HR, 22-10-2024, nr. 24/00727 C
ECLI:NL:HR:2024:1414
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
24/00727 C
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Jeugdstrafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1414, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:827
ECLI:NL:PHR:2024:827, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1414
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Jeugdzaak. Doodslag (art. 2:259 SrA), medeplegen voorhanden hebben van vuurwapen en munitie, meermalen gepleegd (art. 3.1 Vuurwapenverordening), medeplegen diefstal met geweld (art. 2:291.1 en 2:291.2 jo. 2:294 SrA) en medeplegen afpersing (art. 2:289.a SrA), medeplegen poging tot moord, meermalen gepleegd (art. 2:262 SrA). Strafoplegging (jeugddetentie van 4 jaren en plaatsing in inrichting voor jeugdigen voor 2 jaren). Is opgelegde jeugddetentie in combinatie met plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in strijd met art. 1:163.4 SrA? Strafoplegging is in strijd met art. 1:163.4 SrA omdat op grond van die bepaling (overeenkomstig WvSr van Curaçao en WvSr van Sint Maarten maar in afwijking van wettelijke regelingen in overige delen van Koninkrijk) combinatie van jeugddetentie met plaatsing in inrichting voor jeugdigen niet is toegestaan. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00727 C
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 juli 2023, nummer H 159/2022, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de sanctieoplegging aangaande de combinatie van jeugddetentie en PIJ-maatregel, in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof opgelegde jeugddetentie in combinatie met de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in strijd is met artikel 1:163 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (hierna: SrA).
2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot onder meer vier jaren jeugddetentie en de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen gelast.
2.3.1
Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. Artikel 1:163 leden 3 en 4 SrA luidt:
“3. Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.4. In afwijking van het derde lid kan de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noch met jeugddetentie noch met een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige worden gecombineerd.”
2.3.2
De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:163 SrA houdt in:
“Verder wordt (...) bepaald dat een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet kan worden gecombineerd met jeugddetentie: indien het nodig is het kind te plaatsen in een jeugdinrichting is jeugddetentie ongepast en per definitie niet in het belang van het kind. De regering heeft ervoor gekozen om deze combinaties uit te sluiten, aangezien deze combinaties elkaar overlappen en de jeugdige met een uiterst ongewenst pakket van maatregelen en van hoofdstraf geconfronteerd zou worden.”(Staten van Aruba 2009/10, 683, nr. 3, p. 104.)
2.4
De strafoplegging is in strijd met artikel 1:163 lid 4 SrA omdat op grond van die bepaling – overeenkomstig het Wetboek van Strafrecht van Curaçao en het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, maar in afwijking van de wettelijke regelingen in de overige delen van het Koninkrijk – de combinatie van jeugddetentie met de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet is toegestaan.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak. OM-cassatie. Veroordeling in een drietal zaken wegens onder meer verschillende levensdelicten en wapendelicten zoals strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht Aruba en de Vuurwapenverordening. Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft combinatie van sancties opgelegd die wettelijk niet is toegestaan, door naast een PIJ-maatregel ook jeugddetentie op te leggen. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest wat betreft deze combinatie van opgelegde sancties.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00727 C
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte
IInleiding
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) heeft de verdachte bij vonnis van 10 juli 2023 veroordeeld wegens:- in zaak A ‘Last call’ 1. primair “doodslag” en 2 “medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd”;- in zaak B ‘Brasil’ 1. “Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing door twee of meer verenigde personen”; en- zaak B ‘Marduga’ 2. “medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd”.
Wegens deze feiten heeft het Hof een jeugddetentie opgelegd voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, en de plaatsing van de verdachte gelast in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 1:78 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (verder: SrA) opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis bepaald.
2. Namens het openbaar ministerie heeft B.S. van Unnik, advocaat-generaal bij het openbaar ministerie Aruba, één middel van cassatie voorgesteld.
IIHet cassatiemiddel
3. Het middel houdt bezien in samenhang met de toelichting daarop in, dat het Hof een combinatie van sancties heeft opgelegd die wettelijk niet mogelijk is door in strijd met art. 1:163 lid 4 SrA een PIJ-maatregel naast de straf van jeugddetentie op te leggen.
4. Uit de strafmotivering volgt dat het Hof het sanctierecht voor minderjarigen van toepassing heeft verklaard op een verdachte die ten tijde van het plegen van de feiten zeventien jaar oud was. Ik citeer uit de strafmotivering: “De conclusie van het vorengaande is dat het Hof geen grond ziet om in afwijking van de hoofdregel in dit geval het jeugdstrafrecht buiten toepassing te laten.”
5. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, laten volgens het Hof geen andere straf toe dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Dat brengt het Hof tot het opleggen van de straf van jeugddetentie voor de maximaal toegestane duur van vier jaren. Gelet op de ernstige persoonlijkheidsproblematiek, het recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling, acht het Hof daarnaast een behandeling in een gesloten setting noodzakelijk. Om die reden heeft het Hof (ook) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaren gelast welke aansluitend aan de jeugddetentie dient aan te vangen.
6. Artikel 1:163 SrA houdt het volgende in:
“1. In plaats van de op een feit gestelde straffen worden de straffen en maatregelen opgelegd, in deze titel voorzien.
2. Een hoofdstraf kan zowel afzonderlijk als tezamen met andere hoofdstraffen en met bijkomende straffen worden opgelegd.
3. Een maatregel kan zowel afzonderlijk als tezamen met hoofdstraffen, met bijkomende straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.
4. In afwijking van het derde lid kan de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen noch met jeugddetentie noch met een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige worden gecombineerd.”
7. Het middel is gegrond. Het Hof heeft immers in zijn vonnis de verbodsbepaling als bedoeld in het vierde lid van art. 1:163 SrA miskend.
IIISlotsom
8. Het middel slaagt.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de sanctieoplegging aangaande de combinatie van jeugddetentie en PIJ-maatregel, in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG