Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/2.4.1:2.4.1 Inleiding
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/2.4.1
2.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183503:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 21 februari 1973, C-6/72, Jur. 1973, p. 215, ro 25 (Continental Can)
Vgl. artikel 24 Mw.
Zie paragraaf 2.3.1.1 en 2.3.1.3 van dit hoofdstuk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In artikel 102 van het Werkingsverdrag is het verbod op misbruik van een machtspositie opgenomen. In tegenstelling tot het hiervoor besproken kartelverbod dat ziet op samenwerking tussen concurrenten, richt het verbod op misbruik van een machtspositie zich juist op het eenzijdige marktgedrag van ondernemingen. Beide verboden hebben wel een gemeenschappelijk doel: de bescherming van de concurrentie op de markt.1 De tekst van artikel 102 van het Werkingsverdrag luidt als volgt:
‘Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voorzover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan.
Dit misbruik kan met name bestaan in:
het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
het beperken van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling ten nadele van de gebruikers;
het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.’2
In het artikel ligt een aantal vereisten besloten waaraan moet zijn voldaan, wil er sprake zijn van verbod op misbruik van een machtspositie. Het gaat om de volgende vier voorwaarden:
een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten;
een gedraging van een of meer ondernemingen;
een machtspositie;
misbruik.
De eerste twee vereisten, de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten en een gedraging van een of meer ondernemingen, heb ik reeds besproken bij de behandeling van het kartelverbod en laat ik daarom hier verder rusten.3 Hieronder zullen het derde en vierde vereiste worden besproken. Eerst behandel ik de afbakening van de relevante markt waarop een onderneming een machtspositie kan innemen. Hoewel uit de bespreking in par. 2.3 bleek dat de afbakening van de relevante markt ook van belang is bij een beoordeling onder het kartelverbod, is er naar de opzet van dit hoofdstuk voor gekozen om de marktafbakening te plaatsen bij het verbod op misbruik van een machtspositie. De reden daarvoor is dat (het leerstuk van) de marktafbakening onontbeerlijk is voor het vaststellen van een machtspositie van een onderneming en daar het meest prominent een rol bij speelt. Dat neemt niet weg dat ook bij de toepassing van het kartelverbod de marktafbakening een belangrijk onderdeel is, vooral bij de vraag of een kartelafspraak gelet op de marktmacht van de betrokken ondernemingen de mededinging op de relevante markt merkbaar beperkt.