type: ERMcoll:
Rb. Amsterdam, 10-05-2017, nr. C/13/500953 / HA ZA 11-2560
ECLI:NL:RBAMS:2017:3166
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
10-05-2017
- Zaaknummer
C/13/500953 / HA ZA 11-2560
- Roepnaam
CDC Project 13 SA/Akzo Nobel
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2017:3166, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 10‑05‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2014:3190, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 04‑06‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
NTHR 2014, afl. 4, p. 200
Uitspraak 10‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Vervolg in zaak over civielrechtelijke gevolgen van een kartelbeschikking van de Europese Commissie. Aan bod komen de thema's: geldigheid van de cessies aan CDC en verjaring van de vorderingen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/500953 / HA ZA 11-2560
Vonnis van 10 mei 2017
in de zaak van
de vennootschap naar Belgisch recht
CDC PROJECT 13 SA,
gevestigd te Brussel (België),
eiseres,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te 's-Gravenhage,
tegen
de vennootschap naar Fins recht
KEMIRA CHEMICALS OY,
gevestigd te Helsinki (Finland),
gedaagde,
advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.
Partijen zullen hierna CDC en Kemira worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de vonnissen in incidenten van 19 december 2012 en 4 juni 2014, zoals bekrachtigd bij het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 juli 2015;
- -
de akte houdende wijziging van eis van 2 december 2015 aan de zijde van CDC, met producties;
- -
het B-formulier gedateerd 15 december 2015, waarbij Kemira heeft laten weten geen bezwaar te maken tegen de wijziging van eis;
- -
de conclusie van antwoord, met producties;
- -
het tussenvonnis van 18 mei 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- -
het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 6 oktober 2016, met de daarin vermelde gedingstukken;
- -
het faxbericht van mr. Van Maanen van 16 november 2016, waarbij hij heeft aangekondigd dat partijen gezamenlijk verzoeken tussentijds hoger beroep toe te staan en hij zich heeft uitgelaten over het verdere verloop van de procedure;
- -
het faxbericht van mr. Knigge van 18 november 2016, waarbij hij heeft aangekondigd dat partijen gezamenlijk verzoeken tussentijds hoger beroep toe te staan en hij zich heeft uitgelaten over het verdere verloop van de procedure.
1.2.
De procedure tussen CDC en Akzo Nobel N.V. en Eka Chemicals AG (hierna: Akzo en Eka) is op verzoek van partijen op de rol doorgehaald. Dit vonnis wordt daarom niet (mede) gewezen tussen CDC enerzijds en Akzo en Eka anderzijds. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
CDC is een rechtspersoon naar Belgisch recht, die behoort tot de CDC-groep. De CDC-groep richt zich op het claimen van schade als gevolg van mededingingsrechtelijke inbreuken. Voor iedere procedure wordt door de CDC-groep een aparte rechtspersoon opgericht.
2.2.
Kemira (voorheen genaamd Finnish Chemicals Oy) is één van de geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 11 juni 2008 in de zaak COMP/38695 (hierna: de beschikking). Bij deze beschikking heeft de Commissie geldboetes opgelegd aan acht ondernemingen die zich schuldig hadden gemaakt aan overtreding van artikel 81 EG-Verdrag en artikel 53 EER-Overeenkomst door deel te nemen aan een complex geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen met het oog op de toewijzing van verkoopvolumes, de vaststelling van prijzen, de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over prijzen en verkoopvolumes en de controle op de uitvoering van de concurrentiebeperkende afspraken met betrekking tot natriumchloraat op de markt binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: het kartel) in de periode van 21 september 1994 tot 9 februari 2000.
2.3.
Op 2 augustus 2007 heeft de Commissie aan verschillende producenten van natriumchloraat, waaronder Kemira, een zogenaamd Statement of Objections gezonden. Kemira heeft diezelfde dag een persbericht uitgebracht, dat onder meer het volgende vermeldde:
“Finnish Chemicals Oy, a subsidiary of Kemira Oyj, has received an EU Commission Statement of Objections concerning selling of sodium chlorate, with regard to alleged antitrust activities during 1994-2000.”
2.4.
De Commissie heeft door middel van een persbericht op 11 juni 2008 de beschikking bekend gemaakt. Het persbericht luidt, voor zover hier van belang:
“De Europese Commissie heeft voor in totaal 79 070 000 EUR geldboeten opgelegd aan vier concerns die onderling verkoopvolumes verdeelden en prijsafspraken maakten voor natriumchloraat, een oxiderende stof die vooral als bleekmiddel in de pulp- en papierindustrie wordt gebruikt. (…) De betrokken ondernemingen zijn: (…) Finnish Chemicals [rechtbank: Kemira] (…).Van eind 1994 tot 2000 maakten deze ondernemingen prijsafspraken en verdeelden zij de markten onder elkaar tijdens een reeks bijeenkomsten en andere verboden contacten.
(…)
Het onderzoek van de Commissie kwam er na een verzoek om boete-immuniteit van EKA Chemicals in maart 2003. Ook Finnish Chemicals diende in het kader van de clementieregeling 2002 een verzoek in.
Schadeclaims
Particulieren of ondernemingen die van concurrentiebeperkende praktijken zoals in deze zaak te lijden hebben, kunnen de zaak voor de nationale rechter brengen en schadevergoeding eisen.”
2.5.
De Commissie heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie van 17 juni 2009 een samenvatting (hierna: de samenvatting) gepubliceerd van haar beschikking van 11 juni 2008. De samenvatting vermeldt, voor zover hier van belang:
“1. INLEIDING
(1) Op 11 juni 2008 nam de Commissie een beschikking aan betreffende een procedure krachtens artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van de beschikking — met inbegrip van de opgelegde sancties —, rekening houdend met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.
(2) De beschikking is gericht tot 8 rechtspersonen: EKA Chemicals AB en haar moedermaatschappij Akzo Nobel NV; Arkema France SA en haar moedermaatschappij tijdens de periode van de inbreuk, Elf Aquitaine SA; Finnish Chemicals Oy en haar moedermaatschappij tijdens de periode van de inbreuk Erikem Luxembourg SA; en Aragonesas Industrias y Energia SAU en haar moedermaatschappij tijdens de periode van de inbreuk Uralita SA, wegens een inbreuk op de bepalingen van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst.
(…)
3. SAMENVATTING VAN DE INBREUK
(9) Het betrokken product, natriumchloraat, is een sterk oxiderende stof die vooral gebruikt wordt voor de vervaardiging van chloordioxide, dat op zijn beurt dient voor het bleken van chemische pulp in de pulp- en papierindustrie. Andere toepassingen zijn de zuivering van drinkwater, het bleken van textiel, gebruik als herbicide en de raffinage van uranium. In 1999 bedroeg de marktwaarde voor natriumchloraat in de EER naar schatting ongeveer 203 miljoen EUR. De vier bij de inbreuk betrokken ondernemingen hadden een geraamd marktaandeel van ongeveer 93 %, d.w.z. tussen 185 en 195 miljoen EUR.
(10) In de beschikking wordt geconcludeerd dat EKA Chemicals AB, Finnish Chemicals Oy, Arkema France SA en Aragonesas Industrias y Energia SA tussen 21 september 1994 en 9 februari 2000 deelgenomen hebben aan een kartel met het oog op de verdeling van de natriumchloraatmarkt door verkoopvolumes toe te wijzen en de prijzen van het product op de EER-markt vast te stellen en/of in stand te houden. De partijen hebben ook informatie uitgewisseld om de tenuitvoerlegging van de onrechtmatige afspraken te vergemakkelijken en/of te controleren.
(11) De betrokken ondernemingen hadden een strategie die erin bestond de natriumchloraatmarkt te stabiliseren, om uiteindelijk de verkoopvolumes voor natriumchloraat onder elkaar te kunnen verdelen, het prijsbeleid ten opzichte van de klanten te coördineren en zo de marges te maximaliseren. Voorts werd aangetoond dat de concurrenten geprobeerd hebben de onrechtmatige afspraken op de markt uit te voeren door de natriumchloraatprijzen met de respectieve klanten opnieuw te onderhandelen.”
2.6.
In oktober 2009 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van de beschikking gepubliceerd.
2.7.
In de door CDC overgelegde onderhandse aktes is vastgelegd dat twaalf groepen van pulp- en/of papierproducenten (moeder- en dochter maatschappijen) (hierna: de afnemers) al hun (beweerdelijke) vorderingen tot schadevergoeding op de deelnemers aan het kartel aan CDC hebben gecedeerd, tegen een door CDC te betalen koopprijs. De dochtermaatschappijen hebben daartoe eerst hun vorderingen aan de moedermaatschappij gecedeerd. De moedermaatschappijen hebben vervolgens al hun eigen vorderingen en de vorderingen van de dochtermaatschappijen aan CDC gecedeerd. Op de cessie-overeenkomsten, waarvan een aantal relevante bepalingen onder 4.4 en 4.5 hierna wordt weergegeven, tussen CDC en de moedermaatschappijen is Nederlands recht van toepassing verklaard.
2.8.
De afnemers hadden hun productielocaties in respectievelijk Portugal, Zweden, Spanje, Slowakije, Tsjechië, Noorwegen, Finland, Oostenrijk en Frankrijk.
3. Het geschil
3.1.
CDC vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. Kemira veroordeelt tot betaling aan CDC van EUR 61.138.989,00;
2. een en ander evenwel onder aftrek van bedragen die anders – met inachtneming van door de rechtbank te bepalen uitgangspunten – voor de interne draagplicht van Akzo/Eka en Arkema France SA zouden komen;
3. Kemira hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan CDC van de wettelijke rente naar het toepasselijke recht op de vorderingen, per 2 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
4. Kemira veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
CDC legt – onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan haar vordering ten grondslag dat Kemira deelnemer is geweest aan het kartel. Door deelname aan het kartel heeft Kemira onrechtmatig gehandeld tegenover de afnemers. Het kartel heeft aanmerkelijke schade veroorzaakt bij de afnemers. De afnemers hebben hun vorderingen aan CDC gecedeerd, zodat CDC thans in rechte optreedt. CDC begroot de door de benadeelden geleden schade op EUR 61.138.989,00, te vermeerderen met wettelijke rente naar het toepasselijk recht op de afzonderlijke vorderingen. Kemira dient deze schade aan CDC, als vorderingsgerechtigde, te voldoen.
