Vgl. bijv. mijn conclusie voor HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1913 (HR: 81 RO), PHR 3 november 2020, PHR:2020:1006 waarbij sprake was van een minderjarige verdachte en een minderjarig slachtoffer, welke beide omstandigheden door de rechtbank in de beoordeling waren betrokken.
HR (Parket), 18-06-2024, nr. 24/00770
ECLI:NL:PHR:2024:610
- Instantie
Hoge Raad (Parket)
- Datum
18-06-2024
- Zaaknummer
24/00770
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2024:610, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:972
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2024-0160
Conclusie 18‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Gebruik medisch patiëntendossier voor strafvervolging. Beroep zorginstelling en behandelaar bij die zorginstelling op verschoningsrecht. Het oordeel van de Rb dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een inbreuk op het verschoningsrecht rechtvaardigen is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00770 Bv
Zitting 18 juni 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en
[klager 2] ,geboren op [geboortedatum] 1984
hierna: de klagers
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 16 februari 2024 de beklagen in de zaken met de raadkamernummers 23-031673 en 23/031677 ongegrond verklaard en [klager 2] in de zaak met raadkamernummer 23-020268 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00771Bv en 24/00772Bv. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
In aanmerking genomen dat de namens beide klagers ingediende schrifturen identiek zijn, zal ik deze schrifturen in één conclusie bespreken.
5. De bestreden beschikking
5.1
Het gaat in de bestreden beschikking - kort gezegd - om de beantwoording van de vraag of het medisch beroepsgeheim van de klagers zich verzet tegen het verstrekken aan het Openbaar Ministerie van het patiëntendossier van [patiënt] , die op [datum] 2018 is overleden aan (de complicaties (longontsteking) van) anorexia nervosa. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang en met weglating van de voetnoten, het volgende in:
“1. Inleiding
Op [datum] 2018 is [patiënt] overleden aan (de complicaties (longontsteking) van) anorexia nervosa. Zij had daarnaast ook te kampen met andere psychische problemen. Zij was een tijdlang, in ieder geval vanaf 1 september 2016, af en aan, onder behandeling bij de GGZ-instelling [instelling 1] , bij [instelling 2] (onderdeel van GGZ [instelling 3] ) en bij [klager 1] .
[instelling 1] was eigendom van en werd geleid door [betrokkene 1] .
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna afwisselend Inspectie en IGJ genoemd) heeft, naar aanleiding van alarmerende signalen over het overlijden van [patiënt] , als toezichthouder volksgezondheid een onderzoek ingesteld naar de werkwijze van [instelling 1] in het algemeen en de behandeling van [patiënt] in het bijzonder. In dat kader heeft [klager 1] het patiëntendossier van [patiënt] aan de Inspectie ter beschikking gesteld.
Tijdens dit onderzoek zijn tegen (medewerkers van) [instelling 1] verdenkingen gerezen van onzorgvuldig en onprofessioneel handelen dat kan hebben geleid tot of hebben bijgedragen aan het overlijden van [patiënt] . Tegen de directeur/eigenaar [betrokkene 1] heeft de Inspectie aangifte gedaan.
Daarop is door het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar diens handelwijze. In het kader van dat onderzoek heeft het openbaar ministerie gevorderd dat [klager 1] haar patiëntendossier van [patiënt] ter beschikking stelt van het strafrechtelijk onderzoek en dat is toegewezen door de rechter-commissaris.
[klager 1] en [klager 2] , psychiater bij [klager 1] en één van de behandelaars van [patiënt] , verzetten zich hiertegen met een beroep op het medisch beroepsgeheim. De rechter-commissaris heeft dat beroep afgewezen en daartegen hebben [klager 1] en [klager 2] een klaagschrift ingediend. Over die klaagschriften, en dus over het inroepen van het medisch beroepsgeheim gaat deze beslissing.
2. De procedure
2.1
De Inspectie heeft bij brief van 3 augustus 2022 [klager 1] verzocht aan haar te verstrekken:
- het patiëntendossier van [patiënt] , zoals eerder verstrekt aan de Inspectie;
- het gespreksverslag van het gesprek tussen [klager 2] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , psychiater en de Inspectie op 10 november 2021;
- overzicht 2018 samenwerking [klager 1] - [instelling 1] GGZ (behandeling [patiënt] [geboortedatum] -1997).
2.2
In een aansluitende e-mailwisseling van september - december 2022 heeft [klager 2] (kennelijk in overeenstemming met [klager 1] ) aangegeven alleen medische informatie over een (overleden) patiënt te kunnen delen als hij zich in een situatie van een conflict van plichten bevindt. Dat is niet aan de orde, zodat hij toestemming weigert.
2.3
De Inspectie heeft op 13 april 2023 aangifte gedaan tegen [betrokkene 1] inzake diens betrokkenheid bij het overlijden van [patiënt] . Daarin wordt verwezen naar enkele documenten, waaronder de schriftelijke aangifte. [betrokkene 1] zal hierna ook worden aangeduid als verdachte.
2.4
Op 27 juli 2023 heeft het openbaar ministerie ingevolge artikel 105 Sv van [klager 1] de overhandiging van "het complete medisch dossier van [patiënt] en alle andere relevante stukken met betrekking tot [patiënt] , over de periode 01 september 2016 tot en met 26 juli 2023” gevorderd.
2.5
Hieraan is geen gevolg gegeven.
2.6
Op 31 juli 2023 heeft de rechter-commissaris het bevel gegeven dat het complete dossier c.a. als hiervoor omschreven, moet worden uitgeleverd. Dit is gebeurd op 2 oktober 2023. Het patiëntendossier bevindt zich sedertdien in een verzegelde envelop in een kluis in het kabinet RC van de rechtbank.
2.7
Op 11 augustus 2023 heeft [klager 2] hiertegen bij de rechtbank een klaagschrift ingediend (raadkamernr. 23-020268). Dat is behandeld in raadkamer van 1 september 2023 en 10 november 2023. Daarbij heeft de raadkamer de zaak in handen gesteld van de rechter-commissaris zodat deze klager in de gelegenheid kan stellen bezwaar te maken om vervolgens daarop een beslissing te nemen waarna klager een klaagschrift ex artikel 552a zou kunnen indienen.
2.8
Bij brief van 2 november 2023 heeft de rechter-commissaris [klager 1] in kennis gesteld van de inbeslagname en de mogelijkheid geboden bezwaar te maken.
2.9
Tegen de inbeslagname is bezwaar gemaakt door [klager 1] bij bezwaarschrift van 13 november 2023 en door [klager 2] bij bezwaarschrift van 14 november 2023.
2.10
Deze bezwaren zijn door de rechter-commissaris bij beschikking van 14 december 2023 afgewezen.
2.11
Daartegen zijn door [klager 1] en door [klager 2] op grond van artikel 98 Sv klaagschriften ingediend op 22 december 2023.
3 Het onderzoek in raadkamer
3.1
In openbare raadkamer van 2 februari 2024 zijn gehoord:
- [klager 1] ; vertegenwoordigd door de juridisch adviseur [betrokkene 5] en bijgestaan door haar advocaat;
- dr. [klager 2] , bijgestaan door zijn advocaat
- de officier van justitie, mr. G. Steeghs.
3.2
De rechtbank zal de klaagschriften gezamenlijk behandelen omdat er weinig licht zit tussen de klaagschriften en klagers in grote lijnen dezelfde stellingen innemen en gelijkluidende bezwaren uiten tegen de inbeslagname.
4 De standpunten van partijen
4.1
De standpunten komen, in essentie, neer op het navolgende. Hierna zal meer inhoudelijk worden ingegaan op de aangevoerde argumenten over en weer.
4.2
Klagers vinden dat uitlevering van het medisch dossier, gelet op art. 218 Sv, in strijd zou zijn met de medische geheimhoudingsplicht van artikel 88 BIG. Er zijn geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het beroepsgeheim kan worden doorbroken.
4.3
De officier van justitie is van oordeel dat er zwaarwegende gronden zijn om het beslag van het dossier en de kennisneming daarvan toe te staan, ook al betekent dat een doorbreking van het medisch beroepsgeheim.
5 De beoordeling
5.1
Het hiernavolgende is deels ontleend aan het proces-verbaal aangifte van de Inspectie van 25 april 2023 (hierna: proces-verbaal aangifte) en het ongedateerde stuk “aangifte van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd jegens [betrokkene 1] " (DOC.001) (hierna; schriftelijke aangifte IGJ).
Het verloop van de gebeurtenissen
5.2
[betrokkene 1] was eigenaar en bestuurder van ‘ [instelling 1] BV’. Deze inmiddels failliet verklaarde vennootschap exploiteerde een instelling die ambulante gespecialiseerde GGZ-hulpverlening aanbood in [plaats] en omgeving. Daarnaast bood [instelling 1] woonruimte aan diverse cliënten. In januari 2019 kwam een melding binnen bij het parket Oost-Nederland over [betrokkene 1] , die zelf onder reclasseringstoezicht stond. Ook bij de Inspectie kwamen signalen binnen over [instelling 1] , hetgeen aanleiding was voor toezichtbezoeken. [betrokkene 1] is niet BIG geregistreerd.
5.3
In 2015 wordt [patiënt] door haar huisarts verwezen naar de gespecialiseerde GGZ in verband met anorexia nervosa met een langdurig verloop. Er zijn ook trekken van een borderlinestoornis vastgesteld.
5.4
Op 1 september 2016 komt [patiënt] onder behandeling bij [instelling 1] in verband met anorexia.
5.5
Gedurende de hierna volgende periode is [patiënt] periodiek ook onder behandeling bij [instelling 2] , onderdeel van de GGZ-instelling [instelling 3] , en gespecialiseerd in eetstoornissen, waar zij regelmatig wordt opgenomen in verband met eetproblemen, voortvloeiend uit de anorexia-problematiek. Daarnaast wordt zij ook opgenomen in [klager 1] (23 maart en 24 maart 2018; 18 en 19 april 2018; 20 mei tot 22 juni 2028; 19 augustus tot 21 november 2018, waarvan sinds 30 augustus op de PAAZ-afdeling). Al die tijd blijft [instelling 1] de regie voeren over de behandeling.
5.6
Op 21 november 2018 gaat [patiënt] naar haar appartement waar medewerkers van [instelling 1] regelmatig langskomen. Op 17 december 2018 wordt zij opgenomen in het [ziekenhuis] , waar zij op [datum] 2018 overlijdt aan longontsteking.
5.7
Van dit overlijden is geen melding ontvangen door de Inspectie. Het journalistiek onderzoeksplatform Follow the Money vraagt op 9 april 2019 opheldering hierover, specifiek of dit verband hield met de zorg vanuit [instelling 1] . De Inspectie heeft daarop een onderzoek ingesteld.
5.8
De Inspectie heeft in het kader van haar toezichtfunctie gesprekken gevoerd met medewerkers van [klager 1] . Hieruit zou blijken dat [klager 1] zeer kritisch was over de professionaliteit, kennis en kunde van [instelling 1] . Deze instelling zou niet geëquipeerd zijn om een somatisch/psychiatrische behandeling te bieden aan deze patiënte met een dergelijk ernstig beeld.
5.9
Vervolgens heeft de Inspectie aangifte gedaan tegen [betrokkene 1] .
5.10
Naar aanleiding van deze aangifte, is het openbaar ministerie tegen [betrokkene 1] een strafrechtelijk onderzoek gestart. Hij wordt vooralsnog verdacht van:
- benadeling van de gezondheid van een ander in het kader van de individuele gezondheidszorg (art. 91 BIG);
- in hulpeloze toestand brengen of laten van iemand die aan zijn zorg is toevertrouwd (art. 255 Sr);
- schending van de geheimhoudingsplicht (art. 272 Sr);
- dood door schuld (art. 307 Sr)
De beoordeling van de klaagschriften
5.11
De kwestie die aan de rechtbank wordt voorgelegd ziet op een conflict tussen twee in een democratische rechtsstaat belangrijke principes. Enerzijds het beginsel dat iedereen die te kampen heeft met medische (fysieke en/of psychische) problemen zich gerust tot een arts of medische hulpverlener moet kunnen wenden in het vertrouwen dat alle daaruit voortkomende gegevens vertrouwelijk zijn en vertrouwelijk blijven, in ieder geval zolang de patiënt dat wil (het individuele aspect). Een al te snelle doorbreking van dat beginsel zou ertoe kunnen leiden dat in de toekomst mensen die medische zorg behoeven, maar ook andere maatschappelijke of juridische problemen hebben, zich niet meer met een gerust hart tot een zorgverlener durven wenden (het maatschappelijke aspect). Hetzelfde probleem geldt overigens bij andere zogeheten professionele geheimhouders zoals advocaten en notarissen die ook een wettelijke geheimhoudingsplicht hebben. In zekere zin geldt dat tegenwoordig ook voor journalisten.
5.12
Daar tegenover staat het belang dat ernstige strafbare feiten waarbij mensenlevens te betreuren zijn, door de overheid worden onderzocht, vervolgd en berecht. Uit artikel 2 EVRM wordt een dergelijke plicht voor de overheid afgeleid. In deze zaak is [patiënt] in 2018 overleden aan - vermoedelijk - de gevolgen c.q. complicaties van anorexia (longontsteking). Zij leed daarnaast aan andere psychische stoornissen dan wel aan trekken daarvan. Zij was onder behandeling bij de private zorginstelling [instelling 1] , die onder leiding stond van verdachte. Hij was geen medicus, had geen (para)medische opleiding en was dus ook niet BIG-geregistreerd. De verdenking is dat het handelen of nalaten van [instelling 1] en haar medewerkers, onder eindverantwoordelijkheid van verdachte, heeft geleid tot of minst genomen bijgedragen aan dit noodlottig overlijden. Onderzoek naar de gedragingen van [betrokkene 1] is dan ook een zwaarwegend maatschappelijk belang.
5.13
Dat wordt op zichzelf niet betwist door klagers. Maar zij vinden dat het belang van de geheimhouding desondanks zwaarder moet wegen. De botsing tussen deze twee principes vormt een dilemma dat de rechter dient op te lossen door de hiermee gediende belangen af te wegen in de context van het concrete geval.
Het wettelijk kader
5.14
De Hoge Raad heeft in een bestendige lijn het juridische kader voor deze belangenafweging uiteen gezet. Daarbij geldt het volgende uitgangspunt:
“Het verschoningsrecht van onder meer de arts is in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht (vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD7280). De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt een aantal factoren te destilleren die bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld in de afweging kunnen worden betrokken, zoals de omstandigheid dat sprake is van ernstige delicten en de omstandigheid dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen (vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205). In dit verband geldt verder dat als moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit. (Vgl. HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05070.)"
5.15
Bij het onderzoek of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigen, kunnen uit deze rechtspraak enkele gezichtspunten worden gedistilleerd, waarbij de rechtbank er niet van uitgaat dat deze opsomming limitatief is:
- het gaat om de verdenking van een ernstig strafbaar feit;
- het gaat om een kwetsbaar slachtoffer;
- er bestaat een ernstige verdenking tegen de verdachte;
- het is van groot maatschappelijk belang dat ter staving dan wel ter ontkrachting van deze verdenking een gedegen, objectief en zo volledig mogelijk onderzoek wordt ingesteld;
- de gevraagde gegevens zijn noodzakelijk voor de waarheidsvinding;
- de inbreuk op het beroepsgeheim blijft zo beperkt mogelijk;
- de gevraagde gegevens kunnen niet op andere wijze worden verkregen;
- het slachtoffer heeft al dan niet toestemming verleend voor het prijsgeven van de medische informatie;
5.16
De rechtbank neemt dit beoordelingskader tot uitgangspunt. Daarbij zij aangetekend dat [klager 1] noch [klager 2] zelf als verdachte worden beschouwd. Dat staat niet ter discussie. De vele woorden die hieraan worden gewijd in de klaagschriften laat de rechtbank dan ook voor wat ze zijn en de hierop betrekking hebbende gezichtspunten in de rechtspraak zullen daarom buiten beschouwing blijven.
Het slachtoffer
5.17
[patiënt] was een jonge vrouw die leed aan ernstige psychische aandoeningen. Anorexia kan leiden tot overlijden en adequate behandeling daarvoor is daarom dringend gewenst. Dat kan bemoeilijkt worden wanneer er ook nog andere aandoeningen zijn. In de ter beschikking staande stukken wordt gewag gemaakt van PTSS en trekken van borderline. Zij was daarmee een kwetsbaar persoon, die herhaalde malen is opgenomen in ziekenhuizen, waaronder de PAAZ afdeling van [klager 1] . Uiteindelijk is zij overleden aan de gevolgen van longontsteking, die als gevolg van de anorexia-stoornis en de daaruit volgende, sterk verzwakte fysieke toestand, haar zwaar trof, zo lijkt uit het dossier te volgen.
De verdenking tegen de verdachte
5.18
De Inspectie beschikt over alle dossiers van de betrokken instellingen: [instelling 1] , [instelling 2] en [klager 1] en zij concludeert in de schriftelijke aangifte dat verdachte bij de behandeling compleet voorbij is gegaan aan de bestaande richtlijnen voor de behandeling van eetstoornissen als ook voor de behandeling van de vastgestelde PTSS. Zonder enige kennis volgde hij zijn eigen koers en nam tegen de opvatting van de regiebehandelaar van [instelling 1] de behandeling op zich zonder de richtlijnen te volgen en zonder vorm van geobjectiveerde controle op somatisch vlak.
Er zijn geen aanwijzingen dat hij zich liet bijstaan door ter zake deskundigen. Hij zag de eetstoornis als een gevolg van andere problemen en sloeg de adviezen van de gespecialiseerde eetkliniek in de wind. Hij was tegen gelijktijdige behandeling van patiënte door [instelling 1] en [instelling 2] en heeft druk gezet op de overname van de behandeling door [instelling 1] vanaf december 2017. De Inspectie heeft het ernstige vermoeden dat de handelwijze van verdachte benadeling of een ernstige kans op benadeling van de gezondheid van [patiënt] heeft veroorzaakt.
Het maatschappelijk belang
5.19
Dit betreft een ernstig verwijt. Indien het verwijt juist is, dient ervoor gewaakt te worden dat verdachte nogmaals in de gelegenheid kan komen medische behandelingen op zich te hemen zonder de vereiste kennis en kunde. Niet duidelijk is of hij nog steeds werkbaar is in de zorgsector. Tegen andere medewerkers van [instelling 1] zijn door de Inspectie tuchtrechtelijke klachten ingediend. Tegen verdachte kan dat niet omdat hij geen BIG-registratie heeft. Strafrechtelijk onderzoek en eventueel strafvervolging is daarom de enige mogelijkheid de samenleving tegen verdachtes praktijken te beschermen.
Subsidiariteit
5.20
Het openbaar ministerie beschikt over de aangifte van de Inspectie en over de door [instelling 1] en [instelling 2] bijgehouden medische dossiers. Het dossier van [instelling 1] is volgens de Inspectie echter gebrekkig en weinig transparant. Vanaf 4 oktober 2018 bevat het dossier van [instelling 1] geen enkele aantekening meer hoewel verdachte haar na de laatste ziekenhuisopname naar eigen zeggen wel is blijven zien.
Uit de aangifte blijkt dat [patiënt] met enige regelmaat in [klager 1] is opgenomen. Er heeft overleg plaats gevonden tussen behandelaars van [instelling 1] en [klager 1] . Mogelijk bevat het dossier van [klager 1] ook correspondentie met [instelling 1] c.q. verdachte. Deze stukken kunnen belangrijke informatie bevatten over diens handelwijze en over zijn zienswijze op de vereiste behandeling van de problematiek van [patiënt] , aspecten die van belang kunnen zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
5.21
Klagers hebben aangevoerd dat er ook andere mogelijkheden zijn om de benodigde informatie te vergaren. Het openbaar ministerie beschikt immers al over het dossier van [instelling 1] en van [instelling 2] en heeft tot op heden niet het dossier van [ziekenhuis] opgevraagd, waar [patiënt] nota bene is overleden. Ook is er kennelijk geen sectierapport voorhanden.
Dit verweer faalt. Het dossier van [instelling 1] is volgens de Inspectie gebrekkig, onvolkomen en voldoet niet aan de professionele maatstaven. Het dossier van [instelling 2] zal ongetwijfeld de nodige informatie bevatten, maar de bemoeienissen van [instelling 2] zijn kennelijk al in december 2017 gestopt, op aandringen van verdachte. [patiënt] was slechts twee dagen opgenomen in [ziekenhuis] , waar zij ook overleed. Over de doodsoorzaak bestaat geen discussie. Over de opheldering van de vraag of het handelen van verdachte gedurende de voorafgegane twee jaar op enigerlei wijze daaraan heeft bijgedragen, zal het dossier van het Radboudziekenhuis naar verwachting weinig opheldering kunnen verschaffen.
5.22
Daarnaast hebben klagers aangevoerd dat het openbaar ministerie de gegevens in het patiëntendossier van [klager 1] ook op andere wijze zou kunnen verkrijgen, zoals door het als getuige horen van medewerkers van [klager 1] of [instelling 2] of [instelling 1] . Ook zouden medisch deskundigen kunnen worden ingeschakeld die kennisnemen van het dossier en vervolgens hun bevindingen daarover weergeven.
Ook dit verweer slaagt niet. Wanneer medewerkers van [klager 1] of andere zorginstellingen zouden worden gehoord, ligt het voor de hand dat zij zich beroepen op het (afgeleid) verschoningsrecht, zoals ter zitting ook niet is ontkend en in het klaagschrift van [klager 2] zelfs expliciet is bevestigd. In zoverre lijkt deze stellingname nogal tegenstrijdig. De tegenwerping van klagers dat het dan aan de rechter-commissaris is om daarin een knoop door te hakken, is wat bevreemdend en lijkt op het doorschuiven van het probleem.
5.23
Bovendien is dat geen redelijk alternatief. Het zou ten eerste het strafrechtelijk onderzoek ernstig bemoeilijken en traineren, maar bovendien gaat het hier om het handelen en de -medische- inzichten van de verdachte en die kunnen het beste aan het licht worden gebracht door diens eigen brieven, verslagen, en uitlatingen. Die zijn rechtstreeks tot hem te herleiden, waar de informatie bij getuigenverklaringen altijd door een filter komt en het de vraag is hoe gekleurd dat filter is.
Dat geldt nog sterker bij het alternatief van deskundigenonderzoeken. Ook een dergelijke medisch deskundige zal gebonden zijn aan een afgeleid verschoningsrecht. Hij zal alleen conclusies kunnen trekken op basis van zijn eigen oordeel over het handelen van verdachte en daarop kan geen strafvonnis worden gebaseerd. Het openbaar ministerie en de strafrechter moeten zich zelf een oordeel kunnen vormen, zoveel mogelijk op basis van primaire, authentieke bronnen, hoogstens aangevuld met deskundigenadvies op specifieke medische onderdelen. Om dezelfde reden faalt de stelling dat de uitgebreide schriftelijke aangifte van de Inspectie een voldoende onderbouwd beeld geeft van de handelwijze van verdachte. Op alleen een aangifte is geen veroordeling te baseren, steunbewijs is altijd noodzakelijk.
Standpunt betrokkene
5.24
De ouders van [patiënt] hebben toestemming gegeven tot het vrijgeven van haar patiëntendossier. Dat is op zichzelf geen doorslaggevend argument, waar ook de toestemming van de patiënt zelf de betreffende arts niet zonder meer ontslaat van zijn geheimhoudingsplicht maar hij zelf een afweging moet maken, ook met het oog op het publieke belang. Het wel een aspect dat een rol speelt in de afweging
Overige verweren
5.25
De Inspectie zou volgens klagers haar (afgeleide) verschoningsrecht hebben verbroken door stukken ter beschikking te stellen aan het openbaar ministerie. Hieraan wordt voorbijgegaan, reeds omdat er door klagers geen conclusies aan verbonden worden. Bovendien is dat op zichzelf geen argument om het beklag gegrond te verklaren.
5.26
Ook is een beroep gedaan op het tijdverloop. [patiënt] is overleden in december 2018. Dat zou meebrengen dat een strafrechtrechtelijk onderzoek niet langer zinvol is en het zou ook afbreuk doen de eis van zeer uitzonderlijke omstandigheden om een inbreuk op de geheimhouding te rechtvaardigen.
Dat tijdverloop is te verklaren doordat de Inspectie eerst in april 2021 lucht kreeg van mogelijke onregelmatigheden rondom dit overlijden, vervolgens zelf een onderzoek is gestart dat heeft geleid tot de aangifte in april 2023. Vervolgens heeft het openbaar ministerie voortvarend gehandeld. Dat naast het feit dat dit tijdsverloop niet ziet op enig rechtens te respecteren belang van klagers.
5.27
Ook de overige verweren, voor zover niet expliciet besproken, kunnen niet tot een andere beslissing leiden.
6 Slotsom
6.1
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de conclusie dat, hoe belangrijk de medische geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht ook zijn, er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die in de voorliggende zaak een uitzondering daarop rechtvaardigen.
Vrijwel alle in overweging 5.15 genoemde gezichtspunten geven hieraan steun.
Het betreft de zeer onfortuinlijke, voortijdige dood van een jonge psychisch getroebleerde vrouw, die gedurende twee jaar onder behandeling stond van iemand die geen medische opleiding had gevolgd, volgens de Inspectie geen medische deskundigheid had en die zich, afgaande op de bevindingen van de Inspectie, ook niet veel gelegen liet liggen aan mensen die er wel verstand van hadden. Het betreft dus een ernstige verdenking van een ernstig strafbaar feit met een kwetsbaar slachtoffer.
6.2
De tegen verdachte gerezen bezwaren kunnen niet worden afgewikkeld binnen het medisch tuchtrecht omdat verdachte niet BIG-geregistreerd is.
6.3
De dossiers die het openbaar ministerie in handen heeft, geven klaarblijkelijk onvoldoende opheldering over de werkwijze van verdachte, zijn handelingen en inzichten met betrekking tot de medische problematiek van de patiënt. Het is alleszins aannemelijk dat het patiëntendossier van [klager 1] belangrijke aanvullende informatie uit de eerste hand bevat. De Inspectie, die dit dossier heeft kunnen inzien in het kader van haar toezichthoudende taak, merkt op dat de informatie uit de dossiers van [instelling 2] en [klager 1] een helder beeld geven over de handelwijze van verdachte. “Verdachte heeft zowel door het niet betrekken van ter zake deskundige collega’s, het zonder aanwezige kennis en ervaring ingrijpen bij een ernstige eetstoornis de patiënte aan een groot veiligheidsrisico blootgesteld, namelijk een verdere verslechtering van de toch al zeer kwetsbare medische en/of psychiatrische conditie.”, aldus de Inspectie. De gevraagde gegevens zijn dus nodig voor de waarheidsvinding en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Nu verdachte [patiënt] gedurende een lange periode heeft behandeld en deze gehele periode onderwerp van onderzoek zal zijn, is het volgens de rechtbank gerechtvaardigd om het gehele medische dossier van [patiënt] onderwerp van de vordering te laten zijn. Dat kan, anders dan klagers menen, niet als disproportioneel worden aangemerkt.
6.4
Deze zaak vergt nader strafrechtelijk onderzoek, ook in het licht van de hiervoor aangehaalde EHRM-rechtspraak over artikel 2 EVRM, waarin de lidstaten de plicht hebben het nodige onderzoek te verrichten, ook in zaken waarin ogenschijnlijk falend medisch handelen fatale gevolgen heeft gehad. Niet alleen uit het oogpunt van genoegdoening, maar ook tot bescherming van de samenleving tegen herhaling van een falend medisch handelen van betrokkene. Dit is een wezenlijk maatschappelijk belang.
6.5
[klager 2] heeft zich in eerdere correspondentie op het standpunt gesteld dat hij alleen kan overgaan tot doorbreking van zijn plicht tot geheimhouding als hij zich in een conflict van tegenstrijdige plichten bevindt en dat is volgens hem niet het geval. De rechtbank respecteert dat standpunt, maar komt wel tot een andere afweging. De maatstaf ‘conflict van plichten’ speelt vooral bij de vraag of de arts zelf kan of moet besluiten tot doorbreking van de geheimhouding.
6.6
De rechtbank neemt daarom de professionele geheimhouders in deze procedure de beslissing uit handen en is van oordeel dat het maatschappelijk belang en het belang van de strafvordering eisen dat het openbaar ministerie het medisch dossier van [klager 1] in ruime zin kan gebruiken in het kader van de strafvervolging tegen verdachte. De beslissing van de rechter-commissaris kan de volle toets van de rechtbank dan ook doorstaan zodat de klaagschriften ongegrond worden verklaard.
7. Het klaagschrift van [klager 2] nr. 23-020268
7.1
[klager 2] heeft op 11 augustus 2023 rauwelijks een klaagschrift ingediend tegen het bevel van de rechter-commissaris van 31 juli 2023. Dat is niet conform de regeling van artikel 98 Sv. Het klaagschrift is behandeld ter zitting van de rechtbank van 1 september 2023 en 10 november 2023. Daar is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris zodat deze eerst, conform de geldende rechtspraak, een oordeel kan geven over het beroep op het verschoningsrecht. Dat heeft de rechter-commissaris gedaan op 14 december 2023 en daartegen is vervolgens - opnieuw - een klaagschrift ingediend dat is geregistreerd onder nr. 23-031677.
7.2
Gezien het voorgaande, heeft [klager 2] geen belang meer bij een afzonderlijke beoordeling van het eerste klaagschrift zodat dit niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De beslissing
De meervoudige raadkamer:
verklaart het klaagschrift van [klager 2] (23-020268) niet-ontvankelijk;
verklaart de klaagschriften van [klager 1] (23-031673) en van [klager 2] (23-031677) ongegrond.”
6. Het eerste middel
6.1
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een uitzondering op de medische geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht rechtvaardigen.
6.2
In de toelichting op het middel wordt een aantal subklachten opgeworpen die volgens de stellers van het middel, op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien, het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen onbegrijpelijk maakt. Blijkens de in de toelichting op het middel gehanteerde kopjes gaat het daarbij om de volgende onderwerpen: de verdenking, subsidiariteit, aard en omvang (van het medisch dossier), kwetsbaar slachtoffer, verleende toestemming en tijdsverloop. Er wordt daarbij verzocht om het middel “holistisch” te beschouwen in plaats van als een opsomming van losse sub-klachten. Volgens de stellers van het middel blijft alleen de vaststelling dat er sprake is van verdenking van een (ernstig) misdrijf over als grondslag voor het oordeel dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, hetgeen niet afdoende is. Ook indien de Hoge Raad slechts een deel van genoemde klachten gegrond acht, is het oordeel van de rechtbank, in zijn geheel beschouwd, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
6.3
In het onderhavige geval hebben de klagers zich in hun rol van zorginstelling resp. behandelaar (psychiater) van [patiënt] bij die zorginstelling met een beroep op het medisch beroepsgeheim verzet tegen het ter beschikking stellen aan het Openbaar Ministerie van het patiëntendossier van [patiënt] in verband met het strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] , eigenaar en directeur van [instelling 1] , een andere instelling waarbij genoemde [patiënt] onder behandeling stond. Klagers zijn zelf niet als verdachten aangemerkt, hetgeen in de onderhavige zaak ook niet ter discussie staat.
6.4
De rechtbank heeft aan de hand van het in de bestreden beschikking onder 5.14 weergegeven beoordelingskader en de onder 5.15 weergegeven gezichtspunten geoordeeld dat er in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die doorbreking van het uit de medische geheimhoudingsplicht voortvloeiende verschoningsrecht rechtvaardigen. Volgens de rechtbank geven vrijwel alle in 5.15 genoemde gezichtspunten hieraan steun.
6.5
In de schriftuur wordt onder het kopje “verdenking” ingegaan op de betekenis van wie de verdachte is in deze zaak. Volgens de stellers van het middel lijkt de rechtbank in rov. 5.18 en 5.19 het “algemeen belang” dat patiënten hebben bij beschikbaarheid voor justitie van medische dossiers bij verdenkingen van ernstig verwijtbaar handelen van artsen/hun arts te vertalen naar een maatschappelijk belang dat dergelijke artsen (en/of zorgverleners) niet meer als zodanig werkzaam (kunnen) zijn. Deze redenering zou evident opgeld doen wanneer de arts zich achter zijn eigen verschoningsrecht verschuilt, maar niet wanneer een arts zijn verschoningsrecht inroept, ten gevolge waarvan mogelijk strafbare feiten van derden moeilijker te onderzoeken zijn. Het verschoningsrecht zou in het onderhavige geval niet oneigenlijk worden ingezet door de klagers.
6.6
De door de stellers van het middel voorgestane lezing van de genoemde overwegingen volg ik niet. De onder 5.18 en 5.19 weergegeven overwegingen vormen een uitwerking van het onder 5.12 omschreven belang dat ernstige strafbare feiten waarbij mensenlevens te betreuren zijn door de overheid worden onderzocht, vervolgd en berecht en dat gelet op de ernst van het tegen [betrokkene 1] bestaande verwijt het onderzoek naar die gedragingen een zwaarwegend maatschappelijk belang oplevert, temeer nu de tuchtrechtelijke route in het onderhavige geval niet bewandeld kan worden wegens het bij genoemde [betrokkene 1] ontbreken van een BIG-registratie. Volgens de rechtbank is die verplichting tot onderzoek er niet alleen uit het oogpunt van genoegdoening, maar strekt deze ook tot bescherming van de samenleving tegen herhaling van een falend medisch handelen van betrokkene (zie onder 6.4).
6.7
Onder het hoofdje “subsidiariteit” wordt in de schriftuur een aantal deelklachten opgeworpen tegen de in de bestreden beschikking onder 5.20-5.23 weergegeven overwegingen. Genoemde overwegingen zouden een aaneenschakeling van onbegrijpelijkheden bevatten. In samengevatte vorm houden de klachten het volgende in:
- Uit rov. 5.20 zou blijken dat de rechtbank noch heeft kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk relevante gegevens in het medisch dossier van [klager 1] zullen zijn, noch dat de (eventueel bestaande) gegevens perse van belang zullen zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. Dat zou het oordeel dat “die” gegevens niet op andere wijze verkregen kunnen worden onbegrijpelijk maken.
- De verwerping van het onder 5.21 genoemde verweer zou onbegrijpelijk zijn, nu de omstandigheid dat een dossier niet voldoet aan wetgeving op het gebied van medische verslaglegging niet meebrengt dat wat er wél in is opgenomen onvoldoende is voor het onderzoek voor een strafrechtelijke vervolging. Wat betreft het dossier van [instelling 2] heeft de rechtbank volgens de stellers van het middel kennelijk niet de moeite genomen om zich daadwerkelijk te vergewissen of het dossier niet reeds afdoende informatie bevat om tot een strafrechtelijke vervolging te komen, hetgeen in het licht van het in raadkamer gevoerde verweer, onbegrijpelijk is.
- In rov. 5.22 zou het onbegrijpelijk zijn dat de rechtbank overweegt dat het in de rede ligt dat medewerkers “van andere zorginstellingen” zich zullen beroep op het (afgeleid) verschoningsrecht. Uit het verhandelde in raadkamer, noch uit de bestreden beschikking, zou blijken dat de betrokken medewerkers van [instelling 1] en/of [instelling 2] zich op hun verschoningsrecht hebben beroepen; het Openbaar Ministerie beschikt zelfs reeds over het medische dossier van [instelling 2] . Bovendien zou hiermee ontoelaatbaar vooruit worden gelopen op hetgeen getuigen al dan niet gaan doen, terwijl het in de rede ligt dat - zoals in raadkamer is aangevoerd - op zijn minst één getuige (regiebehandelaar GGZ [instelling 1] ) een (zeer) relevante verklaring zal kunnen en willen afleggen en het eveneens in de rede ligt dat de medewerkers van [instelling 1] tegen wie tuchtrechtelijke klachten zijn ingediend, zich in de betreffende procedures zullen verweren c.q. verweerd hebben.- In rov. 5.23 is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk dat het ernstig bemoeilijken en traineren van het strafrechtelijk onderzoek en de algemene overweging over de waarde van getuigenverklaringen zwaarder wegen dat het verschoningsrecht. Bovendien zou de stelling dat op een deskundigenonderzoek of aangifte geen strafvonnis gebaseerd kan worden van een onjuiste rechtsopvatting getuigen (art. 344, eerste lid, Sv).
6.8
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie beschikt over de aangifte van de Inspectie en over de door [instelling 1] en [instelling 2] - twee zorginstellingen waar [patiënt] onder behandeling stond - bijgehouden medische dossiers. Ten aanzien van het dossier van [instelling 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat dit dossier volgens de Inspectie gebrekkig, onvolkomen en weinig transparant is en ook niet voldoet aan de professionele maatstaven. Bovendien is in dit dossier vanaf 4 oktober 2018 geen enkele aantekening meer opgenomen, terwijl verdachte [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [patiënt] na de laatste ziekenhuisopname wel is blijven zien. Met betrekking tot het dossier van [instelling 2] overweegt de rechtbank dat dit dossier ongetwijfeld de nodige informatie zal bevatten, maar dat de bemoeienissen van [instelling 2] kennelijk, op aandringen van de verdachte, al in december 2017 zijn gestopt. Zo bezien verschaffen deze dossiers geen compleet beeld van de gehele periode (1 september 2016 tot en met 26 juli 2023). De namens de klagers aangedragen andere mogelijkheden om de benodigde informatie te vergaren, te weten het opvragen van het dossier van [ziekenhuis] en het sectierapport, zijn volgens de rechtbank niet toereikend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststellingen dat [patiënt] slechts twee dagen in het UMC was opgenomen en over de doodsoorzaak geen discussie bestaat, zodat het dossier van het [ziekenhuis] (of een sectierapport) naar verwachting weinig opheldering kunnen verschaffen over de vraag of het handelen van de verdachte gedurende de voorafgaande twee jaren op enige wijze aan de dood van [patiënt] heeft bijgedragen. Tegen deze achtergrond is de verwerping van het verweer dat de opgeworpen alternatieve mogelijkheden toereikend zijn om de benodigde informatie te vergaren, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat de rechtbank wat betreft het dossier waarvoor de klagers zich op hun verschoningsrecht beroepen heeft overwogen dat daarin mogelijk wel stukken zijn opgenomen die belangrijke informatie bevatten over de handel- en zienswijze van de verdachte met betrekking tot de vereiste behandeling van de problematiek van [patiënt] , aspecten die van belang kunnen zijn voor een strafrechtelijk onderzoek. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststellingen dat [patiënt] met enige regelmaat in de zorginstelling van de klagers is opgenomen en dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen de behandelaars van [instelling 1] (de aan de verdachte gelieerde instelling) en de instelling van de klagers, zodat niet valt uit te sluiten dat er naast overleg tussen de behandelaars van [instelling 1] en klagers ook correspondentie met [instelling 1] c.q. de verdachte heeft plaatsgevonden (met belangrijke aanvullende informatie uit de eerste hand), temeer nu de rechtbank onder 5.18 heeft vastgesteld dat de verdachte sterk zijn eigen koers volgde wat betreft de vereiste behandeling van de problematiek van [patiënt] en de aangifte van de Inspectie - die de dossiers van [instelling 2] en klagers vanuit haar toezichthoudende taak heeft kunnen inzien - ook inhoudt dat de in genoemde dossiers opgenomen informatie een helder beeld geeft over de handelwijze van de verdachte. Het onder 6.3 weergegeven citaat uit dit rapport kan het oordeel dat deze gegevens nodig zijn voor de waarheidsvinding dragen. Gelet op het voorgaande gaan de onder 6.7 onder het eerste en tweede gedachtestreepje opgeworpen klachten niet op.
6.9
Hetzelfde heeft mijns inziens te gelden voor de onder 6.7 onder het derde en vierde gedachtestreepje genoemde klachten die zien op het op andere wijze kunnen verkrijgen van de gegevens in het patiëntendossier ten aanzien waarvan klagers zich op hun verschoningsrecht beroepen. Daarbij merk ik op dat - wat er ook zij van hetgeen onder 5.22 is overwogen - de rechtbank de aangedragen mogelijkheden van het horen van medewerkers van de betrokken zorginstellingen of het inschakelen van medische deskundigen niet als een redelijk alternatief heeft gezien. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde gronden, zoals weergegeven onder 5.23, kunnen dat oordeel zonder meer dragen. Verder is de verwerping door de rechtbank van de stelling dat de uitgebreide schriftelijke aangifte van de Inspectie, ook zonder de onderliggende stukken, een voldoende onderbouwd beeld geeft van de handelwijze van de verdachte, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.10
Resumerend kom ik dan ook tot de slotsom dat het oordeel van de rechtbank dat de gevraagde gegevens nodig zijn voor de waarheidsvinding en niet op andere wijze kunnen worden verkregen niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
6.11
Onder het hoofdje “Aard en omvang” in de schriftuur wordt door de stellers van het middel opgemerkt dat de rechtbank geen nadere overwegingen heeft gewijd aan de aard en omvang van het medisch dossier. Geklaagd wordt dat het onder 6.3 weergegeven oordeel van de rechtbank dat het gerechtvaardigd is om het gehele medische dossier van [patiënt] onderwerp van de vordering te laten zijn en dat zulks niet als disproportioneel kan worden aangemerkt haaks staat op de onder 5.21 weergegeven overweging dat het medisch dossier van [klager 1] onder meer nodig is vanwege het feit dat het medisch dossier van [instelling 2] slechts tot december 2017 loopt.
