Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 07-11-2024, nr. C-178/23
ECLI:EU:C:2024:943
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-11-2024
- Magistraten
N. Jääskinen, M. Gavalec, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-178/23
- Roepnaam
ERB New Europe Funding II
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
EU-recht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:943, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑11‑2024
Uitspraak 07‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 7, lid 1 — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechter — Eerste rechtsmiddel dat de consument voor het gerecht van de vestigingsplaats van de handelaar heeft uitgeoefend zonder bijstand van een advocaat en zonder bij de terechtzitting aanwezig te zijn — Tweede rechtsmiddel dat de consument voor de rechter van zijn woonplaats heeft uitgeoefend met bijstand van een advocaat — Gezag van gewijsde — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Effectieve rechterlijke bescherming van de consument
N. Jääskinen, M. Gavalec, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-178/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Specializat Mureş (bijzondere rechter Mureș, Roemenië) bij beslissing van 3 december 2021, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2023, in de procedure
ERB New Europe Funding II
tegen
YI,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen (rapporteur), president van de Negende kamer, waarnemend voor de president van de Achtste kamer, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
ERB New Europe Funding II, vertegenwoordigd door A. M. Lefter, avocată,
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door M. Chicu en E. Gane als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan en N. Ruiz García als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), de drieëntwintigste overweging van die richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ERB New Europe Funding II (hierna: ‘ERB’), een incassobureau, en YI, een consument, over het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen in een kredietovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De drieëntwintigste en de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luiden als volgt:
‘Overwegende dat personen of organisaties die volgens de wetgeving van een lidstaat worden geacht een legitiem belang bij de bescherming van de consument te hebben, in de gelegenheid moeten worden gesteld om tegen met het oog op algemeen gebruik geredigeerde bedingen in overeenkomsten met consumenten, en in het bijzonder oneerlijke bedingen, op te komen, hetzij voor een gerechtelijke, hetzij voor een administratieve instantie, die bevoegd is om over de klacht uitspraak te doen of om de passende gerechtelijke procedures in te stellen; dat zulks evenwel geen voorafgaande toetsing inhoudt van de algemene voorwaarden die in een bepaalde economische sector worden toegepast;
Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten […]’.
4
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Roemeens recht
Wet nr. 193/2000 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten
5
Artikel 1 van Lege nr. 193/2000 privind clauzele abuzive din contractele încheiate între profesioniști și consumatori (wet nr. 193/2000 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten) van 6 november 2000 (opnieuw bekendgemaakt in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 543 van 3 augustus 2012) bepaalt:
- ‘1.
Elke overeenkomst tussen een verkoper en een consument met het oog op de verkoop van goederen of het verrichten van diensten moet duidelijke en ondubbelzinnige contractuele bedingen bevatten die geen specifieke kennis vereisen om te worden begrepen.
- 2.
In geval van twijfel over de uitlegging van contractuele bedingen, moeten deze in het voordeel van de consument worden uitgelegd.
- 3.
Het is verkopers verboden om oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten op te nemen.’
6
Artikel 4, lid 1, van deze wet bepaalt:
‘Een contractueel beding waarover niet rechtstreeks met de consument is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, afzonderlijk of in combinatie met andere bedingen van de overeenkomst, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen, ten nadele van de consument en in strijd met de eisen van de goede trouw, aanzienlijk verstoort.’
7
Artikel 6 van deze wet luidt:
‘Oneerlijke bedingen in de overeenkomst die persoonlijk of via de wettelijk bevoegde instanties zijn vastgesteld, hebben geen gevolgen voor de consument en de overeenkomst wordt, met diens instemming, slechts voortgezet indien dit na schrapping van die bedingen nog mogelijk is.’
Wet nr. 134/2010 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
8
Artikel 431 van Lege nr. 134/2010 privind Codul de procedură civilă (wet nr. 134/2010 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 1 juli 2010 (opnieuw bekendgemaakt in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 247 van 10 april 2015), met als opschrift ‘Gevolgen van het gezag van gewijsde’, bepaalt:
- ‘1.