3.3.
Kemira voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Zoals ter comparitie met partijen is afgesproken, liggen in dit stadium slechts de geldigheid van de cessies en het beroep op verjaring ter beoordeling voor.
de cessies
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat CDC naar aanleiding van het niet-ontvankelijkheidsverweer van Kemira, die daarbij heeft aangevoerd dat CDC de overeenkomsten die aan de cessies ten grondslag liggen niet in het geding heeft gebracht, afschriften van alle cessie-akten en de onderliggende titels heeft overgelegd, zodat dit verweer van Kemira geen behandeling meer behoeft.
4.3.
CDC stelt dat zij rechthebbende is van de vorderingen tot schadevergoeding van de afnemers en maakt uit hoofde daarvan in deze procedure jegens Kemira aanspraak op schadevergoeding. Zij stelt daartoe dat de in paragraaf 16 van de dagvaarding vermelde dochtermaatschappijen hun vorderingen hebben gecedeerd aan hun moedermaatschappijen. Vervolgens hebben de 12 (eveneens in paragraaf 16 van de dagvaarding) vermelde moedermaatschappijen de aldus verkregen vorderingen en hun eigen vorderingen (door)gecedeerd aan CDC, aldus CDC. Kemira betwist de rechtsgeldigheid van voormelde cessies.
4.4.
Vast staat dat in de cessie-overeenkomsten tussen de dochtermaatschappijen en de moedermaatschappijen het volgende is bepaald:
“ASSIGNOR hereby assigns to ASSIGNEE all damage claims which ASSIGNOR has or might have with regard to purchases of Sodium Chlorate between 1 January 1992 and 31 December 2007, resulting from the violation of Article 101 and/or Article 102 Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU, formally Article 81 and/or Article 82 EC-Treaty), Article 53 EEA-Agreement and/or the corresponding provisions in the Europe-Agreements (i.e. Agreements establishing an Association between the European Communities, their Member States and future Member States) and/or national competition laws, which constitute the Sodium Chlorate Cartel practiced in the European Union and in the EFTA States (see European Commission, Decision of 11 June 2008, COMP/38.695), against any and all members of this Cartel, in particular Eka Chemicals AB (Sweden)/ Akzo Nobel NV (Netherlands), Finnish Chemicals Oy (Finland)/ Erikem S.A. (Luxembourg), Arkema France SA (France)/ Elf Aquitaine SA (France), Aragonesas Industrias y Energia S.A. (Spain)/ Uralita S.A. (Spain), including their legal successors and parent companies. The damage claims subject to this transfer by assignment have to be understood in a broad sense, covering any and all cartel-related damages, such as price overcharges, loss of profit, the costs of claims enforcement, and all the interests in this regard, including accessory rights.”
4.5.
Verder staat vast dat in de cessie-overeenkomsten tussen CDC en de moedermaatschappijen het volgende is bepaald:
“1. Definitions
(…)
( c) “Cartel” shall mean the anti-competitive practices constituting an infringement of Article 101 and/or 102 TFEU (previously Article 81 and/or Article 82 EC-Treaty), Article 53(1) EEA-Agreement and/or the corresponding provisions of the agreements establishing an association between the European Communities, their Member States and future Member States (“Europe-Agreements”) and/or national competition laws by Sodium Chlorate producers, as specified by the European Commission in its Decision of 11 June 2008 (Case COMP/38.695), without however being limited to the time period of the infringement as defined in this Decision (i.e. 1 September 1994 until 28 February 2000), which has affected the Product market in Europe.
( d) “Cartel Period” shall mean the period in which the Cartel resulted in quantifiable damages. This period covers, but is not limited to the time period of the infringement defined in the Decision of the European Commission COMP/38.695 (…).
( g) “Damage Claims” shall mean any and all manners of damage claims against members of the Cartel regarding Cartel-related damages, including overcharges, interest, loss of profit, costs, expenses and fees.
( l) “Product” shall mean Sodium Chlorate of any type and/or concentration, measured in metric tons.
(…)
2. Claims Purchase
( a) CDC hereby agrees to fully and finally purchase from COMPANY any and all Damage Claims of COMPANY-Group that COMPANY has against any and all members of the Cartel resulting from the Cartel and from Product purchases by COMPANY-Group during the Cartel Period.
( b) COMPANY hereby agrees to fully and finally sell, assign and transfer to CDC any and all Damage Claims of COMPANY-Group that COMPANY has against any and all members of the Cartel resulting from the Cartel and from Product purchases by COMPANY-Group during the Cartel Period. CDC agrees to accept the assignment of such Damage Claims by COMPANY.
( c) The Parties will execute the obligation set forth under Provision 2 (a) and (b) in a separate deed of transfer (within the meaning of article 3:94 Dutch Civil Code) under which the ownership of the Damage Claims of COMPANY-Group will pass from COMPANY to CDC.
(…)
16. Applicable Law
This Agreement is governed by Dutch law.”
4.6.
In de cessie-akten tussen CDC en de moedermaatschappijen is bepaald:
“2. Assignment and Transfer of any and all Damage Claims
(a) Pursuant to the Purchase and Assignment Agreement, COMPANY hereby fully and finally assigns and transfers to CDC any and all Damage Claims of COMPANY-Group that COMPANY has against any and all members of the Cartel resulting from the Cartel and from Product purchases by COMPANY-Group during the Cartel Period.”
toepasselijk recht voor beoordeling geldigheid van de cessies
4.7.
De rechtbank dient te beoordelen naar welk recht de geldigheid van de cessies moet worden beoordeeld. Volgens de in het Nederlands internationaal privaatrecht heersende leer geschiedt de kwalificatie van de rechtsverhouding aan de hand van het begrippenstelsel van het eigen rechtssysteem waartoe de verwijzingsregel behoort, in dit geval het begrippenstelsel van het Nederlands conflictenrecht. In het Nederlands conflictenrecht wordt onderscheid gemaakt tussen de vermogensrechtelijke en goederenrechtelijke aspecten van de cessie en wordt de door Kemira betwiste geldigheid van de cessies gerekend tot de goederenrechtelijke aspecten.
4.8.
Krachtens het tot 17 december 2009 geldende artikel 12 lid 1 van het verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, 156 (hierna: EVO) worden de verbintenissen tussen cedent en cessionaris van een vordering beheerst door het recht dat ingevolge het EVO op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. Deze verwijzingsregel, die naar de letter alleen op verbintenissen ziet, geldt ook voor de goederenrechtelijke aspecten van de cessie, waaronder de geldigheid van de cessie (HR 16 mei 1997, NJ 1998, 585 en artikel 10 lid 2 van de op 1 januari 2008 in werking getreden Wet conflictenrecht goederenrecht).
4.9.
Met ingang van 17 december 2009 is het EVO vervangen door de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Artikel 14 lid 1 Rome I bevat echter geen conflictregel voor de goederenrechtelijke aspecten van de cessie ten opzichte van de debiteur en andere derden, aangezien bij de totstandkoming van Rome I geen overeenstemming kon worden bereikt over de vraag welk recht deze aspecten van de cessie dient te beheersen.
4.10.
Nu Rome I geen conflictregel bevat voor de geldigheid van de cessies, dient het daarop toepasselijk recht te worden bepaald aan de hand van het Nederlands internationaal privaatrecht, te weten artikel 10 lid 2 van de tot 1 januari 2012 geldende Wet conflictenrecht goederenrecht. Daarin staat dat het goederenrechtelijke regime betreffende een vordering op naam wordt beheerst door het recht dat op de tot overdracht van rechten verplichtende overeenkomst toepasselijk is.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat de geldigheid van de cessie wordt beheerst door het cessiestatuut, dus het in die cessieovereenkomsten gekozen Nederlands recht.
voldoende bepaalbaar?
4.12.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat voor het overdragen van een vordering op naam vereist, maar ook voldoende is, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004, 183). De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, NJ 2005, 326).
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor in 4.4 en 4.5 vermelde bepalingen uit de cessie-overeenkomsten voldoende duidelijk dat het gaat om vorderingen van afnemers tot vergoeding van alle schade als gevolg van het kartel met inbegrip van meerprijs, rente, gemiste winst en kosten. Duidelijk is voorts dat het gaat om vorderingen op alle in de beschikking aangeduide leden van het kartel (als schuldenaren van de vorderingen), waaronder - voor zover hier van belang - Kemira. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de cessie-akten (onder meer door de verwijzing naar de cessie-overeenkomsten) derhalve voldoende gegevens om (achteraf, zo nodig aan de hand van de onderliggende dossiers van de afnemers) te kunnen vaststellen om welke vorderingen het gaat.
fudiciaverbod
4.15.
Kemira voert voorts aan dat sprake is van strijd met het fiduciaverbod (artikel 3:84 lid 3 BW).
4.16.
Artikel 3:84 lid 3 BW bepaalt dat een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel is voor overdracht van dat goed.
4.17.
