Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/7.7.2
7.7.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590668:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 292.
De oorspronkelijke bepaling in het Ontwerp Meijers had betrekking op alle vormen van 'eigendomsovergang' (zowel onder algemene als onder bijzondere titel) en was niet beperkt tot de overgang van zakelijke rechten. Zie Art. 5.1 O.M., Parl. Gesch. Titel 7.17, p. 126. In de M.v.T. bij de wijziging van het wetsontwerp wordt de beperking tot alleen overdracht wei toegelicht, maar niet die tot alleen zakelijke rechten. Deze laatste wijziging lijkt daardoor geen bewuste keuze van de wetgever te zijn geweest. Zie M.v.T., Parl. Gesch. Titel 7.17, p. 128, en vgl. eveneens Parl. Gesch. Titel 7.17, p. 129-131.
Zie Losbladige Bijzondere Overeenkomsten 2008 (T.L. Cleiremans), art. 7:948, aant. 3; Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 215 en 289; Scheltema & Mijnssen 1998, nr. 2.23; Mijnssen 2007, nr. 20.4; Van der Woude 2006, par. 2. Mogelijk anders A-G Strikwerda in zijn conclusie (sub 14) vóór HR 25 april1997, NJ 1997, 513, waar hij bij een verzekerde vordering een beroep op art. 263 WvK (de voorloper van art. 7:948 BW) niet afwijst met het argument dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn op vorderingen, maar met het argument dat de bepaling geen betrekking heeft op 'recht op vergoeding van schade' dat is 'ontstaan' voor (kort gezegd) de overdracht van het verzekerde voorwerp.
Bijvoorbeeld, blijkens de parlementaire geschiedenis kan een eigendomsvoorbehoud ook op andere goederen dan zaken betrekking hebben. Zie Biemans 2009d, par. 5.
Zie Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 289.
Zie ook Scheltema & Mijnssen 1998, nr. 2.23, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie Mijnssen 2007, nr. 204. Scheltema & Mijnssen 1998, nr. 2.23, aanvaarden dat de rechten uit verzekering kwalitatieve rechten zijn, maar noemen daarbij niet art. 6:251 BW. Zij merken op dat de overdracht van een verzekerde vordering niet de overgang van de rechten op grond van art. 7:948 BW tot gevolg heeft en dat de rechten afzonderlijk kunnen worden overgedragen.
Zie W.L. Valk in Hijma, Van Dam, Van Schendel & Valk 2010, nr. 310.
Zie HR 25 april 1997, NJ 1997, 513 (Vavlie/Kester q.q.).
Zie hiervóór nr. 333, 344, 351 en 361 (nevenrecht) respectievelijk nr. 417 (kwalitatief recht).
Vgl. Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 264 e.v.
Zie hierna nr. 663.
453. Art. 7:948 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een zaak wordt overgedragen de rechten en verplichtingen uit de verzekering die het belang van de vervreemder bij het behoud van de zaak dekt overgaan op de verkrijger met de overgang van het risico. Aan art. 7:948 BW ligt de gedachte ten grondslag dat de vervreemder geen belang meer heeft bij het behoud van de zaak, omdat de zaak en daarmee het risico aan een ander is overgedragen.1 Art. 7:948 BW is in verschillende opzichten een lex specialis van art. 6:251 BW. De bepaling heeft alleen betrekking op rechten uit verzekering en ziet alleen op de overdracht van zaken en beperkte rechten waaraan een zaak is onderworpen, niet op andere goederen of andere vormen van overgang onder bijzondere titel. De rechten en verplichtingen uit de overeenkomst gaan op de nieuwe rechthebbende over, hetgeen op contractsovergang duidt (vgl. art. 6:159 BW). De verzekering vervalt een maand nadat zij op de nieuwe verzekerde is overgegaan, tenzij deze binnen die termijn aan de verzekeraar verklaart de overeenkomst voort te zetten (art. 7:948 lid 2 BW).2
Art. 7:948 BW heeft naar de letter van de wet alleen betrekking op de overdracht van zaken en beperkte rechten waaraan een zaak is onderworpen (zoals de rechten van vruchtgebruik en erfpacht op zaken). Hoewel een schakelbepaling (zoals bij koop (art. 7:47 BW) en huur (art. 7:201 lid 1 BW) ontbreekt, zou de bepaling naar mijn mening van ( overeenkomstige) toepassing dienen te zijn op de overdracht van andere goederen, zoals verzekerde vorderingen. De parlementaire geschiedenis ondersteunt deze zienswijze.3 Het standpunt dat art. 7:948 BW ook op andere verzekerde goederen van (overeenkomstige) toepassing is of zou dienen te zijn, wordt in de verzekeringsrechtelijke literatuur evenwel niet ingenomen.4 Dat is opmerkelijk, omdat ook andere, dan de in art. 7:948 genoemde goederen kunnen worden verzekerd en kunnen worden overgedragen. Het is onduidelijk waarom deze goederen een verzekeringsrechtelijke regeling moeten ontberen. Inpassing in het wettelijke systeem vormt bovendien geen probleem. In het Burgerlijk Wetboek komen meer bepalingen voor die krachtens de letter van de wet alleen op zaken betrekking hebben, maar die ook op andere goederen van (overeenkomstige) toepassing zijn.5
Als bij de verzekering van vorderingen art. 7:948 BW buiten toepassing blijft, gaan de rechten uit verzekering als kwalitatieve rechten op de nieuwe schuldeiser over op grond van art. 6:251BW.6 De oude schuldeiser heeft slechts een belang bij deze rechten zolang hij de rechthebbende van de vordering is.7 De rechten uit verzekering gaan naar mijn mening over op het moment van risico-overgang van het verzekerde goed (vgl. art. 7:10 BW). Dit is in overeenstemming met de ratio van art. 6:251 BW en sluit aan op de regel van art. 7:948 BW.
