Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/4.4.3.2
4.4.3.2 Bundeling betreft niet alle regels ten aanzien van een project
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS356218:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.3.3.1.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
Elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht (art. 1.1 lid 1 Wm).
Art. 1.1 lid 1 Wabo.
Dat is gebeurd in art. 2.1 lid 1 Bor.
Par. 8.1 Algemene regels.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
De memorie van toelichting bij de Wabo vermeldt dat met het overbrengen van een uniform stelsel voor algemene regels voor activiteiten van de Wet milieubeheer en andere wetten naar de Wabo kan worden bereikt dat deze regels beter op elkaar en op het stelsel van de omgevingsvergunning kunnen worden afgestemd (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 13).
In de Omgevingswet vormen algemene regels en de omgevingsvergunning twee van de zes voorgestelde instrumenten (Ministerie van IenM, Kabinetsbrief stelselherziening omgevingsrecht 2012, par. 4.2). Zie ook hfds. 7.
Een wetssystematisch tekort van de Wabo is dat dit wetssysteem niet alle regels bevat die gelden voor een project. De regering heeft met bundeling door herschikking in de Wabo niet het oogmerk gehad om in dat wetssysteem alle regels in het omgevingsrecht op te nemen die betrekking hebben op een project.1De regering heeft met de Wabo met name een einde willen maken aan de tot 1 oktober 2010 bestaande situatie dat voor een project verschillende toestemmingsbesluiten noodzakelijk waren. Het feit dat de wetgever veel regels ten aanzien van een project niet in de Wabo heeft opgenomen, leidt soms tot ernstige problemen ten aanzien van de kenbaarheid van het recht ten aanzien van een project, zoals de volgende voorbeelden illustreren.
Een project kan onder meer bestaan uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.2 Belangrijke regels ten aanzien van inrichtingen staan echter niet in het wetssysteem van de Wabo, maar in dat van de Wet milieubeheer.
In de eerste plaats gaat het om het begrip omgevingsvergunningplichtige inrichting. Onder inrichting wordt verstaan elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.3 Van een omgevingsvergunningplichtige inrichting is volgens de Wabo sprake als het gaat om een inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen als omgevingsvergunningplichtig krachtens het derde lid van artikel 1.1 van de Wabo.4 Genoemd derde lid bepaalt dat de aanwijzing categorieën inrichtingen betreft, die zijn aangewezen in artikel 1.1 lid 4 Wm.5 In genoemd vierde lid staat dat onder een inrichting wordt verstaan een inrichting behorende tot een categorie die krachtens het derde lid van artikel 1.1 Wm is aangewezen. De aanwijzing van omgevingsvergunningplichtige inrichtingen heeft plaatsgevonden in artikel 2.1 lid 2 Bor. Om te weten of sprake is van een omgevingsvergunningplichtige inrichting als bedoeld in de Wabo, dient men dus niet alleen het wetssysteem van de Wabo te raadplegen, maar eveneens het wetssysteem van de Wet milieubeheer en het wetssysteem van het Besluit omgevingsrecht.
In de tweede plaats kent het wetssysteem van de Wet milieubeheer de hoofdregel,6 dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur algemene regels worden gesteld die nodig zijn ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die inrichtingen daarvoor kunnen veroorzaken. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt als voor een inrichting een omgevingsvergunning is vereist. Tot 1 oktober 2010 stonden hoofdregel en uitzondering in hoofdstuk 8 Wm. Met de inwerkingtreding van de Wabo staat de hoofdregel nog steeds in hoofdstuk 8 Wm,7 maar staat de uitzondering in de Wabo.8 Om te weten dat voor een inrichting algemene regels gelden tenzij een omgevingsvergunning is vereist, dient men dus niet alleen het wetssysteem van de Wabo te raadplegen, maar eveneens het wetssysteem van de Wet milieubeheer. Waarbij nog komt, dat de algemene regels zelf in het wetssysteem van het Activiteitenbesluit staan en het wetssysteem van het Besluit omgevingsrecht moet worden geraadpleegd om erachter te komen voor welke inrichtingen een omgevingsvergunningplicht geldt.
Het feit dat een aantal belangrijke regels inzake inrichtingen niet is opgenomen in de Wabo strookt niet met het wetssystematische uitgangspunt dat het samenhangcriterium bepalend is voor de regels die in een wetssysteem moeten worden opgenomen, en heeft er in de praktijk toe geleid dat de Wabo de kenbaarheid van regels inzake inrichtingen complexer heeft gemaakt dan onder de Wet milieubeheer tot 1 oktober 2010 het geval was. Dit is het gevolg van het feit dat de wetgever zich voornamelijk heeft beperkt tot het bundelen van regels die betrekking hebben op toestemmingsbesluiten. Dit wetssystematisch tekort - en de daaruit voortvloeiende complexiteit en verminderde kenbaarheid - is niet gerechtvaardigd. De wetgever kan dit tekort eenvoudig opheffen door de regels inzake inrichtingen die in de Wet milieubeheer zijn achtergebleven alsnog op te nemen in de Wabo9 dan wel in de nog op te stellen Omgevingswet.10