Niet valt in te zien dat in dit geval sprake is van een overdracht van de schadevergoedingsvorderingen tot zekerheid, reeds omdat geen sprake is van een situatie waarin CDC een vordering heeft op de cedenten waarvoor zij zekerheid zou wensen (in de vorm van een recht op de schadevergoedingsvorderingen dat haar in haar belang als schuldeiser beschermt). Indien CDC uit hoofde van de gecedeerde vorderingen betalingen ontvangt en gelet op haar afspraken met de cedenten een percentage van deze betalingen doorgeeft aan de cedenten en de rest (als onderdeel van de koopprijs) behoudt, rechtvaardigt dit geen ander oordeel. Kemira heeft voorts gesteld dat sprake is van een schijnverkoop die de strekking mist de schadevergoedingsvorderingen na overdracht in het vermogen van CDC te doen vallen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 2 van de cessie-overeenkomsten (zie 4.5) dat deze strekken tot werkelijke overdracht van alle betrokken vorderingen. De vorderingen gaan zonder relevante beperking krachtens verkoop op CDC over, waarna CDC de tot haar vermogen behorende vorderingen zal gaan innen. Dat de koopprijs deels afhankelijk is van het resultaat van deze procedure doet daar niet aan af. Voorts bevatten de overeenkomsten geen bepalingen op grond waarvan de vorderingen (bijvoorbeeld in geval van faillissement van CDC) kunnen terugvallen in het vermogen van de cedenten. Dat de cedenten onder bepaalde voorwaarden een terugkooprecht hebben, bevestigt juist dat de overeenkomsten ertoe strekken de vorderingen daadwerkelijk in het vermogen van CDC te doen vallen. Van strijd met het fiduciaverbod is dus geen sprake.
strijd met openbare orde/goede zeden?
4.18.
Kemira voert aan dat de door CDC gebruikte procedeer- en financieringsconstructie in strijd is met de openbare orde dan wel goede zeden, op grond waarvan de onderliggende (cessie)overeenkomsten nietig zijn wegens een verboden inhoud en/of strekking (artikel 3:40 lid 1 BW). Zij stelt daartoe dat het principe dat de verliezer van de procedure betaalt onder druk staat als een ‘leeg procedeervehikel’ zoals CDC de procedure voert en de eventuele winst direct doorsluist naar de afnemers en eigen investeerders, terwijl proceskostenverhaal op CDC als procedeervehikel zeer lastig is. Kemira verwijst in dit verband tevens naar een uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 17 december 2013, bevestigd door het Oberlandesgericht Düsseldorf op 18 februari 2015 (VI-U (Kart) 3/14).
4.19.
De rechtbank overweegt dat CDC, hoewel zij daartoe (op grond van artikel 224 Rv of anderszins) niet gehouden was, op 9 september 2016 een bedrag van EUR 55.000,00 heeft overgemaakt naar de Stichting Derdengelden Advocatuur van BarentsKrans ter dekking van een eventuele proceskostenveroordeling in deze zaak (in alle instanties). Kemira loopt derhalve geen risico dat zij ten gevolge van het door CDC gehanteerde cessie-model geen verhaal zal vinden voor eventuele proceskostenveroordelingen. Reeds om die reden kan geen sprake zijn van de door Kemira gestelde verboden inhoud of strekking van de cessie-overeenkomsten.
4.20.
De verwijzing naar de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf kan Kemira niet baten, nu niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden in voormelde Duitse zaak (voldoende) vergelijkbaar zijn met de feiten en omstandigheden in deze zaak. Zo was in de Duitse procedure geen sprake van zekerheidstelling voor de proceskosten, terwijl bovendien de proceskostenrisico’s in Duitsland in de regel aanmerkelijk groter zijn dan in Nederland.
4.21.
Het voorgaande betekent dat het beroep op nietigheid van de cessies faalt.
4.22.
De conclusie is dan ook dat de cessies rechtsgeldig zijn.
verjaring
4.23.
Kemira heeft zich beroepen op verjaring. Voor de beoordeling van dit beroep op verjaring heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de volgende feiten:
- Het kartel is actief geweest in de periode van 21 september 1994 tot 9 februari 2000.
- De Commissie heeft onderzoek gedaan dat in juni 2008 heeft geleid tot een beschikking, waarover op 11 juni 2008 een persbericht is gepubliceerd door de Commissie.
- De Commissie heeft op 17 juni 2009 een samenvatting van haar beschikking gepubliceerd en zij heeft in oktober 2009 de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking gepubliceerd.
- Het persbericht en de beschikking waren bekend in de markt.
- CDC heeft op 31 mei 2011 de inleidende dagvaarding uitgebracht. In deze dagvaarding is geen kwantificering van de schade opgenomen.
4.24.
De rechtbank stelt voorop dat het op een individuele vordering toepasselijke nationale recht (het vorderingsstatuut) bepaalt wat de verjaringstermijn is, alsmede het tijdstip van aanvang van de verjaring. Nu de vorderingen betrekking hebben op gedragingen van vóór de inwerkingtreding van de Rome II-Verordening moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van de Wet Conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). Artikel 4 lid 1 WCOD bepaalt dat verbintenissen uit onrechtmatige daad wegens ongeoorloofde mededinging worden beheerst door het recht van het land op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt. Evenals partijen gaat de rechtbank ervan uit dat de marktverstoring heeft plaatsgevonden op de plaats waar vraag en aanbod zijn samengekomen, te weten ter plaatse van de respectievelijke productielocaties van de afnemers (zie 2.8). Partijen hebben deskundige rechtsgeleerde opinies overgelegd met betrekking tot het Spaanse recht, het Finse recht, het Zweedse recht, het Tsjechische recht en het Slowaakse recht. De rechtbank acht zich op de voet van deze opinies voldoende voorgelicht om over deze nationale rechtsstelsels op het terrein van verjaring van rechtsvorderingen te oordelen.
4.25.
De rechtbank heeft de volgende fundamentele beginselen in aanmerking genomen.
4.25.1.
De lidstaten zijn verplicht in hun nationale rechtsstelsels ervoor zorg te dragen dat het Europese mededingingsrecht effectief is. De nationale rechtsregels in elke lidstaat bepalen dat, wanneer en hoe in die lidstaat een vordering tot vergoeding van schade geldend kan worden gemaakt. Elke lidstaat moet dan ook ervoor zorgdragen dat een partij, die als gevolg van een kartel schade heeft geleden, in het nationale rechtsstelsel voldoende gelegenheid heeft om een vordering tot vergoeding van deze schade geldend te maken. Een lidstaat voldoet niet aan deze plicht indien het in het nationale rechtsstelsel uiterst moeilijk of onmogelijk is een dergelijke vordering tot vergoeding van schade geldend te maken. Een bepaling van nationaal recht, die het uiterst moeilijk of onmogelijk maakt een dergelijke vordering geldend te maken, moet buiten toepassing blijven.
4.25.2.
De lidstaten mogen regels over de verjaring van rechtsvorderingen vaststellen en handhaven. Deze regels staan in algemene zin niet in de weg aan de effectiviteit van het Europese mededingingsrecht. Onder omstandigheden, die in elk concreet geval moeten worden beoordeeld, kunnen deze regels echter het voor een benadeelde partij uiterst moeilijk of onmogelijk maken een vordering tot vergoeding van schade geldend te maken.
4.25.3.
De richtlijn die na implementatie zal leiden tot (een mate van) harmonisatie van de nationale regels in de lidstaten met betrekking tot de verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade in verband met kartels is in alle relevante lidstaten nog niet geïmplementeerd. De termijn voor implementatie is nog niet verstreken.
4.25.4.
In de relevante lidstaten is voor het uitbrengen van een inleidende dagvaarding tot vergoeding van schade voldoende dat de eisende partij bekend is met de grondslag voor aansprakelijkheid en in staat is op de voet daarvan een vordering te formuleren. In deze lidstaten is voor het uitbrengen van een inleidende dagvaarding niet vereist dat de gestelde schade wordt gekwantificeerd.
Spaans recht
4.26.
Partijen zijn het erover eens dat rechtsvorderingen tot vergoeding van schade die worden beheerst door Spaans recht na verloop van één jaar verjaren. Het tijdstip waarop de klok gaat tikken houdt partijen verdeeld. Kemira betoogt dat het tijdstip van bekendheid door de benadeelde met de wezenlijke feiten rondom het kartel en de mogelijke impact daarvan op de markt (en daarmee de mogelijkheid van schade) beslissend is (opinie [naam 1] van het kantoor [bedrijf 1] , 7.2-7.6). Die bekendheid was er volgens Kemira in juni 2008, na kennisname van het persbericht van de Commissie, althans in juni 2009, na kennisname van de samenvatting van de beschikking, althans in oktober 2009, na kennisname van de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking. CDC zoekt aansluiting bij de “finale vaststelling”: het tijdstip waarop de beschikking van de Commissie in kracht van gewijsde gaat (opinie [naam 2] van het kantoor [bedrijf 2] , blz. 3 onderaan); in dit geval na afloop van de tweemaands beroepstermijn na de beslissing op 25 oktober 2011 van het Gerecht in de zaken van karteldeelnemers Uralita en Aragonesa Industrias y Energía. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk aan de zijde van Kemira. De opinie van Callol is naar het oordeel van de rechtbank een overtuigende weergave van het Spaanse recht; de opinie van [bedrijf 2] is toegespitst op rechtsgeleerde beschouwingen over een ontwikkeling die volgens de opsteller van de opinie gewenst zou kunnen zijn, maar die naar het oordeel van de rechtbank niet het geldende recht met betrekking tot het ook in 4.25.1 genoemde effectiviteitsbeginsel weergeeft. In het persbericht, de samenvatting van de beschikking en de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking liggen zodanige gegevens besloten dat marktpartijen, die geacht mogen worden de ontwikkelingen op dit terrein nauwlettend te volgen, onverwijld na de publicatie daarvan bekend waren of behoorden te zijn met het bestaan van het kartel, de belangrijkste elementen van de werking ervan, de strekking en de intentie ervan, en, in het verlengde van het voorgaande, de mogelijkheid van een impact op de prijzen en daarmee de mogelijkheid van schade. De verjaringstermijn is dan ook op 17 juni 2009 althans uiterlijk op 30 oktober 2009 (de datum van publicatie van de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking), zo niet al in juni 2008, gaan lopen. De verjaringstermijn was op 31 mei 2011, toen CDC de inleidende dagvaarding uitbracht, al geruime tijd verstreken. De door CDC gepretendeerde rechtsvorderingen naar Spaans recht zijn dan ook verjaard.
