling bestempelen tot een ongerichte rechtshandeling heeft slechts betekenis voor de leer der nulliteiten. Dit valt bij mij enerzijds onder de noemer 'wetgevingstechniek'16 en hangt anderzijds samen met het besloten karakter van het testeren als zodanig.Verder mag hier mijns inziens niet een al te zware betekenis aan gegeven worden.17 Erflater kan zelf het besloten karakter opheffen en de inhoud van de rechtshandeling aan belanghebbende meedelen, met dien verstande dat het een herroepelijke rechtshandeling betreft die tijdens leven nog niet aanvaard kan worden.
Sprekendis mijns inziens ook - in het licht van de kwestie 'gericht of ongericht' - het voorbeeld dat recentelijk door Van Es18 werdgegeven:
'Een tot een bepaalde persoon gericht aanbod dat in een envelop wordt gedaan met daarop geschreven ''te openen na mijn dood'' is een uiterste wilsbeschikking.'
Ook Vegter19 legt, net als Van Es, de klemtoon in deze op het element 'eerst werken na overlijden':
'Als de erflater tijdens zijn leven niet aan het aanbod gebonden is (het aanbod tijdens zijn leven niet aanvaard kan worden) en de verplichting uit het aanbod eerst in de personen van de erfgenamen ontstaat, is volgens de wetgever sprake van een legaat. Een beroep op de ''gerichtheid'' van de rechtshandeling overtuigt mij minder als aan de rechtshandeling tijdens het leven van de aanbieder geen rechtsgevolg verbonden is (de verplichting uit het aanbod eerst in de persoon van de erfgenaam ontstaat).' (Curs. BS)
Zeer interessant in deze is ook de 'concept' Memorie van Toelichting (totstandgekomen met medewerking van J. de Boer)20 op het voorontwerp voor een nieuw Boek 4 (Erfrecht) voor de Nederlandse Antillen van 23 mei 2006, dat ontleend is aan ons nieuwe Boek 4, en waarbij uitgegaan wordt in 'art.4:42' van dezelfde tekst als ons art. 4:42 BW. De toelichtende woorden op het materiele vereiste spreken boekdelen:
'De uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling in die zin, dat voor de geldigheid van de handeling de wilsverklaring van een persoon volgens de wet voldoende is. Ook als de erflater zelf zijn beschikking afhankelijk mocht hebben gesteldvan de wilsverklaring van een ander, blijft de uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling in de hier bedoelde zin. Het typerende van de uiterste wilsbeschikking is dat zij eerst werkt na het overlijden van degene die de rechtshandeling verricht; voor het overlijden wordt tussen hem en de bij de uiterste wilsbeschikking bevoordeelde door de beschikking geen enkele rechtsband geschapen.' (Curs. BS)
Gericht of ongerichte rechtshandeling maakt derhalve niet uit voor de materiele definitie van uiterste wilsbeschikking.21 Het wezen is dat er tijdens leven nog geen enkele rechtsbandbestaat tussen erflater en 'bevoordeelde', lees: aangewezene en ik voeg daar aan toe: ook geen enkele rechtsband kanontstaan. Rechtsbandtijdens leven en vertrouwen (in de executeur ) zijn el-kaars tegenpolen. Men zou zelfs kunnen stellen dat een rechtsband een motie van wantrouwen zou zijn. Overigens wil ik u ook niet onthouden de heldere 'Antilliaanse' concept-toelichting op de herroepelijkheid van de uiterste wil:
'In de definitie is niet meer opgenomen, dat de erflater zijn verklaring herroepelijk moet hebben afgelegd. De herroepelijkheid is in het tweede lid tot een bijzondere voor testamenten geldende regel gemaakt. Mocht dus een erflater in zijn testament zijn beschikking voor onherroepelijk hebben verklaard, dan houdt de akte niet op een testament te zijn; de verklaring van onherroepelijk-heidis echter als in strijd met het tweede lid van dit artikel nietig. [...].'
