Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/1.1
1.1 De (her)invoering van de stille cessie
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587082:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 255 e.v.; Reehuis 2004, nr. 73 e.v.
In het huidige recht wordt een onderscheid gemaakt tussen overdracht en levering. Zie o.a. Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3, p. 387; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 100; en Reehuis 2004, nr. 3. Cessie is derhalve niet de overdracht van vorderingen op naam.
Zie HR 7 mei 1915, NJ 1915, p. 791; en HR 31 maart 1939, NJ 1939, 1011. Vgl. Wiarda 1937, p. 186 e.v.
Zie daarover o.a. Reehuis 1987; Van Mierlo 1988.
Vgl. art. 3:84 lid 3 BW en art. 3:239 lid 1 BW. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 392-393 en p. 392, nt. 2 en vgl. M.v.A., Parl. Gesch. Boek 3, p. 397. Vgl. V.V. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 394-395 voor bezwaren.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 396 en p. 397.
Zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 878, nr. 3, sub II (securitisation) en sub III (factoring); en Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 1 e. v. Zie over securitisation o.a. Dudok van Heel 1994; Rongen 1994; Ruys 1998; Rongen 1998; Joosen & Van 't Westeinde 2002; Rongen 2002a; Ruys 2004; J. Bos 2010; en F.E.J. Beekhoven van den Boezem 2010a. Zie over factoring o.a. Beuving 1991; Beuving 1996; en Beuving 2001.
Zie voor het wetsvoorstel Kamerstukken II 2002-2003, 28 878, nr. 2. Zie voor de aanzet hiertoe: Verhagen 1997, p. 163 e.v. (i.h.b. p. 177); en Verhagen & Rongen 2000, par. 2.5. Zie voor reacties op het wetsvoorstel naast het Advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2002-2003, 28 878, nr. A) o.a. de bijdragen van W.J. Zwalve, A.J. Verdaas, A.F. Salomons, J.H.M. van Erp en M.H.E. Rongen & H.L.E. Verhagen aan het WPNR-nummer 6546 (2003) over de stille cessie; en voorts: De Serière 2003; M. Bos 2003; M. Bos 2004; Ruys 2004; Salomons 2004; Biemans 2004; (kort) J.J.P. Bos 2002, p. 365; en D. van Dijk, 'Stille cessie geen oplossing voor securitisatie', Het Financieele Dagblad 17 januari 2005. Zie over de invoering van de stille cessie in verband met de kredietcrisis (2009) o.a. J. Wester, 'Politiek volgde wensen banken', NRC Handelsblad 27 juni 2009, p. 1; J. Wester, 'Hoe Den Haag de banken bediende', NRC Weekblad 27 juni-3 juli 2009, p. 18-22; Broekers-Knol 2009; Zwalve 2009; en F.E.J. Beekhoven van den Boezem 2010a.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 6. Zie voor de toelichting, Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 12 (nr. 10).
1. Cessie is de levering van vorderingen op naam.1 Bij een cessie zijn drie partijen betrokken: de cedent (de oude schuldeiser), de cessionaris (de nieuwe schuldeiser) en de debitor cessus (de schuldenaar van de gecedeerde vordering). Voor de rechtsgeldige overdracht van de vordering op naam is vereist dat de levering wordt verricht door een beschikkingsbevoegde persoon krachtens geldige titel (art. 3:84 lid 1 BW).2
Tot 1992 was de cessie in het Burgerlijk Wetboek geregeld in art. 668 BW (oud). Voor de levering van de vordering was mededeling aan de schuldenaar geen constitutief vereiste. De cessie had direct rechtsgevolgen voor de cedent en de cessionaris en voor derden zoals schuldeisers.3 De cessie werd in de vorm van de fiduciaire zekerheidscessie ook als financieringsinstrument gebruikt.
Met de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in 1992 veranderde dit. Op grond van art. 3:94 lid 1 BW werd het alleen mogelijk om een vordering op naam te leveren door een zogenaamde openbare cessie. De mededeling aan de schuldenaar is een onderdeel van de leveringshandeling geworden. Pas na mededeling aan de schuldenaar heeft de cessie goederenrechtelijke werking. Door het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW) kwam aan de fiduciaire zekerheidscessie een einde. Tegelijkertijd werd in het Burgerlijk Wetboek de stille verpanding mogelijk gemaakt.4
De gedachte van Meijers was dat na de afschaffing van de fiduciaire zekerheidscessie en met de invoering van de stille verpanding de rechtspraktijk geen behoefte meer zou hebben aan een stille cessie, en dat een cessie waarbij mededeling aan de schuldenaar als een constitutief vereiste voor levering is, voldoende zou moeten zijn.5 In de M.v.A. II wordt voor het mededelingsvereiste ook de rechtszekerheid als argument genoemd: door het vereiste van de mededeling is voor alle betrokkenen duidelijk dat levering heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt opgemerkt dat- anders dan bij een verpanding - de overdracht van de vordering "bestemd is om te eniger tijd te worden geopenbaard".6
Uit de rechtsliteratuur van na de invoering van het Burgerlijk Wetboek is gebleken dat de rechtspraktijk evenwel behoefte heeft (of is blijven hebben) aan een cessie waarbij de mededeling aan de schuldenaar geen constitutief vereiste is. Met name bij de rechtsfiguren securitisation en factoring bleek deze behoefte zich voor te doen.7 Om aan de behoeften van de rechtspraktijk tegemoet te komen, is op 1 oktober 2004 een nieuw lid 3 aan art. 3:94 BW toegevoegd waardoor een stille cessie weer mogelijk is geworden.8 Het nieuwe lid 3 luidt:
"Deze rechten [de in lid 1 genoemde, tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten, die niet aan toonder of aan order zijn; hierna kortheidshalve: de vorderingen op naam] kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een reeds dan bestaande rechtsverhouding. De levering kan niet worden tegengeworpen dan na mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of de verkrijger. Voor de verkrijger van een recht dat overeenkomstig de eerste zin is geleverd, geldt artikel 88 lid 1 slechts, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip van de in tweede zin bedoelde mededeling."
De eerste zin van lid 3 van art. 3:94 BW bevat de leveringsvereisten van de stille cessie. De tweede zin geeft een regeling omtrent de rechtsgevolgen van de mededeling van de cessie aan de schuldenaar. De derde zin, die in het oorspronkelijke ontwerp niet voorkwam, maar later per amendement is toegevoegd,9 heeft betrekking op de derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de stille cedent.