Het Europese mededingingsrecht is bij deze stand van zaken niet onvoldoende effectief. De afnemers (cedenten van CDC) hebben na het bekend worden van het kartel, de mogelijke impact en de mogelijke schade - in juni 2008 door publicatie van het persbericht, in juni 2009 door publicatie van de samenvatting van de beschikking, dan wel in oktober 2009 door publicatie van de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking - een jaar de tijd gehad hun eventuele rechtsvorderingen geldend te maken.
4.27.
CDC stelt dat sprake is van nawerking van het kartel "tot en met 2002" (akte wijziging eis, paragraaf 20). CDC heeft deze stelling uitsluitend toegelicht aan de hand van een algehele verwijzing naar de door haar overgelegde deskundige opinie ( [naam 3] en [naam 4] ), die niet aanstonds toegankelijk en overtuigend is. Kemira betwist dat sprake zou zijn van nawerking (conclusie van antwoord, paragraaf 6.4). CDC is in haar reactie op het beroep op verjaring in de conclusie van antwoord, en ter gelegenheid van de zitting in oktober 2016, niet ingegaan op de vraag of er sprake zou zijn van nawerking. De stelling van CDC dat sprake is van nawerking is tegenover de betwisting door Kemira onvoldoende toegelicht, zodat de rechtbank dit hier, en ook hierna, verder niet in haar beoordeling betrekt. Dit geldt ook voor de beoordeling naar Fins recht, Zweeds recht, Tsjechisch recht en Slowaaks recht hierna.
Fins recht
4.28.
Partijen zijn het erover eens dat rechtsvorderingen die zijn ontstaan in de periode vanaf 1998 niet zijn verjaard (omdat het Finse recht voor de periode vanaf 1998 is gewijzigd waardoor een ruimere verjaringstermijn is gaan gelden). Het beroep van Kemira op verjaring betreft de rechtsvorderingen die zijn ontstaan in de periode vóór 1998. Voor wat betreft deze periode geldt naar Fins recht - hier zijn partijen het over eens - een objectieve verjaringstermijn van tien jaar vanaf het tijdstip waarop de schade is geleden (of eventueel uiterlijk het tijdstip waarop het kartel eindigt). Kemira betoogt dat deze verjaringstermijn uiterlijk in februari 2000 is gaan lopen omdat het kartel toen is geëindigd. De rechtbank volgt dit argument en is van oordeel dat de door CDC gepretendeerde rechtsvorderingen die zijn ontstaan in de periode vóór 1998 zijn verjaard. De verjaringstermijn van tien jaar is naar het oordeel van de rechtbank uiterlijk gaan lopen op het tijdstip van het einde van het kartel in februari 2000. De termijn was dan ook al geruime tijd (al in februari 2010) verstreken toen CDC de inleidende dagvaarding uitbracht op 31 mei 2011. Het Europese mededingingsrecht is bij deze stand van zaken niet onvoldoende effectief. De afnemers (cedenten van CDC) hebben na het bekend worden van het kartel, de mogelijke impact en de mogelijke schade - in juni 2008 door publicatie van het persbericht - gedurende anderhalf jaar de gelegenheid gehad de door CDC gepretendeerde rechtsvorderingen geldend te maken. Hierbij kan worden opgemerkt dat CDC niet heeft uitgelegd welke essentiële gegevens wel in de samenvatting van de beschikking of de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking zijn opgenomen maar niet in het persbericht en dat en waarom dergelijke gegevens zouden meebrengen dat de vereiste bekendheid er niet was in juni 2008 maar wel in juni of oktober 2009. CDC is in het geheel niet ingegaan op eventuele relevante inhoudelijke verschillen tussen het persbericht en de samenvatting. Ook indien de vereiste bekendheid er pas was in juni of oktober 2009, hebben de afnemers en/of CDC enkele maanden de tijd gehad een rechtsvordering geldend te maken. CDC heeft niet, aan de hand van een concrete, op de feiten van deze zaak toegespitste toelichting duidelijk gemaakt dat en waarom deze periode onvoldoende zou zijn. Een eenvoudige dagvaarding of stuitingsbrief was voldoende, onder verwijzing naar de beschikking. Thema's als de kwantificering van het gestelde nadeel, hoofdelijke aansprakelijkheid en rente hadden later concreet kunnen worden toegelicht en uitgewerkt.
Zweeds recht
4.29.
Naar Zweeds recht geldt, zo stellen partijen, voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op het terrein van het mededingingsrecht met betrekking tot de periode tot in 2005 een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze termijn vangt aan op het tijdstip van het einde van het kartel (in februari 2000; zie de overweging hiervoor over de door CDC gestelde nawerking). Dit betekent dat deze termijn is verstreken voordat de afnemers (cedenten van CDC) - in juni 2008 (dan wel juni of oktober 2009) - bekend zijn geworden met het kartel, de mogelijke impact daarvan en de mogelijke schade. Het Europese recht moet echter in het Zweedse nationale rechtsstelsel voldoende effectief zijn. Het betoog van CDC komt erop neer dat de termijn van vijf jaar daarom niet geldt en dat haar vorderingen dan ook bij dagvaarding van 31 mei 2011 tijdig zijn ingesteld. De rechtbank volgt CDC op dit punt niet. Bij de beoordeling van de vraag of het Europese recht bij handhaving van de termijn onvoldoende effectief zou zijn moet ook het tijdstip in aanmerking worden genomen waarop CDC haar vorderingen heeft ingesteld: 31 mei 2011 - ruim tien jaar na het einde van het kartel, bijna drie jaar na het persbericht en bijna twee jaar na publicatie van de samenvatting van de beschikking. Van CDC en de afnemers mag worden verlangd, willen zij zich kunnen beroepen op de regel dat het Europese recht voldoende effectief moet zijn, dat zij zich naar behoren inspanningen getroosten om, nadat zij bekend zijn met het kartel, de mogelijke impact daarvan en de mogelijke schade, onverwijld het noodzakelijke onderzoek in te stellen en de gestelde vorderingen geldend te maken althans de verjaring te stuiten. Hoeveel tijd nodig is, hangt af van de omstandigheden van het geval; in dit geval is een termijn van twee of drie jaar – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voor de werkzaamheden die moesten worden verricht – te lang. Het moet ervoor worden gehouden dat het Europese recht bij een geslaagd beroep van Kemira op verjaring voldoende effectief is nu de afnemers en CDC vanaf juni 2008 althans vanaf juni 2009 hebben stilgezeten ten opzichte van Kemira en CDC eerst op 31 mei 2011 vorderingen heeft ingesteld. Zoals hiervoor is overwogen, hadden CDC en de afnemers kunnen volstaan met een eenvoudige dagvaarding (of stuitingsbrief) waarbij wordt verwezen naar de beschikking; een kwantificering van de gestelde schade (of een uitputtende analyse van hoofdelijkheid of rente) is niet vereist.
4.30.
Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat de Zweedse wetgever in 2005 (voor de toekomst) de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen zoals hier aan de orde zijn, heeft bepaald op tien jaar. Partijen zijn het hierover eens. De rechtsvorderingen van CDC zouden in dit nieuwe stelsel zijn verjaard (zie de overwegingen hiervoor over Finland). Dit is naar het oordeel van de rechtbank een belangrijk gezichtspunt bij de beantwoording van de vraag welke inspanningen van CDC en de afnemers konden worden verlangd en of het Europese recht bij een geslaagd beroep van Kemira op verjaring voldoende effectief is.
Tsjechisch recht
4.31.
Onder Tsjechisch recht geldt een relatieve verjaringstermijn van vier jaar en een absolute verjaringstermijn van tien jaar. Kemira heeft een beroep gedaan op de absolute verjaringstermijn. Volgens Kemira is de verjaringstermijn aangevangen op 9 februari 2000, het einde van de kartelperiode. CDC heeft hiertegen aangevoerd dat de absolute verjaringstermijn buiten beschouwing moet worden gelaten, gelet op een uitspraak van het Grondwettelijke Hof van de Tsjechische Republiek. Volgens CDC heeft dat gerecht geoordeeld dat het tegenwerpen van een verjaringstermijn onder omstandigheden in strijd kan komen met de goede zeden, bijvoorbeeld wanneer het verlopen van de verjaringstermijn niet aan de benadeelde te wijten is. Volgens CDC is dit laatste in het onderhavige geval aan de orde, omdat de karteldeelnemers het kartel jarenlang moedwillig verborgen hebben gehouden en de afnemers pas jaren na het einde van de kartelperiode op de hoogte raakten van het kartel, van de omstandigheid dat zij schade hadden geleden en van de deelnemers aan het kartel. De rechtbank volgt CDC hierin echter niet.
Met haar betoog gaat CDC ten onrechte eraan voorbij dat de afnemers na het bekend worden van het kartel, de mogelijke impact en de mogelijke schade – in juni 2008 door publicatie van het persbericht, dan wel in juni of oktober 2009 door publicatie van de samenvatting of de niet-vertrouwelijke versie van de beschikking – nog in ieder geval tot begin 2010 de tijd hebben gehad om hun eventuele rechtsvorderingen geldend te maken. CDC heeft niet, aan de hand van een concrete, op de feiten van deze zaak toegespitste toelichting duidelijk gemaakt dat en waarom deze periode onvoldoende was. Een eenvoudige dagvaarding of stuitingsbrief was voldoende onder verwijzing naar de beschikking. Gelet op het vorenstaande kan evenmin worden geoordeeld dat bij deze stand van zaken het Europese mededingingsrecht onvoldoende effectief is.
Slowaaks recht
4.32.
Ook naar Slowaaks recht geldt een relatieve verjaringstermijn van vier jaar en een absolute verjaringstermijn van tien jaar. Kemira heeft een beroep gedaan op de absolute verjaringstermijn. Volgens Kemira vangt de verjaringstermijn aan op het moment waarop de onderliggende rechtsplicht wordt geschonden, zodat deze uiterlijk op 9 februari 2000 is aangevangen. De rechtbank begrijpt de stellingen van CDC aldus dat zij deze conclusie bestrijdt onder verwijzing naar de hiervoor onder 4.31 genoemde uitspraak van het Grondwettelijke Hof van de Tsjechische Republiek. CDC heeft niet toegelicht waarom hetgeen in die uitspraak is geoordeeld, gegeven door een niet Slowaakse rechterlijke instantie, ook van toepassing is op de verjaring naar Slowaaks recht. Verder geldt ook hier hetgeen onder 4.31 is overwogen met betrekking tot het beroep van CDC op voormelde uitspraak.