Voorts wil ik aandacht voor het volgende vragen. De beschouwingen die handelen over het gerichte dan wel ongerichte karakter van een uiterste wil richten zich in de regel (bewust dan wel onbewust) op het trio 'erfstellingen, legaten en lasten'. In dit rijtje kan niet zonder meer ook de executeur worden geplaatst. Bij executele gaat het in materiele zin immers in beginsel niet om een 'verkrijging' oftewel het gaat om een rechtshandeling die, afgezien van de beloning, geen vermogensverschuiving22 teweegbrengt. Executele betreft onder meer het 'afleveren' van de erfrechtelijke verkrijging. Dit vraagt dan ook een andere benadering dan de voor gemeld 'trio' gebaande paden. De wetgever heeft dan ook extra aandacht gehad in art. 4:143 BW voor de benoeming van een executeur als uiterste wilsbeschikking.Wat maakt die executele zo bijzonder? Dat is het feit dat het bijvoorbeeld niet gebruikelijk is om een erfstelling of een legaat uitgebreidmet de gelukkige aspirant-verkrijger te bespreken. Hoe anders ligt dit met een aspirant-executeur. Het succes staat en valt vaak met een goede voorbespreking. Het is echter vanzelfsprekend geen verplichting om de executeur reeds tijdens het leven van de erflater van de benoeming in kennis te stellen.Wellicht is in het licht van de executele het begrippenpaar gericht of ongericht terminologisch ongelukkig. Het begrippenpaar: mededelingsplichtige23rechtshandeling en niet-mededelingsplichtige rechtshandeling zou wellicht duidelijker en toepasselijker zijn in deze.
Men mag de invulling van de opdracht 'bespreken' met de executeur, maar men is niet mededelingsplichtig. Daar komt het op neer. Het in de basis 'geheime' niet-mededelingsplichtige karakter van de uiterste wilsbeschikking staat met zoveel woorden in de wet en wel in art. 7:177 lid 2 BW dat handelt over de wijze van herroeping van een schenkingsovereenkomst.Ditkaneven-eens geschieden: 'bij een uiterste wilsbeschikking van de schenker zonder mededeling aan de begiftigde.'24
Daarnaast is een nuancering op zijn plaats van executele ten opzichte van het legaat in die zin dat in art. 4:201 BWexpliciet bepaald is dat een legaat wordt verkregen zonder dat een aanvaarding25 nodig is. Hoe anders is dit weer bij een executele. In art. 4:143 BW is expliciet bepaalddat men executeur wordt door aanvaarding van zijn benoeming. In art. 4:145 BW is in het verlengde daarvan aangegeven dat de beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen eindigt indien de executeur zijn benoeming niet aanvaardt. Weliswaar werkt de beschikkingsonbevoegdheid reeds op de overlijdensdatum, maar dit zou men kunnen zien als invulling geven aan de 'pre-(quasi)contractuele fase'. De executeur moet zich in alle vrijheid, zij het zonder te 'dralen', kunnen beraden of hij het door erflater gedane aanbod zal aanvaarden.
Indien een rechtshandeling op grond van art. 4:42 BW eenmaal het predikaat uiterste wilsbeschikking gekregen heeft, krijgt hij in de rechtsleer26 tevens het technische predikaat ongericht. Met ongericht wordt slechts aangegeven dat een rechtshandeling al werking heeft zonder dat de aanvaarding een must is. Denk bij executele aan art. 4:145 BW. Ook al heeft de executeur het aanbod van erflater nog niet aanvaard, de erfgenamen zijn reeds beschikkingsonbevoegd op overlijdensdatum. De rechtshandeling zou, nu het element, gericht of ongericht, niet in de definitie van de wetgever te vinden is, feitelijk gericht maar in eerste instantie zelfs ook juridisch gericht mogen zijn. Indien de rechtshandeling aan de drie elementen van de definitie van art. 4:42 BW voldoet, grijpt de wetgever in en verleent hij het keurmerk: uiterste wil. Echter: erfrechtelijke noblesse oblige. De dwingende rechtsgevolgen van de materiele beschikking worden door het mechanisme van het gesloten stelsel ingevuld. De wetgever levert zelf het bewijs voor deze redenering en heeft, hoe toepasselijk, de sleutel tot de definitie uiterste wilsbeschikking 'verstopt' in art. 4:143 lid1 BW eerste zin: 'Men wordt executeur door aanvaarding van zijn benoeming na het overlijden van erflater.'
