Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.3.3
4.3.3 Vrijheid bij vaststelling van het doel; uitleg van het doel
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386127:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
België kent “stichtingen van openbaar nut” en “private stichtingen”. Private stichtingen en stichtingen van openbaar nut wordt opgericht bij notariële akte. De private stichting verkrijgt rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat haar statuten en de akten betreffende de benoeming van de bestuurders worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel (artikel 29 van de verenigingen- en stichtingenwet in België, V&S Wet). De stichting van openbaar nut verkrijgt rechtspersoonlijkheid op de datum van het koninklijk besluit waarbij zij wordt erkend (artikel 29 lid 2 V&S Wet). De statuten van een stichting van openbaar nut worden meegedeeld aan de Minister van Justitie met het verzoek rechtspersoonlijkheid te verlenen en de statuten goed te keuren. De Minister verleent rechtspersoonlijkheid indien het doel van de stichting voldoet aan de voorwaarden van artikel 27 lid 4 V&S Wet. De wettelijke doelen van de stichting van openbaar nut zijn doelen van filantropische, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische, levensbeschouwelijke/filosofische en culturele aard. V&S Wet, M.B. 11 december 2002 en Rapport Stichtingen in België 2017, p. 7.
Hetzelfde kan worden verlangd door een overheidsinstantie die subsidie verleent.
Feith 1925, p. 14.
HR 11 december 1914, NJ 1915, 238 (Fonds Jan de Koning).
HR 9 januari 1925, 327, NJ 1925, 327 (Papefonds). Zie hierover Feith 1925, p. 19 en 20. Scholten meende dat de Hoge Raad hierin te ver ging (Asser/Scholten & Bregstein 1-II 1954, p. 200).
De Hoge Raad overweegt: “dat de in dier voege aan het vermogen gegeven bestemming wel is waar eene wijd omgrensde, maar niettemin duidelijk bepaalde is; dat de daarbij aan de bestuurders gegeven bevoegdheid om in ieder bijzonder geval te beoordelen of er aan geldelijken steun behoefte bestaat en, of deze nuttig is en dus binnen den kring valt der aan het vermogen gegeven bestemming, geenszins aan het doel zijne bepaaldheid ontneemt, doch integendeel aan de bestuurders den plicht oplegt om met de grenzen aan de bestemming van het vermogen gesteld, nauwkeurig rekening te houden” (HR 9 januari 1925, 327, NJ 1925, 327 (Papefonds)).
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex), HR 17 en 24 september 1993, NJ 1994/173 en 174 (CAO-norm), HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (DSM/Fox) en Rechtbank Amsterdam (vzr.) 29 augustus 2014, JOR 2014/294 (NRC Media). Zie ook Zaman & Kruisinga 2014, p. 187.
Rechtbank Arnhem 10 december 2008, JOR 2009/34 (Gelredome) met noot Schmieman.
Zaman & Kruisinga 2014, p. 187.
In de MvT bij de WS 1956 is te lezen over doelwijziging door de rechter: “De wil van de stichter bij de oprichting is, zoals hierboven gezegd, de rechter voor zijn beslissing als richtsnoer gegeven, d.w.z. de rechter heeft rekening te houden met die wil, getransponeerd naar de huidige omstandigheden.” (Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 3, p. 9-10).
De oprichter stelt bij oprichting van de stichting de doelstelling vast, waarnaar de door hem ingestelde organisatie van de stichting (het bestuur en eventueel de raad van toezicht) zich moet richten. De doelstelling dient opgenomen te worden in de statuten die notarieel worden vastgelegd (artikel 2:286 lid 4 BW). Oprichters hebben veel ruimte bij het vaststellen van het stichtingsdoel: de wet bepaalt als gezegd slechts dat het doel niet mag inhouden het doen van verboden uitkeringen en dat de werkzaamheden van de stichting niet in strijd mogen zijn met de openbare orde.