Niemand mag tweemaal in dezelfde hoedanigheid, op dezelfde rechtsgrond en voor dezelfde feiten worden vervolgd.
- 2.
Elke partij kan zich beroepen op het gezag van gewijsde in een ander geding, indien dit gezag verband houdt met de beslechting van dat geding.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Op 25 juli 2007 heeft YI als consument een kredietovereenkomst gesloten met de kredietinstelling Bancpost S.A. București.
10
Op 10 mei 2018 heeft YI, zonder bijstand van een advocaat, bij de Judecătorie Sectorului 2 București (rechter in eerste aanleg van het 2e arrondissement Boekarest, Roemenië), een rechter van de plaats van vestiging van de verkoper, beroep ingesteld (hierna: ‘eerste gerechtelijke procedure’) teneinde te doen vaststellen dat bepaalde bedingen in die overeenkomst oneerlijk waren. Dit beroep, dat betrekking had op de bedingen van die overeenkomst betreffende de vergoedingen voor de opening en het beheer van de lening, de eenzijdige bevoegdheid van de verkoper om de contractuele rentevoeten, de provisies en de andere lasten van de lening te wijzigen, alsmede de vervroegde aflossingsprovisie, was gericht tegen ERB, een incassobureau waaraan de schuldvordering van die overeenkomst was overgedragen.
11
Bij vonnis van 26 november 2018, waarvan de datum van betekening aan partijen niet bekend is, heeft deze rechter dit beroep ongegrond verklaard (hierna: ‘eerste rechterlijke beslissing’). Aangezien YI geen hoger beroep tegen dit vonnis heeft ingesteld, is dit vonnis onherroepelijk geworden.
12
Op 14 augustus 2019 heeft YI, ditmaal vertegenwoordigd door een advocaat, beroep ingesteld bij de rechter van zijn woonplaats, de Judecătorie Sighișoara (rechter in eerste aanleg Sighișoara, Roemenië) (hierna: ‘tweede gerechtelijke procedure’). Dit beroep was ingesteld tegen dezelfde verwerende partij als die van de eerste gerechtelijke procedure en had grotendeels betrekking op dezelfde contractuele bedingen als die welke in punt 10 van het onderhavige arrest zijn genoemd. Meer in het bijzonder ging het om de contractuele bepalingen betreffende de vergoedingen voor de opening van de lening en het maandelijkse beheer ervan, alsmede die betreffende het jaarlijkse kostenpercentage.
13
Bij vonnis van 5 december 2019 heeft deze rechter dat beroep toegewezen.
14
ERB heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Tribunal Specializat Mureș (bijzondere rechter Mureș, Roemenië), de verwijzende rechter. Bij vonnis van 6 april 2021 heeft deze rechter de grieven van ERB met betrekking tot de beheersvergoeding van de lening toegewezen en tegelijkertijd bevestigd dat de andere in punt 12 van het onderhavige arrest bedoelde contractuele bedingen oneerlijk waren.
15
Aangezien deze rechter zich niet heeft uitgesproken over de kwestie van het gezag van gewijsde van de eerste rechterlijke beslissing, heeft ERB bij die rechter een buitengewoon beroep tot herziening ingesteld. Dit beroep was gebaseerd op een middel dat was ontleend aan het verzuim van de rechter in hoger beroep om de door ERB aangevoerde procedurele exceptie van het gezag van gewijsde te onderzoeken.
16
In het kader van dit buitengewoon beroep heeft de verwijzende rechter twijfels over de wijze waarop de rechten van de consument moeten worden afgewogen tegen het beginsel van het gezag van gewijsde. Volgens de informatie waarover hij beschikt, lijkt het erop dat YI in het kader van de eerste gerechtelijke procedure, waarin hij niet door een advocaat is bijgestaan, niet over de juiste kennis beschikte om zijn uit de consumentenbeschermingsregeling voortvloeiende rechten te doen gelden. Om die reden heeft YI zich tot een rechter van de plaats van vestiging van de verkoper gewend, terwijl hij zich tot de bevoegde rechter van zijn eigen woonplaats kon wenden. De verwijzende rechter merkt voorts op dat de consument niet aanwezig was bij de terechtzitting voor de Judecătorie Sectorului 2 București en dat, zodra hij door een advocaat werd bijgestaan, het oneerlijke karakter van de betrokken contractuele bedingen grotendeels is bevestigd door twee verschillende rechterlijke instanties.
17
In deze omstandigheden heeft de Tribunal Specializat Mureș de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van met name de drieëntwintigste overweging van deze richtlijn en van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat het niet uitsluit dat twijfels over het oneerlijke karakter van bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument door een nationale rechter worden beoordeeld, ook wanneer die twijfels eerder door een andere nationale rechter zijn beoordeeld in het kader van een gerechtelijke procedure in eerste aanleg die is ingeleid door de consument die niet aanwezig was bij de betreffende terechtzitting en niet behoorlijk is bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, en die twijfels zijn afgewezen bij een rechterlijke beslissing waartegen de consument niet is opgekomen — welke beslissing derhalve volgens het nationale procesrecht gezag van gewijsde (res judicata) heeft gekregen — indien het op basis van de bijzonderheden van het geding redelijkerwijs aannemelijk is dat die consument heeft afgezien van het instellen van een rechtsmiddel in het kader van de bovengenoemde procedure in eerste aanleg omdat hij over beperkte kennis of informatie beschikte?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
18
Om te beginnen betoogt ERB in haar schriftelijke opmerkingen dat het noodzakelijk noch opportuun is om het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen, aangezien de vragen van de verwijzende rechter hoofdzakelijk betrekking hebben op de regeling van het gezag van gewijsde in het Roemeense burgerlijk procesrecht en niet in het Unierecht.
19
Voorts merkt de Roemeense regering in haar schriftelijke opmerkingen op, zonder uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, dat uit de verwijzingsbeslissing niet duidelijk blijkt of de in de eerste en de tweede gerechtelijke procedure onderzochte contractuele bedingen identiek zijn. Indien deze bedingen verschillend blijken te zijn, zou het beginsel van het gezag van gewijsde in casu niet van toepassing zijn.
20
Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen, waarbij voor deze vragen een vermoeden van relevantie geldt. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een regel van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden, tenzij de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vraag (arrest van 27 april 2023, AxFina Hungary, C-705/21, EU:C:2023:352, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Tevens is het vaste rechtspraak dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich over de uitlegging of de rechtsgeldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken op basis van de door de nationale rechterlijke instantie omschreven feiten (arrest van 27 april 2023, AxFina Hungary, C-705/21, EU:C:2023:352, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Wat de argumenten van ERB betreft, volstaat het op te merken dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag het Hof, overeenkomstig de vereisten die zijn gesteld in de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, verzoekt om richtlijn 93/13 en het doeltreffendheidsbeginsel uit te leggen. Bovendien blijkt duidelijk uit de informatie in de verwijzingsbeslissing dat deze vraag over de uitlegging van het Unierecht nuttig is voor de verwijzende rechter om te kunnen bepalen of in omstandigheden als die van het hoofdgeding op grond van richtlijn 93/13 mag worden afgeweken van het beginsel van het gezag van gewijsde.
23
Wat de twijfels van de Roemeense regering over de toepasselijkheid van het beginsel van het gezag van gewijsde in het hoofdgeding betreft, moet worden opgemerkt dat het overeenkomstig de in punt 21 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak uiteindelijk uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen of en in hoeverre de contractuele bedingen die in het kader van de eerste en de tweede gerechtelijke procedure zijn onderzocht, identiek zijn.
24
Aangezien de toetsing van de ontvankelijkheid van verzoeken om een prejudiciële beslissing beperkt is tot de kennelijke niet-naleving van de in punt 20 van het onderhavige arrest genoemde vereisten en uit het dossier waarover het Hof beschikt niet duidelijk blijkt dat deze vereisten in casu niet zijn nageleefd, kan uit het feit dat de in het kader van die twee procedures onderzochte contractuele bedingen mogelijkerwijs niet volledig identiek zijn, niet worden afgeleid dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
25
Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.
Ten gronde
26
Volgens vaste rechtspraak dient het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 30 mei 2024, Raiffeisen Bank, C-176/23, EU:C:2024:443, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (arrest van 30 mei 2024, Raiffeisen Bank, C-176/23, EU:C:2024:443, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich hoofdzakelijk afvraagt of het concrete verloop van de eerste gerechtelijke procedure in overeenstemming is met richtlijn 93/13 en hij zich dientengevolge afvraagt of, gelet op de wijze waarop deze procedure is verlopen, een andere nationale rechter, ondanks het gezag van gewijsde van de eerste rechterlijke beslissing, later kan onderzoeken of de contractuele bedingen waarop die beslissing betrekking heeft mogelijk oneerlijk zijn. Wat deze eerste procedure betreft, wijst de verwijzende rechter er met name op dat de consument de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper heeft gekozen om zijn beroep in te stellen, dat hij tijdens die procedure niet door een advocaat is bijgestaan, dat hij niet aanwezig was bij de terechtzitting en dat hij tegen de eerste rechterlijke beslissing niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
29
Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn enige vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, het doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter verplicht is om na te gaan of bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn wanneer die bedingen reeds zijn onderzocht door een andere nationale rechter wiens beslissing gezag van gewijsde heeft indien de consument voor deze eerste rechter niet is bijgestaan door een advocaat, hij niet aanwezig was bij de terechtzitting en geen gebruik heeft gemaakt van een hem ter beschikking staand rechtsmiddel omdat hij over beperkte kennis of informatie beschikte.
30
Vooraf zij in herinnering gebracht dat, gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de consumentenbescherming berust, richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan verplicht om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien ‘om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers’ [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31
In dit verband moet worden opgemerkt dat het Unierecht volgens de rechtspraak van het Hof de procedures voor de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding niet harmoniseert en dat deze procedures krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten bijgevolg een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten zijn, op voorwaarde evenwel dat zij voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32
In dit verband heeft het Hof reeds gewezen op het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het namelijk van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor het instellen van deze beroepen vastgestelde termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33
Derhalve gebiedt het recht van de Unie een nationale rechter niet om nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34
Bij het onderzoek of de uit het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeiende vereisten in acht zijn genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken voorschriften in de gehele procedure, met het verloop van de procedure en met de bijzondere kenmerken van deze voorschriften voor de verschillende nationale instanties [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35
Wanneer de toepasselijke nationale procedureregels voorzien in de mogelijkheid voor de nationale rechter om onder bepaalde voorwaarden terug te komen op een in gezag van gewijsde gegane beslissing om een situatie met het nationale recht verenigbaar te maken, moet die mogelijkheid, gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, derhalve ook bestaan — mits aan die voorwaarden is voldaan — om de betrokken situatie weer in overeenstemming te brengen met het recht van de Unie [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36
Wat meer in het bijzonder de vereisten betreft die voortvloeien uit het doeltreffendheidsbeginsel — het enige beginsel dat in de prejudiciële vraag aan de orde is — moet worden benadrukt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name voor de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten, een vereiste van effectieve rechterlijke bescherming impliceert, dat is bevestigd in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dit vereiste geldt in het bijzonder voor procedureregels voor rechtsvorderingen die zijn gebaseerd op rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37
In casu hebben de twijfels van de verwijzende rechter hoofdzakelijk betrekking op de verenigbaarheid met richtlijn 93/13 van het concrete verloop van de eerste gerechtelijke procedure en niet van de relevante nationale regeling. Niets in de verwijzingsbeslissing wijst er immers op dat de toepasselijke nationale regeling, die bepaalt op welke wijze het beginsel van het gezag van gewijsde ten uitvoer wordt gelegd in het kader van door consumenten ingestelde beroepen tot vaststelling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen, niet in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel op grond dat die regeling de toepassing van de door richtlijn 93/13 aan de consument verleende bescherming onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken of om een andere reden afbreuk zou doen aan de nuttige werking van richtlijn 93/13, hetgeen de verwijzende rechter niettemin dient na te gaan.
