Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.4.2
3.5.4.2 Toetsing van de Nederlandse bewijslastverdeling bij verhogingen aan de onschuldpresumptie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940788:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.1 voor die wetgevingstechniek.
Zie voor een bespreking van deze arresten paragraaf 3.5.2.
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.5-4.6. Opvallend is dat de Hoge Raad in art. 6 lid 2 EVRM kennelijk heeft gelezen dat de schuld ‘volgens de wet’ moet worden bewezen, terwijl die formulering is vastgelegd in de vertaling van art. 14 lid 2 BUPO-verdrag. De (onofficiële) vertaling uit het Engels van art. 6 lid 2 EVRM spreekt van het ‘in rechte komen vast te staan’ van de schuld. Zie ook mijn eerdere opmerking over de verschillen in vertaling in de eerste voetnoot in paragraaf 3.5.4.1.
Noot bij HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, punt 5.
HR 1 februari 1989, BNB 1989/142 en HR 20 december 1989, BNB 1990/102.
Het behoeft geen betoog dat de verhogingssystematiek die destijds in de Nederlandse fiscale wetgeving was verankerd, haaks stond op de onschuldpresumptie.1 In plaats van een vermoeden van onschuld kende Nederland voor fiscale bestuurlijke boetes een wettelijk vermoeden van schuld, met een tegenbewijsregeling voor de belasting- of inhoudingsplichtige. Het duurde na het arrest Öztürk (1984) en het arrest Lutz (1987) dan ook niet lang totdat de Hoge Raad zich over de gevolgen van de onschuldpresumptie heeft uitgesproken.2 In het arrest BNB 1988/270 heeft de Hoge Raad in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat het wettelijke bewijsvermoeden EHRM-technisch niet door de beugel kon. De Hoge Raad overwoog dat art. 6 EVRM meebrengt dat de vervolgende autoriteit moet bewijzen dat alle bestanddelen van het aan de verdachte ten laste gelegde feit zijn verwezenlijkt en dat de verdachte niet mag worden belast met het bewijs van het tegendeel. Dat laatste was nu juist wél het geval in de Nederlandse wetgeving, zodat deze buiten toepassing moest blijven. Het gevolg was dat de inspecteur bij het opleggen van een verhoging (voortaan) ook de opzet of grove schuld van de belastingplichtige moest bewijzen.3 In zijn noot bij het arrest noemde Van Dijck de onverbindendverklaring van de nationaalrechtelijke bewijslastverdeling ‘een spectaculaire beslissing’, mijns inziens niet ten onrechte.4 Onomwonden bevestigingen door de Hoge Raad volgden in 1989.5
De vertaling van de onschuldpresumptie naar het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken komt er dus op neer dat de vervolgende autoriteit (de inspecteur) zelfstandig het positieve bewijs van het begaan van het beboetbare feit – in al zijn elementen – moet aandragen.