6.12
Over deze klacht kan ik kort zijn, nu - zoals onder 6.8 reeds ter sprake kwam - de rechtbank heeft geoordeeld dat het alleszins aannemelijk is dat het patiëntendossier van [klager 1] belangrijke aanvullende informatie uit de eerste hand bevat en aldus niet kan worden volstaan met de genoemde reeds ter beschikking staande gegevens.
6.13
Verder wordt in de schriftuur onder het kopje “kwetsbaar slachtoffer” opgemerkt dat het onder rov. 5.17 meewegen dat de overledene een kwetsbaar slachtoffer is getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat daarvoor geen steun te vinden is in de rechtspraak en juist kwetsbare personen erop moeten kunnen vertrouwen dat zij veilig een stap naar een geheimhouder kunnen nemen.
6.14
De rechtbank heeft onder 5.17 en 6.1 expliciet benoemd en meegewogen dat het slachtoffer in de onderhavige zaak een kwetsbaar slachtoffer betreft. Het mede in verband met de ernst van de verdenking laten meewegen van dit aspect, geeft mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat bijvoorbeeld ook het minderjarig zijn van een slachtoffer een beoordelingsfactor kan zijn.1.
6.15
Ook wordt onder het kopje “Verleende toestemming” betoogd dat het meewegen in de beoordeling van het geven van toestemming door de ouders van [patiënt] onbegrijpelijk zou zijn, omdat de overledene meerderjarig was. Volgens de stellers van het middel had de rechtbank in plaats hiervan een - speculatief doch - onderbouwd oordeel moeten geven over de vermoedelijke wens van de overledene. Niet valt in te zien waarom betekenis toekomt aan de toestemming van de ouders.
6.16
Zoals in de desbetreffende overweging door de rechtbank naar ik meen terecht wordt opgemerkt is het geven van toestemming op zichzelf geen doorslaggevend argument, maar kan het gegeven zijn van toestemming wel een aspect zijn dat een rol speelt in de afweging.2.Uit de overwegingen van de rechtbank zoals weergeven onder “6. Slotsom” blijkt echter niet dat de rechtbank hieraan in haar afweging een doorslaggevende betekenis heeft toegekend. Daarop stuit deze klacht af.
6.17
Tot slot wordt onder het kopje “Tijdsverloop” geklaagd dat de rechtbank het standpunt dat het tijdsverloop afbreuk doet aan de ‘uitzonderlijkheid’ van de omstandigheden welbeschouwd in het midden laat, nu enkel wordt ingegaan op de verklaarbaarheid van het tijdsverloop. Tevens zou de ook onder 5.26 weergegeven overweging dat het tijdsverloop niet ziet op een rechtens te respecteren belang van de klagers onbegrijpelijk zijn, nu niets in deze procedure ziet op een rechtens te respecteren belang van de klagers. Klagers behartigen het algemene belang dat door het verschoningsrecht gediend wordt. Ook wordt nog opgemerkt dat de feiten waarvan [betrokkene 1] voorlopig van verdacht wordt aan verjaring onderhevig zijn en het algemeen belang dat gediend wordt door het verschoningsrecht over de jaren heen daarom relatief steeds zwaarder gaat wegen ten opzichte van het belang van strafvervolging.
6.18
In het klaagschrift (van klager [klager 1] ) is het beroep op tijdsverloop als volgt verwoord:
“64. Gelet op de tijdstip van overlijden in 2018 en het onderzoek van de IGJ sinds 2021 en de informatie uit dat IGJ-onderzoek waarover het OM reeds beschikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, is er reeds door het enkele verloop van de tijd geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden welke de doorbreking van het verschoningsrecht van [klager 1] nog kunnen rechtvaardigen.”
6.19
De rechtbank heeft overwogen dat het namens de klagers gestelde tijdsverloop verklaarbaar is en dat het Openbaar Ministerie sinds de aangifte door de Inspectie in april 2023 voortvarend heeft gehandeld. Daarnaast overweegt de rechtbank dat dit tijdsverloop niet ziet op enig rechtens te respecteren belang van de klagers. In dit oordeel ligt besloten dat het enkele tijdsverloop niet maakt dat geen sprake meer kan zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden welke doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en vormt een toereikende weerlegging van het gevoerde verweer.
6.20
Resumerend kom ik tot de slotsom dat het oordeel van de rechtbank dat er in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen op het verschoningsrecht niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
6.21
Het middel faalt.
7. Het tweede middel
7.1
Het middel klaagt dat het impliciete oordeel van de rechtbank dat het strikt noodzakelijk c.q. nodig is voor de waarheidsvinding om het gehele dossier, zoals gevorderd, te raadplegen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
7.2
De klachten in het middel komen grotendeels overeen met de bij het eerste middel opgeworpen klachten. Zij stuiten af op hetgeen ik hierboven onder 6. met betrekking tot dit eerste middel heb overwogen en raken niet aan mijn slotsom onder 6.20, inhoudende dat het oordeel van de rechtbank dat er in het onderhavige geval zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die een uitzondering op het verschoningsrecht rechtvaardigen niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
8. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑06‑2024
Vgl. mijn in voetnoot 1 genoemde conclusie onder 4.7.1 en 4.7.2. en HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6088, NJ 2012/537 onder 3.3. In die zaak stond volgens de Hoge Raad het feit dat de moeder ten tijde van het geven van haar toestemming als gevolg van het overlijden van het slachtoffer niet meer zijn wettelijk vertegenwoordiger was niet in de weg aan het aanmerken van die toestemming als een relevante factor voor de beoordeling van de zaak.