Geen overheidsbemoeienis
De overheid heeft geen enkele bemoeienis met het doel. Anders dan in andere landen, zoals België, schrijft de wet niet voor dat de overheid de statuten, waaronder het statutaire doel, moet goedkeuren.1 Wel wordt van stichtingen die fiscale faciliteiten willen genieten (algemeen nut beogende instellingen) verlangd dat de statuten aan de Belastingdienst worden overgelegd, maar dit is voor geen enkele Nederlandse stichting een constitutief vereiste.2
Het doel moet voldoende duidelijk zijn
In de praktijk kan – van oudsher – worden volstaan met een algemene, vage doelomschrijving. Een algemene doelomschrijving geeft het bestuur meer vrijheid dan een specifiek omschreven doel. Het doel kan concreet of ruim omschreven zijn, zolang het doel maar duidelijk is, dat wil zeggen: niet voor verschillende interpretatie vatbaar. Feith schrijft hierover in 1925:
“Over de vraag, welk doel wordt nagestreefd, mag dus geen verschil van gevoelen mogelijk zijn, al zal bij de omschrijving daarvan aan den stichter natuurlijk de noodige vrijheid gelaten moeten worden.”3
De Hoge Raad achtte in het arrest Fonds Jan de Koning in 1914 respectievelijk het Papefonds-arrest in 1925 toelaatbaar de volgende doelomschrijvingen: “het aanwenden der rente van het kapitaal voor uitkeeringen aan liefdadige doeleinden, geheel ter beoordeling van de bestuurders”4 en “het verleenen van financieelen steun daar, waar zulks naar het oordeel van het bestuur doelmatig zal zijn”.5 De Hoge Raad oordeelde in het Papefonds-arrest dat sprake was van een aanduiding van een “weliswaar wijd omgrensde, maar niettemin duidelijk bepaalde bestemming”.6
Objectieve uitleg van het statutaire doel
Het statutaire stichtingsdoel dient naar mijn mening, net als andere bepalingen uit de statuten die van belang zijn voor derden, in beginsel objectief uitgelegd te worden. De objectieve uitleg van statutaire bepalingen volgt uit rechtspraak.7 De subjectieve bedoeling van de oprichter speelt slechts een geringe rol. Aangezien derden niet op de hoogte zijn van de bedoeling van de oprichter, zijn die bedoelingen in beginsel niet relevant. De Rechtbank Arnhem oordeelde in 2008 dat waar de letter van de stichtingsstatuten duidelijk is, voor een andersluidende uitleg geen ruimte bestaat. “Een dergelijke uitleg verdraagt zich immers niet met het karakter van de statuten van een stichting. Deze gelden binnen de stichting als haar grondregels, terwijl de wetgever, anders dan bij rechtspersonen die een algemene vergadering kennen, het van die statuten zelf laat afhangen of zij gewijzigd kunnen worden en, zo ja, hoe (artikel 2:293 BW).”8
Wanneer de taalkundige uitleg van het doel echter niet eenduidig is, kan uitleg conform de bedoeling van de oprichter gewenst zijn. Ik ben met Zaman en Kruisinga9 eens dat het bestuur veelal het aangewezen orgaan zal zijn om tot een uitleg te komen. Bij die uitleg zal het bestuur uit moeten gaan van het belang van de stichting, waarbij ook rekening gehouden dient te worden met diverse betrokken belanghebbenden, waaronder het belang van de oprichter zelf.
Wil van de oprichter
De wil van de oprichter, zoals deze tot uitdrukking komt in de statuten, blijft dus na oprichting in beginsel doorwerken. Zeker als één of meer artikelen uit de statuten, waaronder het doel, niet gewijzigd kunnen worden, blijft deze wil zichtbaar. Vaak laat de oprichter doelwijziging echter wel toe. Bovendien kan, indien de oprichter de mogelijkheid van doelwijziging niet biedt, de rechter onder de in de wet opgenomen voorwaarden overgaan tot wijziging van het doel (waarover meer in paragraaf 4.4.3). Overigens dient de rechter, die wordt verzocht om het doel te wijzigen, blijkens de parlementaire geschiedenis bij de WS 1956 wel rekening te houden met de wil van de stichter, maar deze wil dient te worden “getransponeerd naar de huidige omstandigheden”.10 In de hierna volgende paragraaf wordt doelwijziging en de rol van de stichter daarbij nader uitgewerkt.
Statutaire doelomschrijving
De doelomschrijving van de stichting wordt, als gezegd, voor het eerst vastgelegd in de statuten bij de oprichting van de stichting. Het doel van de stichting blijkt mijns inziens niet alleen uit de (hoofd)doelomschrijving in de statuten, maar kan ook volgen uit andere onderdelen van de statuten. Zo kan bijvoorbeeld de statutaire naam relevant zijn aangezien uit (een onderdeel van) de benaming, zoals “stichting administratiekantoor”, “stichting zorgverlening” of “stichting gemeentelijk museum”, mede kan volgen wat het doel van de stichting is. De formele doelomschrijving kan ook ondersteund worden door subdoelstellingen (“de stichting tracht haar doel te bereiken door …”) die onderdeel uitmaken van het stichtingsdoel.