V-N 2026/11.9
Hoge Raad: het ‘onzakelijkheidsvermoeden’ in art. 14a lid 6 Wet VPB 1969 is strijdig met de Fusierichtlijn
HR 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:298, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 februari 2026
- Magistraten
Van Hilten, Fierstra, Faase, Cools, Peters
- Zaaknummer
22/04085
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD48643:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Fusie en splitsing
Vennootschapsbelasting (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:298, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑02‑2026
ECLI:NL:PHR:2023:498, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑05‑2023
- Wetingang
Art. 14a Wet VPB 1969
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat de wijze waarop het hof de bewijslast heeft verdeeld niet in overeenstemming is met de bewijslastverdeling die volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU. Hieruit volgt namelijk dat het betwisten van de zakelijke overwegingen door de inspecteur onvoldoende is.
Samenvatting
X is een uitvaartverzekeraar die deel uitmaakt van de C-groep. Tot de groep behoren onder andere een levensverzekeringsmaatschappij en een andere uitvaartverzekeraar. Vanwege de precaire financiële situatie waarin de verzekeringsmaatschappij is geraakt, wordt besloten, op instigatie van de DNB, om de onderneming van X af te splitsen naar een nieuw ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.