Nogmaals: over gerichtheidof ongerichtheidwordt in de materiele omschrijving van de uiterste wilsbeschikking door de wetgever niet gerept. Anders gezegd: de code van art. 4:42 BW is te kraken via art. 4:143 BW. Dit is zeker niet vreemden zelfs een voor de handliggende plaats om het 'geheim' te bewaren als men bedenkt dat executele vele elementen uit het overeenkom-stenrecht met zich draagt, waarover hierna meer. Art. 4:143 BW is dan ook de plaats waar de schreeuw naar materiele afbakening tussen uiterste wilsbeschikking en overeenkomst, het hardst te horen is.
Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot executele blijkt mijns inziens dat de wetgever zijn eigen definitie niet zonder meer vertrouwde. Hoezo? In eerste instantie maakten, net als onder het oude erfrecht, de woorden (aanvaarding) 'na zijn overlijden' geen deel uit van art. 4:143 BW. Pas in een latere fase van het wetgevingsproces,27 zijn deze woorden toegevoegd met de mededeling:
'hierin [...] ligt opgesloten dat men niet reeds tijdens het leven van de erflater kan aanvaarden.'
Blijkbaar had de door erflater verrichte rechtshandeling alle ingredienten die nodig zijn voor de totstandkoming van een overeenkomst. Een gerichte eenzijdige rechtshandeling werd en wordt niet uitgesloten. Het nog niet mogen (en kunnen) aanvaarden en het daarmee nog niet laten werken van de rechtshandeling is de crux van de 'definitie' van uiterste wilsbeschikking van de wetgever. Het gaat mijns inziens, zoals aangegeven, niet om het feitelijk nog niet aanvaarden, maar om het nog niet mogen (en kunnen) aanvaarden.
Resumerend: zowel ongerichte als gerichte rechtshandelingen kunnen als uiterste wilsbeschikking in de zin van art. 4:42 BW worden aangemerkt. Iets anders is dat als de rechtshandeling door de sluis van het vormvoorschrift voor de uiterste wil heen gegaan is, het testeren als zodanig in het licht van de ordening met het oog op het nulliteitenvraagstuk en het in de regel gewenste besloten karakter van de handeling, als een ongerichte rechtshandeling gezien wordt. De notaris neemt niet alleen het erfrechtelijk geheim in bewaring, maar zorgt ook zowel formeel als materieel voor de juiste vorm.28 Men mag het echter niet omdraaien: de rechtshandeling is gericht gesteld en kan niet meer het karakter hebben van een uiterste wil. Nog anders gezegd: de rechtshandeling hoeft om werking te hebben de executeur niet te hebben bereikt, maar zou de executeur wel reeds bereikt kunnen hebben, zij het dat aanvaarding van de rechtshandeling in ieder geval pas na het overlijden van de testateur mogelijk is. Heel leerzaam is de navolgende door de minister in de parlementaire geschiedenis29 gegeven toelichting, waaruit aan de ene kant blijkt dat een (in de basis) gerichte rechtshandeling (het aanbod) toch een uiterste wilsbeschikking is, die uiteindelijk (in resultaat) getransformeerd wordt tot een ongerichte rechtshandeling, in de zin dat er voor de aanvaarding reeds werking van uit kan gaan, zelfs voordat belanghebbende de beschikking heeft 'bereikt':
'Bij de besproken uiterste wilsbeschikking doet zich iets anders voor. Daar legt de erflater aan een of meer andere personen, in casu zijn erfgenamen, een verplichting op die na zijn overlijden in hun persoon ontstaat en kent hij aan een bij die beschikking aangewezen persoon een met die verplichting corresponde-rendvorderingsrecht toe. Een verplichting namelijk om het goedvoor een bepaalde prijs aan een aangewezen persoon te verschaffen, indien deze verklaart het aanbodte accepteren. Het ontstaan van deze verplichting na het openvallen van de nalatenschap kan niet worden voorkomen door een herroeping van het aanbod; niet meer door erflater omdat hij overleden is, en evenmin door zijn erfgenamen, noch voordat de aangewezen persoon zich in de hem toekomende bedenktijd over acceptatie heeft uitgesproken, noch zelfs voordat deze de beschikking heeft vernomen.'
