Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.1
11.3.1 Inleiding
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372410:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 145.
Alleen in Duitsland is voor concernverhoudingen een afzonderlijk kader gecreëerd; de stemrechten worden wel toegerekend, maar niet op grond van acting in concert, zie eerder § 5.4.1.
Oorspronkelijk kende de Wet van 24 mei 2007 tot uitvoering van de Overnamerichtlijn nog drie categorieën: groepsmaatschappijen als bedoeld in art. 2:24b, rechtspersonen of vennootschappen en hun dochtermaatschappijen en natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen. Bij de gelijktijdige invoering van de Reparatiewet Wft (Stb. 2008/545) en de Wet implementatie transparantierichtlijn is de derde categorie geschrapt (zie Kamerstukken II 2007/08, 31 468, nr. 3, p. 3-4 en Kamerstukken II 2007/08, 31 093, nr. 9, p. 2), zie nader hierover § 11.3.4.3.
Wanneer geen rekening wordt gehouden met de uitoefening van zeggenschapsrechten in concernverhoudingen zou de verplicht bod-regeling eenvoudig te omzeilen zijn. Een moedervennootschap of een natuurlijke persoon zou twee dochtermaatschappijen een belang kunnen laten nemen van 15% en zou zo zelf onder de radar van de biedplicht kunnen blijven.1 In navolging van de Overnamerichtlijn hebben alle onderzochte landen, met uitzondering van Duitsland2, gekozen voor een acting in concertvermoeden. Het Nederlandse vermoeden luidt als volgt:
“personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld: natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen met wie, onderscheidenlijk waarmee wordt samengewerkt op grond van een overeenkomst met als doel het verwerven van overwegende zeggenschap in een naamloze vennootschap of, indien de samenwerking geschiedt met de doelvennootschap, het dwarsbomen van het welslagen van een aangekondigd openbaar bod op die vennootschap; de volgende categorieën natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen worden in elk geval geacht in onderling overleg te handelen:
rechtspersonen of vennootschappen die met elkaar deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen en de door hen gecontroleerde ondernemingen;”
In het onderstaande analyseer ik eerst op welke wijze het vermoeden van onderling overleg in concernverhoudingen (art. 1:1 Wft) gebruik maakt van de jaarrekeningrechtelijke consolidatiecriteria (§ 11.3.2). Vervolgens komen de vermoedens zelf aan de orde. De wet onderscheidt twee categorieën: groepsmaatschappijen en gecontroleerde ondernemingen.3 De tweede categorie bestaat weer uit twee subcategorieën. Welbeschouwd bestaan er dus drie categorieën:
categorie 1: groepsmaatschappijen (§ 11.3.3)
categorie 2a: dochtermaatschappijen (§ 11.3.4)
categorie 2b: ondernemingen waarover een persoon overheersende zeggenschap heeft (§ 11.3.5)