Hof 's-Gravenhage, 31-10-2012, nr. 200.112.542-01
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6956
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
31-10-2012
- Zaaknummer
200.112.542-01
- LJN
BY6956
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6956, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 31‑10‑2012; (Hoger beroep)
Uitspraak 31‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Uithuisplaatsing. Onderzoek buiten de thuisomgeving geindiceerd en noodzakelijk. Gerechtvaardigde inbreuk op artikel 9 IVRK.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 31 oktober 2012
Zaaknummer : 200.112.542/01
Rekestnummer rechtbank : 12-2392
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.G. Nieman te Leiden,
tegen
de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 2 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 augustus 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- -
op 18 september 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- -
op 1 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum welk bericht ook als brief is binnengekomen op 3 oktober 2012;
- -
op 5 oktober 2012 een faxbericht van 1 oktober 2012 met bijlagen welk bericht ook als brief is binnengekomen op 5 oktober 2012;
- -
op 5 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum;
- -
op 9 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum;
van de zijde van Jeugdzorg:
- -
op 25 september 2012 een brief van 24 september 2012 met bijlage.
De raad heeft bij brief van 18 september 2012 aan het hof laten weten ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 10 oktober 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- -
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- -
mevrouw M. Versteeg en mevrouw E. Segaar namens de raad;
- -
mevrouw I. Muysson namens Jeugdzorg.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de kinderrechter de minderjarige [kind X], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg voor de periode van 29 augustus 2012 tot 18 november 2012. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 29 augustus 2012 tot 18 november 2012, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
Onder meer staat het volgende vast:
De minderjarige is geboren uit de moeder. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag belast. De minderjarige verblijft thans feitelijk in een residentiële instelling.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- 1.
In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige tot 18 november 2012.
- 2.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat Jeugdzorg is gemachtigd om de minderjarige uit huis te plaatsen.
- 3.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de uithuisplaatsing niet noodzakelijk is en dat de beslissing van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is. De moeder voert daartoe aan dat zij de minderjarige altijd heeft verzorgd en opgevoed en dat niet gebleken is dat het bij haar thuis niet veilig is. De moeder gaat door het vuur voor haar dochter en weet haar wel degelijk te begrenzen. Voorts gaat de rechtbank uit van omstandigheden aan de zijde van de moeder die onjuist zijn en baseert de rechtbank zijn oordeel op één incident dat uit zijn verband is getrokken. De moeder meent dat de uithuisplaatsing niet in het belang van de minderjarige is en dat onderzoek door de raad naar de minderjarige ook thuis kan plaatsvinden.
- 4.
De raad is van mening dat de uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is. Niet alleen het incident in de tram is de aanleiding geweest voor het verzoek van de raad, maar ook de wijze waarop de kennismaking van de minderjarige op de basisschool was verlopen. Dat had plaats gevonden voorafgaande aan het tramincident. Het gaat om een zorgelijke situatie en een kind met ernstige problematiek. De huidige plaatsing in Curium is noodzakelijk om te bekijken wat de minderjarige in de toekomst nodig heeft.
- 5.
Jeugdzorg heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij hetgeen de raad naar voren heeft gebracht.
- 6.
Vooreerst stelt het hof vast dat het hoger beroep van de moeder zich richt tegen de uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling zal hier dan ook buiten beschouwing blijven.
- 7.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat deze zaak een complexe situatie betreft, waarbij het meest in het oog springende is dat sprake is van ernstige gedragsproblematiek bij de minderjarige. Het betreft een jong kind dat zeer zorgelijk gedrag vertoont en signalen afgeeft die duiden op een hechtingsstoornis. Observatie, onderzoek en behandeling van de minderjarige zijn derhalve geboden. De moeder erkent de problemen van de minderjarige, maar ziet de ernst van de situatie onvoldoende in. Daar komt bij dat de moeder-dochter relatie tevens zorgen baart en een onderdeel vormt van de aanwezige problematiek. Onderzoek vanuit de thuissituatie biedt op dit moment dan ook geen geschikt alternatief. De aanwezigheid van de moeder en/of haar vertrouwde omgeving zullen belemmerend kunnen werken. Daarbij is de medewerking van de moeder aan de hulpverlening onvoldoende consistent gebleken om opnieuw een traject in het vrijwillig kader in te gaan en daarmee het aanmerkelijke risico te lopen dat de minderjarige reeds tijdens het onderzoek opnieuw uit huis zou moeten worden geplaatst. De weerstand die de moeder tegen de hulpverlening heeft, is weliswaar op sommige punten begrijpelijk, zoals ook ter zitting met partijen besproken, maar niet in het belang van de minderjarige. Onder deze omstandigheden is een uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk. Daarmee is, juist ter bescherming van de minderjarige, een inbreuk op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waar de moeder aan refereert, gerechtvaardigd.
- 8.
Het hof is dan ook van oordeel dat, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank, de uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht in een voorziening noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke gesteldheid. Daarmee is voldaan aan de wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
- 9.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat de bezoekregeling niet aan het hof voorligt. Het hof zal daar derhalve niet over beslissen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Leuven en Stuurop, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2012.