Oostenrijks recht
4.33.
CDC heeft gesteld dat er na de vermindering van eis geen resterende vorderingen zijn die door Oostenrijks recht worden beheerst. Kemira heeft aangevoerd dat zij toch belang houdt bij haar verjaringsverweer naar Oostenrijks recht, omdat er mogelijk nog vorderingen zijn die door Oostenrijks recht worden beheerst. Kemira heeft echter geen concrete aanknopingspunten geboden om tot het oordeel te komen dat, ondanks CDC’s andersluidende stelling, er vorderingen resteren die door Oostenrijks recht worden beheerst. Kemira heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij haar verjaringsverweer naar Oostenrijks recht.
verder verloop van de procedure
4.34.
Gelet op de belangen van partijen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om – in afwijking van de hoofdregel dat slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen (artikel 337 lid 2 Rv) – partijen toe te staan, zoals zij ook eensluidend hebben verzocht, van dit vonnis tussentijds hoger beroep in te stellen.
4.35.
Partijen hebben zich op verzoek van de rechtbank na de comparitie uitgelaten over de vraag hoe het verdere verloop van de procedure zou moeten zijn. Partijen hebben hierover geen gezamenlijk standpunt kunnen bereiken. Aan het slot van de comparitie is ter sprake geweest dat in elk geval nader debat moet plaatsvinden over de onderwerpen toepasselijk recht, interne draagplicht, hoofdelijkheid en wettelijke rente. CDC heeft nadien schriftelijk te kennen gegeven dat wat haar betreft eerst nader debat plaatsvindt over de onderwerpen ‘overcharge’ en ‘pass on’. Kemira geeft er primair de voorkeur aan zich pas over het verdere verloop uit te laten na kennisname van de onderhavige beslissing. Subsidiair meent zij dat het nadere debat zich eerst zou moeten uitstrekken tot het onderwerp interne draagplicht.
4.36.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of zij appel wensen in te stellen tegen dit vonnis en, zo ja, of en waarom zij thans wensen voort te procederen, welke onderwerpen in het licht van het appel in dit stadium doelmatig kunnen worden behandeld en hoe deze behandeling zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank zal, afhankelijk van de inhoud van deze aktes, bepalen hoe de procedure zal worden voortgezet, waarbij indien nodig een (enkelvoudige) regiecomparitie kan worden gelast voor verder overleg over het vervolg van de procedure.
4.37.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 21 juni 2017 voor akte aan de zijde van beide partijen, zoals bedoeld in r.o. 4.36;
5.2.
stelt hoger beroep open tegen dit vonnis;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, mr. M.E.M. James-Pater en mr. K.M. van Hassel, rechters, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.1.
De voorzitter is buiten staat het vonnis te ondertekenen. Het vonnis is daarom ondertekend door de oudste rechter.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑05‑2017
Uitspraak 04‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Inhoudsindicatie: Beslissing in een aantal incidenten in zaak over civielrechtelijke gevolgen van een kartelbeschikking van de Europese Commissie. Rechtbank op grond van artikel 6 EEX-Vo bevoegd ten aanzien van niet in Nederland gevestigde gedaagden. Geen onbevoegdheid op grond van forumkeuze- en arbitragebedingen in koopovereenkomsten met enkele gedaagden. Incidentele vordering tot oproeping van derden (mede-geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie) in het geding afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/500953 / HA ZA 11-2560
Vonnis in incidenten van 4 juni 2014
in de zaak van
de naamloze vennootschap naar Belgisch recht
CDC PROJECT 13 SA,
gevestigd te Brussel (België),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in de (voorwaardelijke) incidenten,
advocaat: mr. M.H.J. van Maanen te ’s-Gravenhage,
tegen
1. de naamloze vennootschap
AKZO NOBEL N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de vennootschap naar Zweeds recht
EKA CHEMICALS AB,
gevestigd te Bohus (Zweden),
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in de (voorwaardelijke) incidenten,
advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
3. de vennootschap naar Fins recht
KEMIRA CHEMICALS OY,
gevestigd te Helsinki (Finland),
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in de (voorwaardelijke) incidenten,
advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,
Partijen worden hierna CDC, Akzo, Eka en Kemira genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk Akzo c.s. genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure in de (voorwaardelijke) incidenten
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis in de incidenten van 19 december 2012 (hierna: het tussenvonnis), met de daarin vermelde gedingstukken;
- -
de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van Akzo en Eka van 27 februari 2013, met producties;
- -
de akte houdende uitlatingen in het bevoegdheidsincident van 27 februari 2013 aan de zijde van Kemira, met producties;
- -
de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van CDC van 24 april 2013, met producties;
- -
de akte in het bevoegdheidsincident aan de zijde van CDC van 8 mei 2013, met één productie;
- -
de akte uitlating producties aan de zijde van Akzo en Eka van 5 juni 2013;
- -
de akte uitlating producties aan de zijde van Kemira van 5 juni 2013.
1.2.
De procedure in de hoofdzaak en in het incident tussen CDC en Arkema France S.A., is op eenstemmig verzoek van deze partijen op de rol doorgehaald. Dit vonnis wordt daarom niet gewezen tussen CDC en Arkema France S.A.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tussen CDC en Akzo c.s.
2. De (verdere) beoordeling in de incidenten
2.1.
De rechtbank gaat in het kader van de opgeworpen incidenten uit van de volgende (enerzijds gestelde en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwiste) feiten:
2.1.1.
Eka en Kemira zijn producenten van natriumchloraat. Akzo is de moedermaatschappij van Eka. Akzo is niet als aanbieder van natriumchloraat actief (geweest).
2.1.2.
Akzo c.s. en vijf andere rechtspersonen zijn geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 11 juni 2008 (hierna: de beschikking), waarin de Commissie heeft geconcludeerd dat (onder meer) Akzo c.s. inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG-Verdrag (thans artikel 101 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie) en artikel 53 EER-Overeenkomst door deel te nemen aan een complex geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen met het oog op de toewijzing van verkoopvolumes, de vaststelling van prijzen, de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over prijzen en verkoopvolumes en de controle op de uitvoering van de concurrentiebeperkende afspraken met betrekking tot natriumchloraat op de markt binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: het kartel) in de periode van 21 september 1994 tot 9 februari 2000. De Commissie heeft wegens de inbreuken geldboetes aan onder meer Akzo c.s. opgelegd, welke geldboetes later (ten dele) zijn kwijtgescholden.
2.1.3.
Akzo c.s. hebben geen beroep ingesteld tegen de beschikking.
2.1.4.
Een aantal grootafnemers van natriumchloraat (hierna: de afnemers) heeft zijn vordering tot schadevergoeding op deelnemers aan het kartel aan CDC gecedeerd. De afnemers zijn gevestigd in verschillende Europese landen en zij hebben hun productielocaties in onder meer Zweden, Finland, Noorwegen en Spanje.
bezwaar van Akzo en Eka tegen inhoud akte CDC
2.2.
Akzo en Eka hebben bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de door CDC op 24 april 2013 genomen akte. Het bezwaar richt zich concreet op de hoofdstukken II.A en II.B van deze akte. CDC gaat daarin (opnieuw) in op onderwerpen die bij pleidooi in de incidenten uitvoerig aan de orde zijn gekomen, aldus Akzo en Eka, maar partijen is in het tussenvonnis slechts de gelegenheid geboden de maatstaf voor de uitleg van overeenkomsten naar toepasselijk recht toe te lichten. Zij verzoeken de rechtbank daarom de hoofdstukken II.A en II. B buiten beschouwing te laten.
2.3.
Het bezwaar wordt verworpen. Het bezwaar had onverwijld ter kennis van de rolrechter moeten worden gebracht. Akzo en Eka hebben dit niet gedaan. Verder is niet gesteld of gebleken dat CDC in de gewraakte akte meer of andere stellingen naar voren heeft gebracht dan bij pleidooi in de incidenten aan de orde zijn gekomen. Het bezwaar kan dan ook bij gebreke van voldoende belang verder onbesproken blijven.
verder in de bevoegdheidsincidenten
2.4.
In de bevoegdheidsincidenten is de vraag aan de orde of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. Akzo c.s. hebben in dit verband de bevoegdheid van de rechtbank op grond van de EEX-Vo betwist en verder ieder voor zich een beroep gedaan op talrijke forumkeuze- en arbitragebedingen, die in de afzonderlijke relaties met de afnemers zijn overeengekomen. Deze bedingen, waarin standaard formuleringen zijn gebezigd die in het handelsverkeer gangbaar zijn (r.o. 3.1 van het tussenvonnis), staan er volgens Akzo c.s. aan in de weg, dat aan de Nederlandse rechter de bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak.
2.5.
Aan haar vorderingen heeft CDC het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van de beschikking staat vast dat Akzo, Eka en Kemira, alle geadresseerden van de beschikking, inbreuk hebben gemaakt op het kartelverbod. Reeds het feit dat zij hebben deelgenomen aan één en dezelfde voortgezette verboden gedraging (inbreuk op het kartelverbod), maakt dat elk van hen op grond van Europees dan wel nationaal recht onrechtmatig jegens de afnemers heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de totale schade die elk van de afnemers ten gevolge van (de instandhouding van) het kartel heeft geleden.
bevoegdheid ten aanzien van Akzo
2.6.
Akzo heeft woonplaats in Amsterdam. De rechtbank is dan ook bevoegd van het tegen Akzo gevorderde kennis te nemen (artikel 2 lid 1 EEX-Vo), tenzij de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren in verband met de forumkeuze- en arbitragebedingen (zie hierna).
bevoegdheid ten aanzien van Eka en Kemira
2.7.
Eka en Kemira hebben geen woonplaats in Nederland, maar in respectievelijk Zweden en Finland.
2.8.
Indien er in dezelfde procedure meer dan één gedaagde is, kunnen de gedaagden worden opgeroepen voor de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 6 lid 1 EEX-Vo). CDC heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, ten aanzien van Eka en Kemira, op artikel 6 lid 1 EEX-Vo gebaseerd, onder verwijzing naar Akzo, die alhier woonplaats heeft, als 'ankergedaagde'.
2.9.
Artikel 6 lid 1 EEX-Vo stelt als voorwaarde dat er een nauwe band (in de zin van die bepaling) bestaat tussen de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen. Anders dan Akzo c.s. betoogt, is - mits één gedaagde woonplaats heeft in het aangezochte forum - niet vereist dat de (andere) partijen of de vorderingen als zodanig een nauwe band met Nederland of de Nederlandse rechtssfeer hebben.
2.10.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie volgt, dat de nationale rechter bij de beantwoording van de vragen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, rekening moet houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier (vgl. HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson), r.o. 41 en HvJ 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH), r.o. 83). In het bijzonder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 6 lid 1 EEX-Vo op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; van gevaar voor tegenstrijdige beslissingen is pas sprake indien deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (vgl. HvJ 13 juli 2006, zaak C-539/03 (Roche Nederland/Primus) r.o. 26, HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson), r.o. 40 en HvJ 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH), r.o. 79).
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de vorderingen ingesteld tegen de verschillende gedaagden in de onderhavige zaak een nauwe band in de zin van artikel 6 lid 1 EEX-Vo.
2.12.
Ten aanzien van de vordering van CDC jegens Akzo enerzijds en de vorderingen jegens de overige gedaagden anderzijds is – anders dan Eka en Kemira betogen – naar het voorlopig oordeel van de rechtbank sprake van eenzelfde feitelijke situatie. CDC legt aan haar vorderingen in de kern marktvervalsing ten grondslag, die in haar visie alle gestelde schade bij aankoop van natriumchloraat oplevert, ongeacht hoe en bij welke leverancier het natriumchloraat is gekocht.Akzo c.s. benadrukken daarentegen telkens in elke concrete verhouding tussen leverancier en afnemer specifieke leveringen en meent dat deze specifieke leveringen (volgens CDC tegen te hoge prijzen) tot de gestelde schade hebben geleid.Voorshands is de rechtbank van oordeel dat CDC de gestelde marktvervalsing voldoende heeft toegelicht om in dit stadium te kunnen oordelen dat de vorderingen zijn gebaseerd op eenzelfde feitelijke situatie. Eka en Kemira hebben, zoals CDC voorshands voldoende heeft toegelicht, meegedaan aan dezelfde marktvervalsing en zij wisten steeds, naar de aard van de zaak, dat de andere kartelleden ook hiermee bezig waren. Aan het voorgaande doet niet af dat Akzo zelf geen natriumchloraat leverde, en Eka en Kemira wel. CDC heeft immers dezelfde feitelijke situatie (marktvervalsing) ook aan haar vordering jegens Akzo ten grondslag gelegd. Voorshands hebben Akzo c.s., gelet op die grondslag van de vordering van CDC, onvoldoende naar voren gebracht om aan te kunnen nemen dat specifieke omstandigheden in de individuele leveringsrelaties tussen leverancier en afnemer van doorslaggevende betekenis zullen zijn bij de beoordeling in de hoofdzaak.
2.13.
Verder heeft CDC, naar het oordeel van de rechtbank, haar vorderingen tegen de verschillende gedaagden gestoeld op eenzelfde situatie rechtens: op grond van zowel Europees als nationaal recht is, zo stelt CDC, iedere karteldeelnemer civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het kartel heeft toegebracht aan elk van de afnemers, ongeacht de door die inbreukmaker verrichte gedraging of diens aandeel in de markt waarop de kartelinbreuk plaatsvond. Akzo c.s. hebben hiertegen ingebracht dat Akzo (ook volgens de Europese Commissie) niet heeft deelgenomen aan het kartel, dat voor civiele aansprakelijkheid van Akzo meer nodig is dan haar mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid voor de door Eka gepleegde inbreuk, dat de positie van Akzo als moedermaatschappij wezenlijk anders is dan de positie van Eka en Kemira, die aan het kartel hebben deelgenomen, en dat telkens ander recht van toepassing is op de vorderingen tegen Akzo, Eka en Kemira. De rechtbank volgt deze standpunten van Akzo c.s. niet. De vorderingen in de hoofdzaak tegen alle gedaagden betreffen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank de vraag naar de civielrechtelijke consequenties van de in de beschikking door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk en de daaruit voortvloeiende communautaire mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid voor het kartel. Aan Akzo c.s. kan voorshands worden toegegeven dat de positie van Akzo, die de moedermaatschappij van onder meer Eka is, (volgens de beschikking) niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met de positie van Eka en Kemira. Voorshands zal echter de door CDC gestelde marktvervalsing (met de aard en omvang van de consequenties hiervan) bij de beoordeling in de hoofdzaak centraal staan. De geadresseerden van de beschikking worden geacht, zo heeft CDC in het kader van dit incident voldoende toegelicht, dezelfde inbreuk te hebben gepleegd waarvan de gevolgen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in belangrijke mate onder hetzelfde recht moeten worden beoordeeld (welk recht dit is, is een vraag voor later, waarover partijen nog geen debat hebben gevoerd). Daarom moet voorshands worden aangenomen dat sprake is van eenzelfde situatie rechtens. De omstandigheid dat (bij de begroting van de gestelde schade) mogelijk rekening zal moeten worden gehouden met verschillende rechtsstelsels - Akzo c.s. stelt dit en CDC is het hier, subsidiair, mee eens - laat gelet op het voorgaande voorshands onverlet dat eenzelfde situatie rechtens, zoals vereist voor een nauwe band in de zin van artikel 6 EEX-Vo, moet worden aangenomen.
2.14.
Bovendien acht de rechtbank van belang dat, bij afzonderlijke berechting van de vorderingen door verschillende nationale gerechten, die gerechten ieder voor zich op basis van hetzelfde feitencomplex (kort gezegd de gestelde marktvervalsing) en, zo neemt de rechtbank, op grond van de voldoende onderbouwde stellingen van CDC vooralsnog aan, (in belangrijke mate) met toepassing van dezelfde rechtsregels, moeten beslissen of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de afnemers. Die gerechten zouden, bij een eventueel bevestigend oordeel, afzonderlijk de totale schade moeten begroten die elk van die afnemers als gevolg van het bestaan van het kartel heeft geleden. Daarbij zou een gevaar voor onverenigbare beslissingen ontstaan. CDC heeft in dit verband erop gewezen dat de verschillende nationale rechters zich, indien de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren, bij de beoordeling van de vorderingen geconfronteerd zouden zien met dezelfde 'voorvragen' met betrekking tot de vaststelling van de feiten, de toepassing van het Europese recht, de door CDC gestelde hoofdelijke verbondenheid (CDC houdt iedere gedaagde hoofdelijk aansprakelijk voor alle door de afnemers geleden schade in verband met de gestelde marktvervalsing) en het regres dat onderwerp is van de incidenten tot vrijwaring. Al deze voorvragen kunnen mogelijk verschillend worden beantwoord, met als gevolg onverenigbare beslissingen. Een goede rechtsbedeling vraagt dus om gelijktijdige behandeling en berechting. Het voorgaande betekent dat de vrees voor tegenstrijdige beslissingen naar het voorlopig oordeel van de rechtbank voldoende gerechtvaardigd is om op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo in dit geval aan te nemen dat de rechtbank bevoegd is van de vorderingen van CDC kennis te nemen.
2.15.
Aan Akzo c.s. kan worden toegegeven dat de culturen van verschillende landen dermate kunnen verschillen dat deze rechtbank, voor zover buitenlands recht van toepassing is, het toepasselijk recht mogelijk niet steeds zal aanwenden op dezelfde wijze als een gerecht van het land van dat toepasselijke recht. Deze mogelijkheid, die geringer zal zijn naarmate partijen de rechtbank eenvoudig, duidelijk en objectief informeren over het toepasselijk recht en de toepassing van dat recht in de betrokken jurisdictie, vloeit echter voort uit het stelsel van artikel 6 lid 1 EEX-Vo en is gelet op het voorgaande onvoldoende voor een ander oordeel over de bevoegdheid van de rechtbank op de grondslag van artikel 6 lid 1 EEX-Vo.
2.16.
De rechtbank volgt Eka en Kemira niet in hun verweer dat voor hen niet voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden opgeroepen. Gezien de aard van de verweten gedraging (deelname aan het in de beschikking aangeduide kartel) moet het voor elk van hen wel degelijk voorzienbaar zijn geweest dat zij konden worden opgeroepen voor een gerecht in een lidstaat waarin een van de mede-geadresseerden van de beschikking woonplaats heeft. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking de voorshands onvoldoende weersproken stelling van CDC dat in de markt steeds voldoende bekend is geweest dat Akzo de moedermaatschappij is van Eka. CDC stelt in het bijzonder dat de naam AkzoNobel op de fakturen van Eka, boven de naam Eka, staat.
2.17.
Zoals ook uit het bovenstaande volgt, kan niet worden gezegd dat CDC Akzo enkel mede in de onderhavige procedure heeft betrokken om Kemira weg te houden van haar woonplaatsforum (ex artikel 2 EEX-Vo), zoals Kemira nog heeft aangevoerd.
2.18.
De slotconclusie in de bevoegdheidsincidenten is dat de rechtbank ten aanzien van Akzo c.s. rechtsmacht toekomt (behoudens de forumkeuze- en arbitragebedingen, zie hierna) om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak.
de forumkeuze- en arbitragebedingen
2.19.
