HR, 12-09-2025, nr. 23/03600
23/03600
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-09-2025
- Zaaknummer
23/03600
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑09‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1258, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2593
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/1390
Viditax (FutD) 2025091201
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/953
NTFR 2025/1439 met annotatie van mr. A.H.G.M. Blomen
FutD 2025-1795
V-N 2025/40.14 met annotatie van Redactie
NLF 2025/1985 met annotatie van Yola Geradts
Belastingblad 2025/380 met annotatie van J.M.J.F. Jansen
AB 2025/278 met annotatie van R. Ortlep
BNB 2026/3 met annotatie van A.J.H. van Suilen
Beroepschrift 12‑09‑2025
Betreft | . Motivering beroep in cassatie |
Uw kenmerk | : 23/03600 |
Kenmerk | : […] |
Bijlage(n) | :- |
[…], 26 oktober 2023
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
Naar aanleiding van uw brief van 22 september 2023, zend ik u de motivering van het door ons (bij brief van 12 september 2023 met kenmerk BA023122) ingediende beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-H ertogenbosch (hierna: het hof) van 9 augustus 2023, met kenmerk 21/01119 inzake [X] B.V… Voor [X] B.V. treedt op de curator in het faillissement van deze vennootschap (hierna: de belanghebbende).
Het geschil in bezwaar, beroep en hoger beroep betreft de vraag of de Belastingdienst, kantoor Rotterdam (hierna: de inspecteur) terecht het verzoek om teruggaaf van btw over het tijdvak tweede kwartaal 2019 (hierna: het verzoek om teruggaaf) heeft afgewezen. Het hof is echter niet toe gekomen aan de inhoudelijk behandeling van het
geschil, omdat hij meent dat de inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek om teruggaaf.
Voor de feiten verwijzen wij naar de stukken van het geding.
2. Schending van het recht en of verzuim van vormen
Cassatiemiddel I
Als middel van cassatie dragen wij voor schending van het geldende recht, zoals geformuleerd in de rechtspraak van uw Raad in het arrest van 16 juli 2021, nr. 20/01682 (ECLI:NL:HR:2021:1153), doordat het hof de belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar/verzoek om teruggaaf.
Het hof meent dat de brief van belanghebbende van 9 juli 2019 geen bezwaar kan zijn te gen de eigen aangifte, omdat
geen aangifte is gedaan en dat de brief evenmin een btw-aangifte over het tijdvak tweede kwartaal 2019 kan zijn, omdat alleen aangifte kan worden gedaan bij een door de wet voorgeschreven formulier (het aangiftebiljet). H et aangiftebiljet was in het digitale domein aan [X] B.V. uitgereikt, maar niet ingediend. Het hof verklaart de belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar. Het door het hof gegeven oordeel is een ambtshalve bijgebrachte grond voor zijn vernietiging van de uitspraak van de inspecteur.
De inspecteur en de rechtbank hebben geen aanleiding gezien voor het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Zij hebben de zaak inhoudelijk behandeld. Daar waar de inspecteur, dan wel de rechtbank, de belanghebbende (volgens het hof) niet-ontvankelijk had moeten verklaren, doet het hof dit alsnog. Wij menen dat dit sinds uw arrest van 16 juli 2023, nr. 20/01682 in strijd is met het geldende recht. Het Hof had — net als de rechtbank heeft gedaan — de zaak inhoudelijk dienen te behandelen, omdat uit uw arrest van 16 juli 2023, 20/01682 volgt dat als in een eerdere instantie eenmaal inhoudelijk is beslist (in dit geval door inspecteur en Rechtbank), de rechtszekerheid vergt dat de belanghebbende niet later alsnog de niet-ontvankelijkheid van zijn rechtsmiddel (in die eerdere instanties) kan worden tegengeworpen.
Uw arrest van 16 juli 2023 ziet in concreto op de tijdigheid van het ingediende rechtsmiddel en dus op niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding. Principieel gaat het in de onderhavige zaak in wezen om hetzelfde als bij ambtshalve toetsing van termijnen (van openbare orde) en in beide zaken zijn klachten van de inspecteur over de ontvankelijkheid achterwege gebleven. Het hof meent om andere redenen dan termijnoverschrijding dat de inspecteur de belanghebbende niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek om teruggaaf en komt daarmee terug op beslissingen in eerdere instanties. Ook voor deze situatie geldt dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat de belanghebbende in hoger beroep voor het eerst wordt geconfronteerd met een beslissing over de ontvankelijkheid van het verzoek om teruggaaf.
Artikel 8:69 Awb dwingt voor de onderhavige zaak evenmin tot rechterlijke toetsing van de ontvankelijkheid. Een redelijke belangenafweging zou ook voor dit geval met zich mee moeten brengen dat in hoger beroep niet voor het eerst de ontvankelijkheid van een verzoek om teruggaaf of bezwaar wordt beoordeeld. Daarvoor is in deze fase van het geding geen voldoende zwaarwegend belang meer aanwezig.
Het wil ons bovendien voorkomen dat het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van de belanghebbende disproportioneel is. De curator kan zich in een faillissementssituatie doorgaans niet eenvoudig toegang verschaffen tot het digitale domein van de gefailleerde (rechts)persoon. Als de curator in dit soort situaties zijn toevlucht neemt tot het binnen een maand na het verstrijken van het aangiftetijdvak toch willen voldoen aan zijn aangifteverplichtingen (zij het per brief en niet per voorgeschreven aangiftebiljet) dan is dat naar onze mening een verschoonbaar verzuim (vormgebrek).
