Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.3:7.3.3.3 Intermezzo: vorderingsrecht, ius agendi en rechtsvordering
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.3.3
7.3.3.3 Intermezzo: vorderingsrecht, ius agendi en rechtsvordering
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192808:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-I 2016/33.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/32.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2016/32; Jongbloed, GS Vermogensrecht, inleiding op art. 296-305d, aant. 3 (online, bijgewerkt tot 20 september 2019).
Vgl. HR 31 januari 1992, NJ 1992/686 m.nt. Van Schilfgaarde (Van der Hoeven/Comtu).
Zie art. 6:3 BW. Zie over natuurlijke verbintenissen Asser/Sieburgh 6-I 2016/60-90.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
352. In de voorgaande paragraaf concludeerde ik dat het verhaalskarakter van het akkoord meebrengt dat slechts op de schuldenaar rustende verplichtingen tot betaling van een geldsom kunnen worden gewijzigd. Deze op de schuldenaar rustende verplichting vormt de passieve zijde van een verbintenis. Aan de actieve zijde van de verbintenis bevinden zich de rechten van de schuldeiser.1
In de literatuur worden drie aspecten van verbintenissen onderscheiden. In de eerste plaats kan het materiële recht van de schuldeiser onderscheiden worden, zoals het recht op betaling van een geldsom. Dit recht wordt ook wel aangeduid als ‘de materiële aanspraak’, ‘het recht op de prestatie’, het ‘subjectieve recht’ of ‘het vorderingsrecht’. Ten tweede heeft de schuldeiser de bevoegdheid om dat recht geldend te maken, het ius agendi. Ten derde bestaat er een processueel middel dat daartoe gebruikt wordt, de rechtsvordering of de actie.2 In de literatuur wordt geen eenduidige terminologie gehanteerd.3 Ik spreek hierna van ‘het recht op de prestatie’ of het ‘vorderingsrecht’, wanneer ik het eerste aspect van een verbintenis aanduid. De bevoegdheid dit recht geldend te maken noem ik het ‘ius agendi’ en de daarvoor in rechte in te stellen eis noem ik de ‘rechtsvordering’.
In nr. 64 kwam aan de orde dat de na homologatie van een faillissementsakkoord niet-voldane gedeelten van de vorderingen als natuurlijke verbintenissen op de schuldenaar rusten. Een traditioneel percentage-akkoord heeft dus niet alleen betrekking op de materiële aanspraak, maar ook op het ius agendi.4 Natuurlijke verbintenissen zijn immers rechtens niet-afdwingbaar.5 Een voorbeeld van een afspraak die effect heeft op het ius agendi is een zogenaamde ‘non-petition’-clausule. Een dergelijk beding verbiedt schuldeisers gebruik te maken van hun bevoegdheid het faillissement van hun schuldenaar aan te vragen.
Een akkoord kan betrekking hebben op het ius agendi (zie daarover §7.3.3.4) en het recht op de prestatie (§7.3.3.5).