38
In dit verband moet worden opgemerkt dat de plicht van de nationale rechter tot ambtshalve toetsing of contractuele bedingen mogelijk oneerlijk zijn, wordt gerechtvaardigd door de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verschafte bescherming berust, zodat een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen, zoals vereist door richtlijn 93/13, niet kan worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 50).
39
Daarentegen moet worden geoordeeld dat deze bescherming wordt gewaarborgd indien de verwijzende rechter in het hoofdgeding tot de vaststelling komt dat de bevoegde rechter in de loop van de eerste gerechtelijke procedure de toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken overeenkomst heeft verricht en dat die toetsing — die minstens summier is gemotiveerd — geen oneerlijke bedingen aan het licht heeft gebracht en de consument naar behoren ervan in kennis is gesteld dat hij zich later niet meer zal kunnen beroepen op het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen indien hij niet binnen de in het nationale recht gestelde termijn hoger beroep instelt (zie naar analogie arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 51).
40
De ongunstige uitkomst van een effectieve toetsing van het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen kan op zich namelijk geen factor vormen die afbreuk kan doen aan het beginsel van het gezag van gewijsde.
41
Evenzo betekenen de in punt 28 van het onderhavige arrest bedoelde omstandigheden niet noodzakelijkerwijs dat de eerste gerechtelijke procedure geen passende toetsing van de beweerdelijk oneerlijke contractuele bedingen kon waarborgen en bijgevolg de consument geen effectieve rechterlijke bescherming kon bieden zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan. In het bijzonder moet deze rechter nagaan of de eerste rechterlijke beslissing naar behoren aan de consument is betekend met vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij beschikte en of er geen andere bijzondere redenen in verband met het verloop van die procedure zijn, zoals het ontbreken van een motivering van die beslissing, die de consument hadden kunnen beletten of hem ervan hadden kunnen weerhouden zijn procedurele rechten naar behoren uit te oefenen.
42
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, het doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het een nationale rechter niet verplicht om na te gaan of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument mogelijk oneerlijk zijn wanneer die bedingen reeds zijn onderzocht door een andere nationale rechter wiens beslissing gezag van gewijsde heeft, ook al is de consument voor deze eerste rechter niet bijgestaan door een advocaat, was hij niet aanwezig bij de terechtzitting en heeft hij geen gebruik gemaakt van een hem ter beschikking staand rechtsmiddel, voor zover die beslissing naar behoren aan de consument is betekend met vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij beschikte en er geen andere bijzondere redenen in verband met het verloop van die procedure zijn, zoals het ontbreken van een motivering van die beslissing, die de consument hadden kunnen beletten of hem ervan hadden kunnen weerhouden zijn procedurele rechten naar behoren uit te oefenen.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEGvan de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, het doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het een nationale rechter niet verplicht om na te gaan of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument mogelijk oneerlijk zijn wanneer die bedingen reeds zijn onderzocht door een andere nationale rechter wiens beslissing gezag van gewijsde heeft, ook al is de consument voor deze eerste rechter niet bijgestaan door een advocaat, was hij niet aanwezig bij de terechtzitting en heeft hij geen gebruik gemaakt van een hem ter beschikking staand rechtsmiddel, voor zover die beslissing naar behoren aan de consument is betekend met vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij beschikte en er geen andere bijzondere redenen in verband met het verloop van die procedure zijn, zoals het ontbreken van een motivering van die beslissing, die de consument hadden kunnen beletten of hem ervan hadden kunnen weerhouden zijn procedurele rechten naar behoren uit te oefenen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑11‑2024