RvS, 14-07-2010, nr. 200908516/1/H2.
ECLI:NL:RVS:2010:BN7796
- Instantie
Raad van State
- Datum
14-07-2010
- Magistraten
Mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, T.M.A. Claessens, B.P. Vermeulen
- Zaaknummer
200908516/1/H2.
- LJN
BN7796
- Roepnaam
Mauritshuis
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2010:BN7796, Uitspraak, Raad van State, 14‑07‑2010
Uitspraak 14‑07‑2010
Mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, T.M.A. Claessens, B.P. Vermeulen
Partij(en)
Uitspraak op de hoger beroepen van:
de stichting Stichting Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, gevestigd te Den Haag, en anderen (hierna: de stichtingen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 30 september 2009 in zaken nrs. 09/4491, 09/4493, 09/4496, 09/4502 tot en met 09/4515 in het geding tussen:
de stichtingen
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 16 september 2008 heeft de minister bij het verlenen van subsidie aan de stichtingen op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor de periode 2009–2012 een generieke korting van 1,7% respectievelijk 3,4% toegepast.
Bij onderscheiden besluiten van 7 mei 2009 heeft de minister de door de stichtingen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 september 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door de stichtingen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de stichtingen bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 5 november 2009, hoger beroep ingesteld. De stichtingen hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 2 december 2009.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1.
Ingevolge artikel 6:7, gelezen in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb moet een beroepschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge het tweede lid is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2.
De stichtingen, zeventien rijksmuseale instellingen, hebben gezamenlijk beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn op 18 juni 2009 was geëindigd en het beroepschrift eerst op 24 juni 2009 bij de rechtbank is ingediend. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat artikel 6:11 van de Awb geen ruimte laat voor de door de stichtingen gewenste belangenafweging.
2.3.
De stichtingen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aangezien het beroepschrift op 15 juni 2009, dus voor het einde van de termijn, ter post is bezorgd en de rechtbank het beroepschrift op 24 juni 2009 heeft ontvangen, het beroepschrift tijdig overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is ingediend. De stichtingen beogen daarmee een heroverweging van het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200707825/1 (www.raadvanstate.nl), inhoudende dat aan de terpostbezorging een einde komt als het beroepschrift door een onjuiste adressering aan de afzender is geretourneerd. De stichtingen voeren aan dat het geheel van handelingen voor het indienen van het beroepschrift in dit geval niet in betekenende mate onderbroken is geweest of is afgebroken, nu direct nadat het beroepschrift was geretourneerd en de onjuiste adressering is opgemerkt, het beroepschrift weer is verzonden aan de rechtbank. Volgens de stichtingen bestaat geen wezenlijk verschil met de situatie dat de bezorging door andere oorzaken, zoals vertraging bij de postdienst, langer duurt dan gebruikelijk is. Anders dan in de uitspraak van 9 april 2008 het geval was, zijn in deze zaak ook geen belangen van derden betrokken, aldus de stichtingen.
2.3.1.
Vast staat dat het beroepschrift, dat door de stichtingen op 15 juni 2009 ter post is bezorgd, onjuist was geadresseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de bezorging bij de advocaat van de stichtingen, na retournering door de postdienst vanwege het vermelden van een onvolledig postbusnummer, een einde is gekomen aan de verzending van het beroepschrift van 15 juni 2009, zodat artikel 6:9, tweede lid, van de Awb de stichtingen niet kan baten. De rechtbank heeft daarbij terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2008 in zaak nr. 200707825/1 (www.raadvanstate.nl), waarin de Afdeling heeft overwogen dat van de indiening van een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post als bedoeld in artikel 6:9 van de Awb pas sprake is, indien het geheel van handelingen is verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken, waaronder het zorg dragen voor een deugdelijke adressering. Voorts volgt uit die uitspraak dat indien door de adressering het poststuk niet bij de geadresseerde, in dit geval de rechtbank, wordt bezorgd maar aan het verzendadres wordt geretourneerd, aan de verzending een einde is gekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak anders te oordelen. Verder kan niet worden staande gehouden dat de vertraging door een onjuiste adressering bij verzending door de stichtingen op één lijn is te stellen met een vertraging die aan TNT Post is te wijten. Immers, een zodanige vertraging valt — anders dan de te late bezorging van het beroepschrift van de stichtingen die uitsluitend een gevolg is van hun handelingen en derhalve voor hun risico komt — buiten de invloedsfeer van de stichtingen.
Het betoog faalt.
2.4.
De stichtingen betogen voorts dat de rechtbank de zaak inhoudelijk had moeten behandelen. Zij voeren daartoe aan dat voor strikte handhaving van bezwaar- en beroepstermijnen uit oogpunt van rechtszekerheid geen plaats is in een geding tussen twee partijen, zoals in dit geval aan de orde is. Daarbij verwijzen de stichtingen naar in de literatuur voorgestane nuancering van de uitleg en toepassing van de termijnbepalingen bij tweepartijenrelaties. Zij wijzen er verder op dat de minister blijkens zijn mede-ondertekening van een brief van de stichtingen aan de rechtbank van 6 juli 2009 voorstander is van inhoudelijke behandeling van de zaak.
2.4.1.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat indien een verzuim niet verschoonbaar wordt geoordeeld artikel 6:11 van de Awb geen ruimte laat voor een belangenafweging als gevolg waarvan buiten het kader van deze bepaling een uitzondering wordt toegestaan op een voor belanghebbenden fatale termijn.
Het is niet aan de rechter daar in de door de stichtingen beoogde zin uitzonderingen op te maken. Dat daaromtrent in de literatuur andersluidende opvattingen zijn geuit, maakt dat niet anders. De termijnoverschrijding is dan ook terecht niet gepasseerd.
Ook dit betoog faalt.
2.5.
De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek voorzitter
w.g. Bindels ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010
85-615.
Verzonden: 14 juli 2010
Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser