NJ 1917, p. 845
Wapenwet.
HR 25-06-1917, ECLI:NL:HR:1917:37
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 juni 1917
- Magistraten
Voorzitter: Mr. A. M. B. Hanlo. Raden: Mrs. A. J. L. Nijpels; H. M. A. Savel-berg; Jhr. Rh. Feith;Dr. L. E. Visser.
- Zaaknummer
[25061917/NJ_1917,_p._845]
- Conclusie
Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Ledeboer.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Wapens en munitie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1917:37, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1917
- Wetingang
(Wapenwet 1890 art. 1.)
Essentie
Wapenwet.
Samenvatting
Om een voorwerp een wapen te doen zijn in den zin der Wapenwet, is niet noodig, dat dit voorwerp zonder eenige verdere handgreep overeenkomstig zijn bestemming kan worden gebruikt.
[Kantonrechter en Rechtbank: De geweerloop en geweerkolf, welke beklaagde droeg, pasten in elkaar en konden binnen eenige oogenblikken in en uit elkaar worden genomen, zoodat die stukken, zooals bekl. die vervoerde — in elke hand een stuk — een wapen (geweer) vormden tot dadelijk gebruik gereed.]
Door de op bekl. gevonden patronen verbeurd te verklaren, is art. 2 der Wapenwet geschonden.
Uitspraak
[p. 845 ►]
J. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.