Het uitgangspunt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, lijdt uitzondering indien partijen op de voet van artikel 23 EEX-Vo dan wel artikel 1074 Rv een gerecht van een andere lidstaat, dan wel een scheidsgerecht, als bevoegd hebben aangewezen. Artikel 6 lid 1 EEX-Vo kan niet worden ingeroepen tegenover een partij die succesvol een beroep doet op een overeengekomen (exclusief) forumkeuzebeding (HR 24 september 1999, NJ 2000/552) of arbitragebeding. Akzo c.s. hebben een beroep gedaan op met hun respectieve afnemers overeengekomen forumkeuze- en arbitragebedingen, die volgens hen aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter in de weg staan. In het tussenvonnis is overwogen dat deze bedingen (rechtsgeldig) zijn overeengekomen. CDC heeft niet betwist dat zij als cessionaris in beginsel gebonden is aan de door haar cedenten overeengekomen forumkeuze- en arbitragebedingen. Thans is dan ook de vraag aan de orde of – zoals Akzo c.s. stellen, maar door CDC gemotiveerd wordt betwist – de forumkeuze- en arbitragebedingen ook toepasselijk zijn in de onderhavige zaak.
2.20.
Akzo c.s. hebben – kort gezegd – naar voren gebracht dat de vorderingen van de afnemers vallen onder deze bedingen. Zij stellen in dit verband dat de bedingen ruim zijn geformuleerd en dat de vorderingen van CDC, nu zij samenhangen met de contractuele leveringen, door de bedingen worden bestreken. Dat deze vorderingen zijn gegrond op mededingingsrechtelijke inbreuken, maakt dit volgens Akzo c.s. niet anders. CDC stelt hiertegenover, dat haar vorderingen in de hoofdzaak, die gebaseerd zijn op de gezamenlijke gedragingen van Akzo c.s. op de markt, de hieruit voortvloeiende marktvervalsing en de daardoor ontstane schade, buiten de reikwijdte van de bedingen vallen. Volgens CDC zijn de geschillen niet “uit hoofde van of in verband met” de desbetreffende koopovereenkomsten gerezen.
2.21.
Vooropgesteld wordt dat, zoals uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt, een forumkeuzebeding wordt beheerst door de EEX-Vo (respectievelijk het verdrag van Lugano) (vgl. HvJ 3 juli 1997, zaak C-269/95 (Benincasa/Dentalkit), r.o. 25), die autonoom moet worden uitgelegd. Artikel 23 lid 1 EEX-Vo eist, met betrekking tot forumkeuzebedingen, dat partijen een gerecht moeten hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Powell Duffryn (10 maart 1992, zaak C-214/89) - gewezen onder het EEG Executieverdrag, maar ook van belang voor de uitleg van de EEX-Vo – geoordeeld dat de werking van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter moet worden beperkt tot geschillen die voortvloeien uit de rechtsbetrekking in verband waarmee de overeenkomst werd gesloten (r.o. 31 van voormeld arrest). Hierdoor wordt vermeden, dat een partij wordt verrast door de toekenning aan een bepaald gerecht van de bevoegdheid om kennis te nemen van alle geschillen die voortvloeien uit haar betrekkingen met haar medecontractant en die hun oorsprong vinden in een andere betrekking dan die welke aanleiding vormde voor de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter. Aan het vereiste van voldoende bepaaldheid van de rechtsbetrekking waaruit geschillen kunnen ontstaan, in de zin van artikel 23 EEX-Vo is voldaan, wanneer de in de leveringsovereenkomsten opgenomen forumclausule
aldus kan worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op de geschillen tussen leverancier en afnemer als zodanig. De vraag of aan de forumclausule in dit geval een dergelijke strekking moet worden toegekend, is een vraag van uitleg die door de nationale rechter moet worden beantwoord.
2.22.
In het tussenvonnis is overwogen dat in de meeste door Akzo c.s. ingeroepen bedingen standaardformuleringen zijn gebruikt die in commerciële transacties gangbaar zijn, kort gezegd inhoudende dat alle geschillen “uit hoofde van of in verband met” de betreffende overeenkomst aan het gekozen forum moeten worden voorgelegd. Een ruime formulering alleen is echter niet zonder meer voldoende om de zaak naar het overeengekomen forum dan wel arbitrage te verwijzen. Een band met de overeenkomst is, zoals hiervoor met betrekking tot de forumkeuzes overwogen, en zoals ook volgt uit de bewoordingen van de forumkeuzes en de arbitragebedingen, vereist. Anders dan Akzo c.s. betogen, is naar het oordeel van de rechtbank de reikwijdte van de forumkeuze- en arbitragebedingen niet zo ruim dat deze ook (vorderingen uit hoofde van) mededingingsrechtelijke inbreuken, zoals aan de vordering jegens Akzo c.s. in de hoofdzaak ten grondslag zijn gelegd, bestrijken. De mededingingsrechtelijke inbreuken hielden, zo stelt CDC onder verwijzing naar de beschikking, in dat Eka en Kemira de natriumchloraatmarkt hebben vervalst doordat zij hebben deelgenomen aan een kartel met het oog op de verdeling van de natriumchloraatmarkt door verkoopvolumes toe te wijzen en de prijzen van het product op de EER-markt vast te stellen en/of in stand te houden. De deelnemers aan het kartel zouden volgens CDC ook informatie hebben uitgewisseld om de tenuitvoerlegging van de afspraken te vergemakkelijken en/of te controleren en hadden een strategie die erin bestond de natriumchloraatmarkt te stabiliseren, om uiteindelijk de verkoopvolumes voor natriumchloraat onder elkaar te kunnen verdelen, het prijsbeleid ten opzichte van de klanten te coördineren en zo de marges te maximaliseren. Voorshands uitgaande van de juistheid van dit verwijt, dat door CDC aan de hand van de beschikking voorshands voldoende is toegelicht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat Eka en Kemira, gelet op de tekst van de bedingen en de zakelijke ervaring die zij en hun afnemers hebben, redelijkerwijs uit de bedingen hebben mogen afleiden dat geschillen over dit verwijt aan het gekozen forum dan wel aan arbitrage moeten worden onderworpen. Eka en Kemira hebben immers redelijkerwijs uit de bedingen niet mogen afleiden dat dergelijke verwijten voortvloeien uit of verband houden met de overeenkomsten. De afnemers behoefden voorshands redelijkerwijs, gelet op de tekst van de bedingen, niet erop bedacht te zijn dat geschillen over een dergelijk (heimelijk) handelen van hun leveranciers in het gekozen forum of in arbitrage zouden moeten worden beslecht. Relevante concrete uitlatingen of gedragingen, anders dan de tekst van de bedingen, zijn niet gesteld.
2.23.
Akzo c.s. brengen hiertegen in dat dergelijke bedingen naar toepasselijk recht geacht worden te strekken tot beslechting van alle geschillen tussen partijen in verband met de overeenkomsten, ongeacht de rechtsgrond (overeenkomst, onrechtmatige daad, bedrog) of de strekking (hoofdelijke verbondenheid) van de vordering, met inbegrip van geschillen waaraan partijen bij het aangaan van het beding niet hebben gedacht of waarop zij op dat tijdstip niet bedacht behoefden te zijn. Dergelijke bedingen hebben in Zweden, Finland en Noorwegen een zeer ruime strekking en zijn ook bedoeld voor geschillen die indirect ('more vaguely') verband houden met de zaken die partijen met elkaar hebben gedaan, aldus Akzo c.s. De door Akzo c.s. overgelegde rechtsgeleerde opinies over het toepasselijke Zweedse, Finse en Noorse recht bevestigen het standpunt van Akzo c.s. Akzo c.s. verbinden echter, naar het oordeel van de rechtbank voorshands, ten onrechte aan dit standpunt de conclusie dat de rechtbank onbevoegd is van de vorderingen van CDC kennis te nemen. CDC maakt Akzo c.s. immers een verwijt van marktvervalsing, zoals hiervoor geschetst, dat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet in verband staat met de overeenkomsten of de daaruit voortvloeiende leveringen. Volgens de genoemde rechtsgeleerde opinies geldt dat alleen geschillen die (indirect) in verband staan met een bepaalde overeenkomst, waarin het beding is opgenomen, aan het gekozen forum dan wel arbitrage worden onderworpen. Akzo c.s. hebben voorshands onvoldoende ingebracht tegen de stellingen van CDC dat de afnemers die bij Eka en Kemira natriumchloraat hebben gekocht, indien zij dit niet bij Eka of Kemira zouden hebben gekocht, hetzelfde product tegen dezelfde prijs (de algemeen geldende, door de marktvervalsing bepaalde marktprijs destijds) zouden hebben gekocht bij een andere leverancier en dat hun schade, waarvan zij thans van Akzo c.s. vergoeding vorderen, ook de schade behelst die zij hebben geleden doordat zij bij andere leveranciers (ook buiten het kartel) gedurende de instandhouding van het kartel steeds een te hoge prijs hebben betaald. Uit de voorshands voldoende onderbouwde toelichting van CDC is af te leiden dat onder deze omstandigheden de identiteit van de verkoper/leverancier onbelangrijk is, evenals ingeval van ter beurze verhandelde goederen. Het argument van Akzo c.s., dat de vorderingen van CDC (in feite: de afnemers) in de hoofdzaak, direct of indirect, verband houden met de met de afnemers overeengekomen leveringen (alleen al omdat de afnemers zonder de leveringsrelaties geen afnemer zouden zijn), baat hen dan ook voorshands niet. Ook het beroep van Akzo c.s. op een uitspraak van Zweedse Hoge Raad (NJA 2008, s 120) is tegen deze achtergrond ongegrond. Het oordeel van de rechtbank op dit punt zou anders kunnen luiden indien voldoende zou zijn toegelicht dat de leveringscontracten bij de beoordeling in de hoofdzaak van wezenlijk belang zouden zijn, maar een dergelijke toelichting is niet aangereikt.
2.24.