Voor aanbod kan gelezen worden: het aanbod tot opdracht aan de executeur, met dien verstande dat de wetgever in art. 4:143 BW bij executele de klemtoon heeft gelegd op aanvaarding van de 'opdracht' door de executeur, alvorens voor de executeur en de erfgenamen verbintenissen uit de opdracht ontstaan. Steeds dient evenwel voor ogen gehouden te worden dat het initiatief voor deze rechtsverhouding bij erflater lag.
Gezien de aard van de vormvoorschriften rond het testeren (in beginsel ten kantore van de notaris achter gesloten deuren) en omwille van de ordening van deze 'ongrijpbare'30 handeling misstaat voor de benoeming van de executeur het predikaat 'ongericht' niet. In zoverre zou het discussieren over gericht of ongericht een non-discussie kunnen zijn, zeker als het gaat om het zoeken naar de ware aard van executele. Wel dient mijns inziens vastgehouden te worden dat ook een, in beginsel (feitelijk dan wel juridisch) tot de executeur gerichte, rechtshandeling als uiterste wilbeschikking kan worden aangemerkt, hetgeen gevolgen heeft voor de geldigheid van de benoeming bij het niet naleven van de vormvoorschriften voor uiterste wilsbeschikkingen.
Het herroepelijk zijn van de uiterste wil en daarmee ook van de aanwijzing van de vertrouwenspersoon oftewel de benoeming van de executeur, vind ik, zoals aangegeven mede tot het wezen van de uiterste wil behoren, zij het als logisch gevolg. Het vertrouwen moet niet alleen (zonder mededelingsplicht) 'verleend' kunnen worden, doch ook zonder mededelingsplicht opgezegd kunnen worden. Zo ook de wetgever in art. 4:42 lid 2 BW. Cauffman31 ziet met betrekking tot de herroepelijkheid terecht ook nog een temporeel aspect:
'Bij een testamentaire beschikking is de mogelijkheid tot herroeping daarentegen principieel. Het verschil tussen verbindende eenzijdige beloften en testamentaire beschikkingen kan echter worden overbrugd wanneer men inziet dat de zogenaamde herroeping van een testament in feite betrekking heeft op de periode vooraleer het uitwerking heeft gekregen (d.i. het moment van overlijden van de erflater) en in feite dus een intrekking vormt, dewelke ook bij een verbindende eenzijdige belofte mogelijk is.' (Curs. BS)
Dat de mogelijkheid tot herroeping mede tot het 'wezen' van een uiterste wilsbeschikking behoort, en met name van een executeurbenoeming, wordt in de Zwitserse literatuur32 als zeer vanzelfsprekendervaren:
'denn, da die Rechtfertigung des Auftrags an den Willensvollstreckers im Ver-trauen des Erblassers zu ihm liegt, ist es ausgeschlossen, dass die Bezeichnung un-widerruflich ist.'(Curs. BS)
Kort merk ik op dat, indien het aanbod om de toekomstige nalatenschap af te wikkelen of een soortgelijk aanbodwel voor het overlijden aanvaard zou kunnen worden, men zich dan ook nog de vraag zou moeten stellen hoe dit zich zou verhouden tot de in art. 4:4 BWopgenomen verboden om iemand te belemmeren in zijn erfrechtelijke vrijheden en om niet te mogen beschikken over nog niet opengevallen nalatenschappen. Zou 'de overeenkomst' niet de gehele nalatenschap of een evenredig deel daarvan betreffen, komt men aan het verbod van art. 4:4 lid 2 BW niet toe.33 Art. 4:144 BW spreekt niet over de afwikkeling van de nalatenschap als zodanig, maar over het beheer van de goederen van de nalatenschap. Zou nietigheid voorkomen worden als erflater 'enkele goederen' uitzondert van het betreffende beheer? Zou het ook nog uitmaken of erflater spreekt van al mijn goederen minus een of bijvoorbeeld van al mijn registergoederen? Het lijkt er, gelet op de term 'strekkende tot' en de geest van het onderscheid van erfstellingen en legaten, wel op. 'Alle minus een' lijkt niet goedte gaan (heeft de strekking van een erfstelling), maar al mijn registergoederen ('legaat') wel.