De cassatiedagvaarding vermeldt drie voorletters in de naam van de eiseres tot cassatie; maar in eerdere stukken (ook van haar eigen kant) en in de in cassatie bestreden beslissing van het hof wordt de eiseres tot cassatie aangeduid zoals ik dat hier — daarom — ook heb gedaan.
HR, 19-03-2010, nr. 09/00427
ECLI:NL:HR:2010:BL2237
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
19-03-2010
- Zaaknummer
09/00427
- Conclusie
Mr. Huydecoper
- LJN
BL2237
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL2237, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 19‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL2237
ECLI:NL:PHR:2010:BL2237, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑01‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL2237
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑03‑2010
Inhoudsindicatie
Huurecht; huurachterstand; ontbinding huurovereenkomst. (81 RO)
19 maart 2010
Eerste Kamer
09/00427
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
HABRO B.V.,
gevestigd te Bolsward,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Habro.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
1. het vonnis in de zaak CV 06/5792 van de kantonrechter te Amsterdam van 7 juni 2007,
2. het arrest in de zaak 106.007.376/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 7 augustus 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Habro is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Habro begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 maart 2010.
Conclusie 29‑01‑2010
Mr. Huydecoper
Partij(en)
Conclusie inzake
[Eiseres]1.
eiseres tot cassatie
tegen
Habro B.V.
verweerster in cassatie
1.
Het gaat in deze zaak vooral om de vraag of de verweerster in cassatie, Habro, met recht aanspraak maakt op ontbinding van de huurovereenkomst van partijen (en op andere sancties) wegens een ten laste van de eiseres tot cassatie, [eiseres], ontstane huurachterstand. Ik meen dat het cassatieberoep ongegrond is; en ik meen dat het cassatiebroep geen kwesties aan de orde stelt die met het oog op rechtseenheid of rechtsontwikkeling door de Hoge Raad (gemotiveerd) beoordeeld verdienen te worden. Daarom denk ik dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
2.
Ik lees in het cassatiemiddel de vijf — of misschien zes — klachten die ik hieronder zal bespreken.
De eerste klacht, in alinea 1.4 (herhaald in alinea 1.10), houdt in dat het hof ten onrechte de betwisting, door [eiseres], van de gestelde huurachterstand als onvoldoende onderbouwd van de hand heeft gewezen.
Deze klacht stuit erop af dat de (kanton)rechter in de eerste aanleg de (drie) argumenten waarmee [eiseres] de hoogte van de huurachterstand had betwist, had onderzocht en gemotiveerd verworpen (in rov. 9, 10 en 11 van diens eindvonnis); en dat in (alinea 1 van) de Memorie van Grieven is volstaan met de enkele mededeling dat de in het vonnis van de kantonrechter vastgestelde feiten, zoals de hoogte van de huurachterstand, werden betwist.
3.
Vooropgesteld dat de uitleg van partijstellingen is voorbehouden aan de rechters van de feitelijke instanties en dat, in het verlengde daarvan, ook de beoordeling of partijstellingen aan de stelplicht beantwoorden vooral in de feitelijke instanties ‘thuis hoort’, dringt zich op dat een betwisting zoals ik die in de vorige alinea weergaf, niet als voldoende kan worden beoordeeld2..
4.
De tweede klacht lees ik in de alinea's 1.6 – 1.8. Daar wordt geklaagd dat het hof niet adequaat zou hebben gerespondeerd op de stelling van [eiseres], dat Habro haar verplichtingen jegens [eiseres] in verschillende opzichten niet was nagekomen.
Op deze stelling heeft het hof echter wel gerespondeerd. Het heeft in rov. 2.8 opgemerkt dat [eiseres] heeft verzuimd aan te geven welke gevolgen aan de desbetreffende stellingen/tekortkomingen verbonden zouden moeten worden. Die vaststelling wordt op zichzelf niet bestreden (en kennisneming van de stukken leert dat die vaststelling zéér juist is).