De vraag of Akzo zich kan beroepen op de bedingen waarbij Eka partij is, kan gelet op het voorgaande verder onbesproken blijven. Dit geldt ook voor het debat tussen partijen over de vragen of tussen Eka en afnemer Norske Skog (Sodra Cell) een geldig forumkeuzebeding tot stand is gekomen en of de bedingen, gelet op het Europese doeltreffendheidsbeginsel, toelaatbaar zijn. Het bewijsaanbod van Akzo en Eka betreft de geldigheid en de formulering van de forumkeuze- en arbitragebedingen en is daarom, gelet op het voorgaande, niet van belang voor de beslissing.
2.25.
De stellingen van Akzo c.s. over het business model van CDC - het opkopen en geldend maken van vorderingen - zijn niet relevant voor de beslissing in het incident en kunnen verder onbesproken blijven.
2.26.
De slotconclusie in de bevoegdheidsincidenten is dat de rechtbank ten aanzien van Akzo c.s. rechtsmacht heeft en bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak.
in de (voorwaardelijke) vrijwaringsincidenten
2.27.
Akzo en Eka hebben – onder de voorwaarde dat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak – gevorderd dat hen wordt toegestaan in vrijwaring de overige geadresseerden van de beschikking op te roepen:
Finnish Chemicals Oy (thans genaamd: Kemira Chemicals Oy), gevestigd te Helsinki (Finland);
Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);
Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);
Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk);
Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);
Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje).
2.28.
Kemira heeft – onder de voorwaarde dat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak – gevorderd dat haar wordt toegestaan de overige geadresseerden van de beschikking in vrijwaring op te roepen. Naar de rechtbank begrijpt gaat het hierbij om:
Akzo;
Eka;
3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);
4. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);
5. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje);
6. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);
7. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk).
2.29.
Akzo, Eka en Kemira hebben – kort gezegd – aan hun vordering tot oproeping in vrijwaring ten grondslag gelegd, dat – gelet op de door CDC gestelde hoofdelijkheid en indien zij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan CDC – zij ieder een bijdrage kunnen vorderen van de overige geadresseerden van de beschikking. Akzo, Eka en Kemira stellen om die reden belang te hebben bij oproeping van de andere geadresseerden van de beschikking.
2.30.
CDC heeft zich gerefereerd.
2.31.
De voorwaarde waaronder het vrijwaringsincident is opgeworpen is vervuld. Vastgesteld wordt dat Akzo, Eka en Kemira voldoende onderbouwd hebben gesteld, dat voor de in vrijwaring op te roepen partijen jegens hen een verplichting bestaat om de nadelige gevolgen van een veroordeling van Akzo, Eka respectievelijk Kemira in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Akzo, Eka en Kemira zullen derhalve worden toegestaan de door hen genoemde partijen in vrijwaring op te roepen.
in het (voorwaardelijke) voegingsincident (artikel 222 lid 1 Rv)
2.32.
Kemira heeft verder – naar de rechtbank begrijpt, onder de voorwaarde dat de rechtbank zich op grond van artikel 6 lid 1 EEX-Vo bevoegd acht – gevorderd de voor deze rechtbank aanhangige vrijwaringsprocedure tussen haar en Erikem Luxembourg SA (rolnummer 2011/2565) te voegen met de hoofdzaak. Kemira heeft hiertoe gesteld dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak tegen Erikem Luxembourg SA met elkaar zijn verknocht. CDC heeft zich gerefereerd.
2.33.
De voorwaarde waaronder het voegingsincident is opgeworpen is vervuld.Kemira heeft voldoende onderbouwd gesteld dat de procedure tussen haar en Erikem Luxembourg SA (bij de rechtbank bekend onder rolnummer 2011/2565) verknocht is met de procedure in de hoofdzaak. De vordering tot voeging zal derhalve worden toegewezen.
in het (voorwaardelijke) incident ex artikel 118 Rv
2.34.
Akzo en Eka hebben gevorderd dat hen wordt toegestaan om, op de voet van artikel 118 Rv, de hiervoor vermelde overige geadresseerden van de beschikking in de hoofdzaak op te roepen. In dit verband stellen zij – in de kern – dat, indien hen dit niet wordt toegestaan, zij onnodig worden belemmerd in hun verweer tegen de vorderingen van CDC. Volgens Akzo en Eka zouden zij zich dan mogelijk moeten verweren tegen schadetoebrengende handelingen die uitsluitend of voornamelijk door derden zijn gepleegd, zonder voldoende informatie te hebben over de handelwijze van die derden.
2.35.
Bij de beoordeling van de vordering wordt vooropgesteld dat het CDC vrij staat (behoudens misbruik van recht) om een vordering in te stellen tegen die partijen die zij in rechte wenst te betrekken. Op dat uitgangspunt vormt artikel 118 Rv een (beperkte) uitzondering. Artikel 118 Rv heeft alleen betrekking op gevallen waar derden in het geding moeten worden betrokken omdat zodanige deelname rechtens vereist is. Zodanige deelname is rechtens vereist indien (i) de wet dat voorschrijft, (ii) sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en (iii) het geschil de belangen van derden mede raakt en daarover niet zinvol kan worden beslist zonder tevens hun positie daarin te betrekken. Tot deze laatste categorie behoort de situatie dat een rechterlijke beslissing praktisch onuitvoerbaar zou worden doordat een of meer betrokkenen bij de rechtsverhouding in geding niet als partij aan de procedure hebben deelgenomen en dus niet aan de daarin gewezen beslissing zijn gebonden.
De enkele door Akzo en Eka gestelde omstandigheid dat een beslissing in de hoofdzaak de basis zal vormen van een door Akzo en Eka in te stellen vrijwaringszaak tegen de mede-geadresseerden van de beschikking is, ook in samenhang met de mogelijkheid dat Akzo en Eka bij het presenteren van hun verweer in de hoofdzaak minder informatie zullen hebben dan zij zouden hebben ingeval van deelname van derden aan het geding, onvoldoende voor het oordeel dat deelname van die derden rechtens vereist is. Ook zonder deelname van de mede-geadresseerden van de beschikking aan de hoofdzaak kan immers een oordeel worden gegeven over de vraag of Akzo c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door CDC gestelde schade. Mocht in de hoofdzaak blijken dat – zoals Akzo en Eka naar voren hebben gebracht – Akzo en Eka verweer moeten voeren met betrekking tot handelingen die uitsluitend dan wel voornamelijk door derden hebben plaatsgevonden, dan zijn er voldoende procesrechtelijke wegen waarlangs Akzo en Eka alsnog de door hen gewenste informatie kunnen verkrijgen en zal indien nodig de omstandigheid, dat zij die informatie niet hebben, worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of zij hun verweren voldoende hebben toegelicht.
2.36.
De vordering tot oproeping van de mede-geadresseerden van de beschikking in de hoofdzaak zal daarom worden afgewezen.
in de incidenten
2.37.
Hetgeen partijen verder nog in de verschillende incidenten naar voren hebben gebracht, behoeft – gelet op hetgeen in de incidenten is geoordeeld – geen beoordeling meer.
in de hoofdzaak
2.38.
Akzo en Eka hebben verzocht de hoofdzaak aan te houden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van een prejudiciële vraag van een Duitse rechter over de toepasselijkheid van artikel 6 lid 1 EEX-Vo in een zaak over – kort gezegd – een claim tot schadevergoeding wegens een door de Europese Commissie vastgestelde mededingingsrechtelijke inbreuk. Naar het oordeel van de rechtbank is het antwoord van het Hof van Justitie op deze vraag niet noodzakelijk voor de beslissing in het bevoegdheidsincident. Verder is niets gesteld waaruit volgt dat op korte termijn een uitspraak op de prejudiciële vraag te verwachten is, te meer nu de prejudiciële vraag volgens de onweersproken stelling van Akzo en Eka eerst bij tussenvonnis van 29 april 2013 aan het Hof van Justitie is voorgelegd. Het verzoek tot aanhouding van de hoofdzaak zal daarom worden afgewezen.
in de incidenten
2.39.
Gelet op de belangen van partijen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om – in afwijking van de hoofdregel dat slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen (artikel 337 lid 2 Rv) – partijen toe te staan van dit vonnis tussentijds hoger beroep in te stellen.
2.40.
Akzo c.s. zullen, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de incidenten, tot op heden aan de zijde van CDC begroot op EUR 1.130,-- (2,5 punt x tarief EUR 452,--).
3. De beslissing
De rechtbank
in de bevoegdheidsincidenten
3.1.
wijst het gevorderde af en verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak;
in de (voorwaardelijke) vrijwaringsincidenten
3.2.
staat toe dat Akzo en Eka
1. Kemira Chemicals Oy, gevestigd te Helsinki (Finland);
2. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);
3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg);
4. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk);
5. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);
6. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje),
in vrijwaring oproepen tegen 30 juli 2014;
3.3.
staat toe dat Kemira
1. Akzo;
2. Eka;
3. Erikem Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg)
4. Arkema France SA, gevestigd te Colombes (Frankrijk);
5. Uralita SA, gevestigd te Madrid (Spanje);
6. Ecros SA (voorheen: Aragonesas Industrias y Energia SA (U)), gevestigd te Barcelona (Spanje);
7. Elf Aquitaine SA, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),
in vrijwaring oproept tegen 30 juli 2014;
in het (voorwaardelijke) voegingsincident
3.4.
voegt de hoofdzaak met de bij de rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer 501013 / HA ZA 11-2565;
in het (voorwaardelijke) incident ex artikel 118 Rv
3.5.
wijst de vordering af;
verder in de incidenten
3.6.
veroordeelt Akzo c.s. hoofdelijk in de kosten van de incidenten, tot op heden aan de zijde van CDC begroot op EUR 1.130,--;
3.7.
stelt hoger beroep tegen dit vonnis open;
in de hoofdzaak
3.8.
verwijst de zaak naar de rol van 27 augustus 2014 voor conclusie van antwoord;
3.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, voorzitter, en mrs. M.E.M. James-Pater en K.M. van Hassel, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.
Dit vonnis is bij ontstentenis van de
voorzitter ondertekend door de
oudste rechter.