Cassatiemiddel II
Schending van het recht (artikel 6:10 Awb) en/of verzuim van vormen doordat het hof niet heeft beoordeeld of sprake was van een prematuur bezwaar. Over het tijdvak tweede kwartaal is wegens het uitblijven van het indienen van een aangifte op 29 augustus 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag heeft de belanghebbende niet bereikt, maar is de belanghebbende bekend geworden dankzij een aanmaning en een dwangbevel. Het was de belanghebbende bekend dat de naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De brief van 9 juli 2019 kan daarom worden aangemerkt als een (prematuur ingediend) bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 29 augustus 2019. Het hof heeft verzuimd dit te onderkennen en ter zitting te onderzoeken. Daarmee heeft het hof miskend dat de belanghebbende tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de naheffingsaanslag van 29 augustus 2019. De belanghebbende kon daarom worden ontvangen in haar bezwaar. De beslissing van de inspecteur van 29 mei 2020 is aan te merken als de uitspraak op het bezwaarschrift dat is ingediend bij brief van 9 juli 2019.
3. Conclusie
Wij verzoeken uw Raad de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak te verwijzen voor de inhoudelijke behandeling van het geschil zodat de feitenrechter alsnog in hoger beroep kan beslissen over de inhoud. Wij menen dat de belanghebbende niet aan de gemeente heeft gepresteerd. Zij heeft het cultuurhuis niet aan de gemeente (op)geleverd maar voor zichzelf gebouwd. De belanghebbende had immers het voornemen het cultuurhuis te exploiteren op eigen naam en voor eigen rekening en risico. Zo er wel een prestatie aan de gemeente is geweest, zou dit een btw-vrijgestelde verhuurprestatie zijn geweest (de wettelijke analogie: elke andere vorm van terbeschikkingstelling van een onroerende zaak) aan Panta Rhei.
Uitspraak 12‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 31 Wet OB; art. 26 AWR; rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht bij uitspraak op bezwaar een afwijzende beslissing op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting heeft gehandhaafd; beoordeling door het gerechtshof of de betrokken beslissing van de inspecteur voor bezwaar vatbaar is als bedoeld in artikel 26, lid 1, letter b, AWR; betekenis HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03600
Datum 12 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2023, nr. 21/011191., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/722) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.G.D. Pot en D. Visser, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is belastingplichtige voor de omzetbelasting. Zij is door uitreiking van een aangiftebiljet uitgenodigd om aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2019 te doen. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet niet ingediend.
2.1.2
Bij brief van 9 juli 2019 heeft belanghebbende de Inspecteur voor het hiervoor in 2.1.1 bedoelde tijdvak verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. De Inspecteur heeft op dat verzoek beslist dat belanghebbende geen recht op teruggaaf heeft.
2.1.3
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 2.1.2 bedoelde beslissing van de Inspecteur bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar zijn beslissing gehandhaafd. De Rechtbank heeft het door belanghebbende tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2.1
Voor het Hof was primair in geschil of bezwaar openstaat tegen de beslissing van de Inspecteur op het door belanghebbende bij de hiervoor in 2.1.2 vermelde brief gedane verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende volgens artikel 31, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting had moeten doen bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Belanghebbende heeft echter – hoewel daartoe uitgenodigd – geen aangifte gedaan en heeft dus niet bij aangifte verzocht om teruggaaf, aldus het Hof. De hiervoor in 2.1.2 bedoelde beslissing van de Inspecteur kan daarom niet worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 31, lid 8, van de Wet OB. Daarom staat op grond van artikel 26 AWR daartegen geen beroep open bij de bestuursrechter en staat ingevolge artikel 7:1 Awb evenmin daartegen bezwaar open. De Rechtbank had het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het Hof.Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur vernietigd, het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, en op de voet van artikel 8:71 Awb bepaald dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
2.3.1
Middel I betoogt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153 (hierna: het arrest van 16 juli 2021), dat het Hof niet de ontvankelijkheid van het bezwaar had mogen beoordelen, omdat zowel de Inspecteur als de Rechtbank geen aanleiding heeft gezien om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Beiden hebben inhoudelijk beslist en dan vergt de rechtszekerheid dat de belanghebbende niet later alsnog de niet-ontvankelijkheid van zijn rechtsmiddel (in die eerdere instanties) kan worden tegengeworpen.
2.3.2
Middel I faalt. In het arrest van 16 juli 2021 ging het om een beoordeling door de rechter van de tijdigheid van het bezwaar. Dat is hier niet aan de orde. In deze zaak gaat het om de vraag of het door belanghebbende gemaakte bezwaar ziet op een besluit waartegen op de voet van artikel 26, lid 1, letter b, AWR beroep openstaat bij de bestuursrechter. Anders dan het middel betoogt, is er geen reden om de in het arrest van 16 juli 2021 opgenomen beslissing dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen, ook toe te passen op beantwoording van de vraag of een besluit kan worden aangemerkt als een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking of enige andere beschikking waartegen de AWR, die een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent, bezwaar openstelt. Het Hof heeft die vraag dan ook terecht beoordeeld en beantwoord.2.
2.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑09‑2025
Vgl. HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080, rechtsoverweging 4.3.