5.
Het enkele feit dat Habro in bepaalde opzichten verplichtingen jegens [eiseres] zou hebben geschonden levert op zichzelf geen begrijpelijke rechtvaardiging op voor het laten ontstaan en voortduren van een — aanmerkelijke — huurachterstand. Dat zou anders kunnen zijn wanneer het zou gaan om tekortkomingen waarop een valabel opschortingsrecht kan worden gebaseerd, of om schadeoorzaken die een beroep op een voor verrekening vatbare tegenvordering zouden kunnen onderbouwen — maar stellingen van een dergelijke strekking zijn, zoals het hof met recht heeft vastgesteld, niet aangevoerd (en daar wordt in cassatie dan ook niet naar verwezen).
6.
Alinea 1.8 van het middel suggereert dat het hof niet anders kon, dan deze stellingen opvatten als een beroep op verminderd huurgenot. Die mogelijkheid heeft het hof echter — ten overvloede — apart onder ogen gezien. Daarop ziet de slotzin van rov. 2.8: doordat de huurprijs door tussenkomst van de Huurcommissie (aanzienlijk) was verminderd, is aan mogelijke aantasting van [eiseres]'s huurgenot in verband met tekortkomingen van Habro in aanmerkelijke mate tegemoetgekomen.
Bij die stand van zaken behoefde het nadere onderbouwing, wanneer men nog andere consequenties aan de gesuggereerde aantasting van het huurgenot zou willen verbinden.
Daarom mist ook deze (deel)klacht goede grond.
7.
Een derde klacht valt — bij welwillende lezing — op te maken uit alinea 1.9 van het middel. Deze klacht strekt ertoe dat te gemakkelijk voorbij zou zijn gegaan aan aanspraken van [eiseres] op (daar komt het op neer) enig uitstel om alsnog aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
Om te beginnen neemt deze klacht tot uitgangspunt dat de eerdere klachten gegrond zijn (en dat dat aan de gegrondheid van de onderhavige klacht bijdraagt). Dat is dus niet zo.
En vervolgens: het hof heeft volkomen terecht overwogen dat het ter discretionaire beoordeling van de rechter staat of hij mogelijkheden voor het ‘inlopen’ van betalingsachterstanden wil bieden; en dat ook bij afwezigheid van betalingsonwil, er niet zonder meer aanspraak op welwillendheid in dit opzicht kan worden gemaakt.
8.
Ik merk nog op dat de welwillende benadering die hier in het middel min of meer als een recht wordt gepresenteerd, natuurlijk niets van dien aard is. Het gaat hier om een beperkte ruimte die de rechter kan benutten om in bijzondere gevallen waarin het in volle omvang sanctioneren van een betalingsachterstand als excessief kan worden beoordeeld, aan deze bijzonderheid van het gegeven geval tegemoet te komen. Of de rechter van de hier bedoelde mogelijkheden gebruik wil maken moet worden beoordeeld aan de hand van waardering van de veelheid aan omstandigheden die in gevallen als deze om aandacht vragen. Een dergelijke beoordeling kan (daarom) in cassatie niet plaatsvinden.
Het hof heeft klaarblijkelijk in de in deze zaak geldende omstandigheden onvoldoende grond voor het benutten van deze mogelijkheid gezien. Dat valt alleszins te begrijpen, en dat komt (dus) niet voor herbeoordeling in cassatie in aanmerking.
9.
Een volgende klacht staat in alinea 1.11. Deze klacht houdt in dat ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met het feit dat [eiseres]'s verwijten over de prestaties van Habro al van aanmerkelijk eerder zouden dateren dan het moment (in november 2004) waarop de Huurcommissie vermindering van de huurprijs vaststelde.
