Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.4.2
11.3.4.2 Consolidatiecriteria
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367602:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/819-822.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/820.
In de Memorie van Toelichting is hierover opgemerkt dat “[i]ndien andere aandeelhouders krachtens stemovereenkomst hun steminstructie volgen, tellen deze stemrechten mee bij de instruerende aandeelhouder”, zie Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 3, p. 10.
Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/256 en Dorresteijn, Rechtspersonen (Groene Serie), art. 2:24a BW, aant. 5.
Op grond van de richtlijn en de wet moet hierbij ook rekening worden gehouden met contractuele voordrachtsrechten, zie Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 5, p. 4.
Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 4, p. 3-4 en Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 5, p. 4. Als dat wel zo is, dus wel. Vgl. Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/257.
Idem Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/821.
Zie nader Dorresteijn, Rechtspersonen (Groene Serie), art. 2:24a BW, aant. 8.
Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/258.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/822.
Art. 2:24a BW onderscheidt – impliciet – drie typen van dochtermaatschappijen. Ik volg hier de in de literatuur gebruikelijke indeling.1
I. Dochtermaatschappij type 1
Art. 2:24a lid 1 BW bepaalt in de eerste plaats dat dochtermaatschappij van een rechtspersoon is:
“a. een rechtspersoon waarin de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering kunnen uitoefenen;”
Niet van belang is krachtens welke titel het stemrecht kan worden uitgeoefend; dit kan bijvoorbeeld op grond van een onherroepelijke volmacht2 of een stemovereenkomst3 zijn. Een belangrijk verschil met het groepsbegrip van art. 2:24b BW is dat voor het zijn van dochtermaatschappij niet is vereist dat er daadwerkelijk zeggenschap wordt uitgeoefend. In zoverre is hier sprake van een abstracte toets. Indien rechtspersoon A de hier bedoelde rechten of bevoegdheden kan uitoefenen in rechtspersoon B en B kan dat op zijn beurt in rechtspersoon C, dan is zowel B als C een dochtermaatschappij van A.4
II. Dochtermaatschappij type 2
Art. 2:24a lid 1 BW bepaalt in de tweede plaats dat dochtermaatschappij van een rechtspersoon is:
“b. een rechtspersoon waarvan de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen lid of aandeelhouder zijn en, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen kunnen benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen.”
Indien een – statutair dan wel contractueel5 – recht van bindende voordracht niet gepaard gaat met een zo groot bezit aan aandelen dat degene die de bindende voordracht doet altijd kan beletten dat de voordracht wordt doorbroken, staat het recht van bindende voordracht niet gelijk met het benoemingsrecht.6 Verder lijkt het tweede type sterk op het eerste: ook ten aanzien van dit type dochtermaatschappij geldt dat anders dan bij het groepsbegrip van art. 2:24b BW voor het zijn van dochtermaatschappij niet is vereist dat er daadwerkelijk zeggenschap wordt uitgeoefend en wordt rekening gehouden met indirecte zeggenschap (zie sub I). Enkel ten aanzien van het tweede type dochtermaatschappij geldt7, dat een toevallige meerderheid wegens afwezigheid van anderen geen doorslaggevende maatstaf is; dat volgt uit de zinsnede “ook indien alle stemgerechtigden stemmen”.8
III. Dochtermaatschappij type 3
Een bijzonder geval is het derde type dochtermaatschappij omdat daarin anders dan bij de eerste twee geen zeggenschapscriteria worden geformuleerd.9 In plaats daarvan bepaalt art. 2:24a lid 2 BW:
“Met een dochtermaatschappij wordt gelijk gesteld een onder eigen naam optredende vennootschap waarin de rechtspersoon of een of meer dochtermaatschappijen als vennoot volledig jegens de schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.”
Met de in deze bepaling aangeduide vennootschap is bedoeld de vof, de cv en vergelijkbare buitenlandse rechtsfiguren ook al hebben deze rechtspersoonlijkheid.10 Aangenomen wordt dat een rechtspersoon of diens dochtermaatschappij niet als aansprakelijke vennoot zal toetreden zonder de bevoegdheid om belangrijke riskante beleidswijzigingen te kunnen tegenhouden, zo hij daarover al niet de zeggenschap krijgt.11