Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.5.3.3:14.5.3.3 Bijzondere dwangmiddelen in AWR
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.5.3.3
14.5.3.3 Bijzondere dwangmiddelen in AWR
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492323:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie A.C. ’t Hart, noot onder HR 23 november 1994, NJ 1995, 239, pt. 3.
Zie § 18.5.2.2 hierna.
Vgl. HR 18 februari 2014, RvdW 2014/394 (inzake witwassen, valsheid in geschrift, oplichting en belastingfraude) en Rb. Amsterdam 17 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:905 (inzake criminele organisatie en belastingfraude).
Vakstudie Alg. Deel, aant. 2.2 bij art. 83 AWR.
HR 28 mei 1985, NJ 1985, 822 (m.nt. Van Veen) en HR 17 maart 1987, NJ 1988, 155 (m.nt. Van Veen).
Zie Vakstudie Alg. Deel, aant. 7.1 bij art. 83 AWR.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Terwijl de verdachte in het commune strafrecht in de regel niet hoeft mee te werken, kunnen aanvullende dwangmiddelen die in bijzondere (straf)wetten zoals de Opiumwet, Wwm en de AWR zijn vastgelegd, wel een actieve meewerkplicht van de verdachte oproepen. Dit vanwege de gewichtige belangen die de handhaving van bijzondere wetgeving met zich meebrengt. Dan moet vooral worden gedacht aan (bijzondere) uitleveringsplichten (vgl. art. 551 Sv, art. 18 WED en art. 52 Wwm). Ook andere bijzondere dwangmiddelen kunnen een actieve meewerkplicht van de verdachte oproepen, zoals de vordering ex art. 41, lid 1 Wvw (betreffende de bekendmaking van de identiteit onbekend gebleven bestuurder door de eigenaar van een voertuig waarmee een overtreding is begaan). Deze verplichtingen dragen eraan bij dat de werking van het nemo tenetur-beginsel in het bijzondere strafrecht is teruggedrongen.1
Verbijzondering in het fiscaal strafrecht: inbeslagneming en binnentreden
Voor wat betreft de fiscale strafvordering in afdeling 3 van hoofdstuk IX van de AWR, heeft bijzondere nuancering plaatsgevonden met betrekking tot de inbeslagnemingsbevoegdheid ex art. 96 e.v. Sv, de bevoegdheid van de r-c om de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp te vorderen van degene die redelijkerwijs moet worden vermoed daarvan houder te zijn (art. 105 Sv), en de binnentredingsbevoegdheid (onder meer art. 151 Sv).
Inbeslagneming door FIOD-ambtenaren
Op grond van art. 81 AWR zijn de ambtenaren belast met fiscale opsporing, te allen tijde bevoegd om over gaan tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. Deze inbeslagnemingsbevoegdheid is beperkt tot voorwerpen die ingevolge Sv voor inbeslagneming vatbaar zijn.2 De vordering tot uitlevering van voorwerpen kan aan een ieder worden gericht, waaronder de verdachte zelf.3 Onder inbeslagneming moet op grond van art. 134, lid 1 Sv worden verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering. Het gaat hierbij enkel om het tot zich nemen van voor de hand of na oppervlakkig onderzoek aangetroffen voorwerpen. Zij strekt zich niet uit tot het gericht en stelselmatig zoeken (= doorzoeking; zie dadelijk).
Welke voorwerpen voor inbeslagneming vatbaar zijn, volgt uit art. 94 en 94a Sv. Dit betreft alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in art. 36e Sr) aan te tonen, of welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Omdat fiscale delicten vaak worden gepleegd met documenten, zal de inbeslagneming in fiscale strafzaken zich op deze categorie voorwerpen richten. In de praktijk worden ook wel andere voorwerpen in beslag genomen, zoals wapens, drugs, computers/servers en contant geld. De fiscale strafvordering staat niet op zichzelf. Niet zelden is ten aanzien van ‘fiscaal' verdachten ook sprake van (een verdenking van) commune delicten, zoals witwassen, verduistering, valsheid in geschrift, corruptie en het deelnemen aan een criminele organisatie.4
Binnentreden door FIOD-ambtenaren
De ambtenaren belast met fiscale opsporing, hebben op grond van art. 83 AWR te allen tijde toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun (opsporings)taak nodig is. Terwijl Sv de binnentredingsbevoegdheid aan concrete doelstellingen koppelt (vgl. art. 55 Sv dat de binnentreding ter aanhouding regelt), heeft de bevoegdheid in art. 83 AWR een algemene vorm.5 Het betreden van plaatsen kan echter alleen worden ingezet ten behoeve van de strafvordering. Niet toegestaan is dat dit middel wordt ingezet voor de belastingheffing. Daarvoor biedt art. 50 AWR een (toezichts)bevoegdheid. Niet zonder belang is ook dat met de inwerkingtreding van de Algemene wet op het binnentreden, algemene bepalingen gelden voor in de overige wetten opgenomen binnentredingsbepalingen.
De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen, ofwel het zoekend rondkijken, houdt niet in dat de bevoegdheid bestaat tot doorzoeking ofwel het gericht en stelselmatig zoeken (vgl. art. 96c Sv)6; ook niet in combinatie met de bevoegdheid tot inbeslagneming van art. 81 AWR. Wel heeft de strafkamer van de HR aangegeven dat de combinatie van art. 81 en 83 AWR een bevoegdheid inhoudt tot – in de ‘oude’ terminologie – een beperkte huiszoeking. In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat die bevoegdheid is komen vervallen met de inwerkingtreding van de Wet herziening van het gerechtelijk vooronderzoek.7