Deze klacht faalt om een veelheid van redenen. Zo wordt niet aangegeven waar gesteld zou zijn dat [eiseres]'s klachten al van 2002 dateren (en ik heb geen plaatsen aangetroffen waar dat gesteld wordt3.). Verder wordt niet bestreden de vaststelling van het hof (in rov. 2.1 onder (ii)) dat [eiseres] Habro bij brief van oktober 2004 van haar klachten in kennis heeft gesteld. Kennisgeving (aan de verhuurder) van de klachten waarop men als huuerder aanspraken op huurvermindering, opschorting of schadevergoeding wil baseren is gewoonlijk noodzakelijk om die pretenties geldend te kunnen maken. Het zou dus aanmerkelijke nadere toelichting behoeven — die ontbreekt — waarom [eiseres] aan vóór de kennisgeving van oktober 2004 ingetreden tekortkomingen rechten zou kunnen ontlenen die voor de huurvordering van Habro relevant kunnen zijn.
Ik laat het daarbij.
10.
Waarom, zoals in alinea 1.12 wordt betoogd, het van belang zou zijn dat [eiseres] een door Habro aangebrachte deur heeft vernield nadat die onrechtmatig door Habro was aangebracht, ontgaat mij. Dit maakt het voor de beoordelaar tot op zekere hoogte begrijpelijk waarom [eiseres] heeft gehandeld zoals is vastgesteld (namelijk: dat zij aan de deur in kwestie vernielingen heeft aangebracht); maar het kan aan het aan [eiseres] verweten gedrag het onrechtmatige karakter niet ontnemen. Dat is, vermoed ik, wat de klacht wél aanvaard zou willen zien — mocht de klacht (nog) iets anders op het oog hebben, dan heb ik niet kunnen begrijpen wat dat is.
11.
Alinea's 1.13 – 1.15 bevatten vertogen die ertoe strekken dat in het verband van de zaak in conventie aangevoerde stellingen ook bij de beoordeling van de zaak in reconventie in aanmerking hadden moeten worden genomen.
Er wordt echter niet aangegeven welke stellingen voor de reconventie van belang zouden kunnen zijn (en ten onrechte niet in de beoordeling zijn betrokken). Wat mij betreft geldt, dat het hof alle in appel aangevoerde stellingen gewetensvol heeft onderzocht, en op steekhoudende gronden heeft verworpen; en geldt ook dat ik lezing van die stellingen in die zin, dat zij geen specifieke klachten inhielden die voor de zaak in reconventie van betekenis konden zijn, heel goed kan begrijpen. Daarop stuiten deze klachten alle af.
12.
Mogelijk bedoelen deze klachten (mede) een beroep te doen op het leerstuk dat aangeduid pleegt te worden als ‘de devolutieve werking van het hoger beroep’; maar nog afgezien daarvan dat ook hier geldt, dat niet wordt aangegeven wélke stellingen dan ten onrechte in appel niet aan bod zouden zijn gekomen: dit leerstuk doet alleen opgeld wanneer, door gegrondbevinding van een of meer grieven, de appelrechter voor de taak komt te staan om opnieuw te beoordelen of de in geding zijnde vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen4.. In deze zaak heeft het hof geen grieven gegrond bevonden, en doet deze situatie zich dus niet voor.
Conclusie
Ik meen dat dit cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO zou moeten worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑01‑2010
Dat is ook het geval als men de hier bedoelde stelling toetst aan de eisen die in de rechtspraak worden gesteld aan tegen een in eerdere aanleg gegeven beslissing ingebrachte ‘grieven’; zie bijvoorbeeld HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21, rov. 4.2.1 – 4.2.4, verwijzend naar HR 3 februari 2006, NJ 2006, 120, rov. 4.3 (waar weer wordt verwezen naar HR 5 december 2003, NJ 2004, 76, rov. 4.3).
[Eiseres] heeft, integendeel, aanvankelijk betoogd dat zij pas vanaf maart 2003 de beschikking over het gehuurde kreeg; wat met het ervaren van klachten in het voorafgaande jaar slecht te verenigen is.
Zie voor gegevens Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2009, nr. 219; Ras — Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 61.