454. In de literatuur bestaan ook andere zienswijzen. Volgens Mijnssen volgt uit de niet-toepasselijkheid van art. 7:948 BW tevens de niet-toepasselijkheid van art. 6:251 BW. Het recht op uitkering krachtens kredietverzekering is volgens hem een nevenrecht (art. 6:142 BW), zodat de rechten uit verzekering toch op de nieuwe schuldeiser overgaan.8 Volgens Valk heeft art. 6:251 BW voor vorderingen geen zelfstandige betekenis, omdat kwalitatieve rechten steeds nevenrechten zullen zijn en derhalve reeds op grond van art. 6:142 BW op de nieuwe schuldeiser overgaan.9 Deze zienswijzen verdienen geen navolging. De kwalificatie als nevenrecht biedt weliswaar een oplossing voor vorderingen, maar niet voor andere goederen, zoals intellectuele eigendomsrechten, die ook verzekerd en overgedragen kunnen worden. Voor de overgang van nevenrechten ex art. 6:142 BW geldt bovendien een andere maatstaf dan voor de overgang van kwalitatieve rechten ex art. 6:251 BW. Voor de overgang van kwalitatieve rechten is beslissend of de oude rechthebbende nog belang heeft bij de rechten of niet. Nevenrechten daarentegen gaan van rechtswege over, zonder dat toetsing aan een dergelijke maatstaf plaatsvindt. Kwalitatieve rechten kunnen (en dienen) reeds om die reden niet zomaar gelijk (te) worden gesteld aan nevenrechten. Ook gaat de overgang van nevenrechten niet een eventuele tegenprestatie op de nieuwe rechthebbende over, zoals bij kwalitatieve rechten (art. 6:251 lid 2 BW).
In het arrest Vavlie/Kester q.q.10 oordeelde de Hoge Raad dat de vordering uit hoofde van een kredietverzekering, waarop door de verzekerde in verband met niet-betaling van de hoofdvordering een beroep was gedaan vóór de overdracht van de hoofdvordering, niet als een afhankelijk recht (art. 3:7 en 3:82 BW) op de nieuwe schuldeiser was overgegaan, omdat sprake was van "een reeds zelfstandige, afzonderlijk overdraagbare vordering tot schadevergoeding." Uit dit arrest volgt dat een opeisbare vordering uit hoofde van een kredietverzekering geen afhankelijk recht of een nevenrecht is. Dat oordeel is in overeenstemming het meer algemene beginsel dat zelfstandige vermogensrechten, zoals schadevergoedingsvorderingen, niet als afhankelijke rechten of nevenrechten worden aangemerkt en overigens evenmin als kwalitatieve rechten.11 Uit het oordeel als zodanig kunnen naar mijn mening geen gevolgtrekkingen worden afgeleid met betrekking tot het rechtskarakter van de nog niet opeisbare rechten uit verzekering, hooguit dat mogelijk ook het recht op uitkering geen afhankelijk recht en geen nevenrecht is.
455. Bij een stille cessie zal de stille cessionaris op grond van art. 6:251 BW de rechten uit verzekering krijgen als de stille cedent als oorspronkelijke verzekeringnemer bij deze rechten geen belang meer heeft. De stille cessie dient mijns inziens in dit opzicht niet anders dan een gewone overgang van een vordering te worden behandeld.
456. Voor het moment van de risico-overgang is de oude schuldeiser bevoegd om een kredietverzekering aan te gaan. Na dat moment is de nieuwe schuldeiser daartoe bevoegd. Bepalend is of de persoon in kwestie een te verzekeren belang heeft, en daarmee samenhangend, of hij op enige wijze schade kan lijden (vgl. art. 7:945 en 7:946 lid 1 BW).12
Ook bij de stille cessie is het moment van risico-overgang de levering van de vordering, niet de mededeling aan de schuldenaar.13 Dit moment is derhalve ook beslissend voor de vraag vanaf welk moment de stille cessionaris een kredietverzekering kan afsluiten, dan wel de stille cedent als onmiddellijk vertegenwoordiger daartoe opdracht kan geven.