ECLI:NL:GHSHE:2023:1366 (parketnummer 20-000440-18).
HR, 02-09-2025, nr. 23/01818
ECLI:NL:HR:2025:1215
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-09-2025
- Zaaknummer
23/01818
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1215, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1366
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:545
ECLI:NL:PHR:2025:545, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1215
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en/of MDMA, art. 10a.1.2 en 10a.1.3 Opiumwet. 1. Innerlijke tegenstrijdigheid bewijsvoering en bewezenverklaring. 2. Meerdaadse samenloop a.b.i. art. 57 Sr. Kon hof oordelen dat bewezenverklaarde gedragingen meer dan 1 feit opleveren? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01722 en 23/01769.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01818
Datum 2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023, nummer 20-000440-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen voorbereidingshandelingen productie amfetamine en/of MDMA (art. 10a OW). M1 klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid nu “binnen het grondgebied van Nederland brengen” niet bewezen is verklaard, terwijl bewijsoverweging anders luidt. Kennelijke misslag. Middel klaagt verder dat sprake is van één feit, terwijl hof meerdaadse samenloop heeft aangenomen. Middel faalt (art. 81 RO). Conclusie strekt in verband met slagend middel over schending redelijke termijn tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf en tot verwerping van het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01818
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 april 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1., door gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2018, wegens “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” en “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01722 en 23/01769. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.
2.1
Het middel valt in twee deelklachten uiteen.
2.2
De eerste deelklacht houdt in dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, omdat in de bewezenverklaring de tenlastegelegde gedraging “en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen” is weggestreept, terwijl deze gedraging wel bij de bewijsoverwegingen is betrokken. Die bewijsoverwegingen houden immers onder meer in dat “wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen opzettelijk voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht gericht op het (…) dan wel het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een materiaal bevattende) MDMA en/of amfetamine”.
2.3
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 te [plaats] en/of [plaats] , gemeente [plaats] en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland (in een bestelbus Mercedes Sprinter, [kenteken] en/of een loods/bedrijfshal op het perceel [a-straat 1] te [plaats] , gemeente [plaats] )
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- (op zijn (bedrijfs)naam) een loods/bedrijfshal op het perceel [a-straat 1] te [plaats] , gemeente [plaats] , gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of
- (op zijn (bedrijfs)naam) een of meerdere voertuigen (een Mercedes Sprinter [kenteken] en/of een Toyota Aygo [kenteken] en/of een vrachtauto met oplegger met kenteken(s) [kenteken] / [kenteken] en/of een heftruck en/of een pallettruck) gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of
- een (grote) hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder, 45 jerrycans van 25 liter bevattende zoutzuur (aangetroffen in een Mercedes Sprinter voorzien van [kenteken] ) en/of
- een grote hoeveelheidjerrycans en/of (IBC) containers en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen, waaronder zoutzuur en/of aceton en/of MDMA afval (aangetroffen op [a-straat 1] te [plaats] ) en/of
- een hoeveelheid laboratoriummaterialen, waaronder (lege) jerrycans en/of trechters en/of veiligheidsmaskers en/of handschoenen en/of veiligheidsbrillen (aangetroffen op [a-straat 1] te [plaats] ) en/of
- geschreven bescheiden (recepten), betrekking hebbend op en/of verband houdend met de productie van MDMA en/of amfetamine, in elk geval een of meer middel(en) voorkomend op lijst I behorende bij de Opiumwet (aangetroffen in een Mercedes Sprinter voorzien van [kenteken] )
(zaken 1 en 3)”
2.4
Daarvan is bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 08 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 te [plaats] , gemeente [plaats] en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben verschaft en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- een loods op het perceel [a-straat 1] te [plaats] , gemeente [plaats] , gehuurd en
- een vrachtauto met oplegger met kentekens [kenteken] / [kenteken] gehuurd en
- een grote hoeveelheidjerrycans en (IBC) containers en andere soorten verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen, waaronder zoutzuur en/of aceton en/of MDMA afval aangetroffen op [a-straat 1] te [plaats] voorhanden gehad en
- een hoeveelheid laboratoriummaterialen, waaronder lege jerrycans en trechters en veiligheidsmaskers en handschoenen en veiligheidsbrillen aangetroffen op [a-straat 1] te [plaats] voorhanden gehad”
2.5
De – door het hof overgenomen – overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het bewijs houden het volgende in:
“Het oordeel van de rechtbank.
Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte (samen met een of meer anderen) opzettelijke voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren dan wel het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een materiaal bevattende) MDMA en/of amfetamine.
Uit de bewijsmiddelen blijkt het navolgende:
In de nacht van 29 juni 2016 omstreeks 2.45 uur is [medeverdachte 1] op heterdaad aangehouden, nadat hij uit een door een ander gehuurde Bo-Rent bestelbus van het type Mercedes Benz Sprinter met [kenteken] met daarin 45 jerrycans met chemicaliën is weggerend. Verbalisanten, rijdend in een opvallend dienstvoertuig, constateerden afwijkend rijgedrag, waarop zij de bestelbus volgden ter controle van bestuurder en voertuig. Toen de bestelbus stopte en verbalisanten de bestelbus “vastzetten” met hun dienstvoertuig rende de bestuurder weg. Verbalisanten zijn de bestuurder achterna gerend en hebben de bestuurder staande gehouden, waarna zij hem hebben teruggeleid naar de bestelbus. Verbalisanten zagen door het raam van de bestelbus dat er in de laadruimte tientallen gevulde (niet geëtiketteerde) jerrycans stonden. Bij opening van de achterdeur roken zij een sterke chemische lucht. Verbalisanten vermoedden, gelet op alle omstandigheden, overtreding van de Opiumwetgeving dan wel de Wet ter voorkoming misbruik chemicaliën.
In de bestelbus is, naast twee aankoopbonnen van de Gamma en de Hornbach, door verbalisanten tevens een A4-papier aangetroffen met daarop de woorden “aceton”, “zuur”, “turpentine” met hoeveelheden en codes.
De in de 45 jerrycans aangetroffen chemicaliën betreft 1125 liter zoutzuur. Aan de hand van de twee in de bestelbus aangetroffen bonnen, beiden gedateerd 28 juni 2016, is onderzoek gedaan bij de bouwmarkten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden op camerabeelden herkend als degenen die op 28 juni 2016 bij de Gamma te [plaats] een veiligheidsmasker, handschoenen en veiligheidsbrillen kopen. Op camerabeelden van de Hornbach te [plaats] wordt [medeverdachte 1] herkend terwijl hij een trechter, veiligheidsmasker, handschoenen en veiligheidsbrillen koopt.
De bestelbus bleek vanaf 27 juni 2016 gehuurd door [B] B.V.
Op naam van [B] B.V. werden bij Bo-Rent nog meer vervoermiddelen gehuurd zoals een Toyota Aygo, een heftruck en een pallettruck. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij ook in die bestelbus heeft gezeten. Hij heeft tevens verklaard dat ene [betrokkene 1] hem mee vroeg om bij een boer in [plaats] vaten uit een schuur te halen. Deze [betrokkene 1] kwam hem ophalen met een bus van Bo-Rent. In de loods van de boer in [plaats] hebben ze van 18:00 uur tot 22:00 uur een chemische vloeistof overgeheveld in jerrycans. Voorafgaande aan het overhevelen van de vloeistof haalden ze bij een bouwmarkt nog mondkapjes en handschoenen.
Naar aanleiding van de track and trace-gegevens van de gehuurde bestelbus is op 30 juni 2016 door de politie een loods aan [a-straat 1] te [plaats] betreden. De loods was eigendom van [medeverdachte 3] . In de loods zijn meerdere pallets met lege witte jerrycans aangetroffen, een ijzeren trechter, veiligheidsbrillen en een veiligheidsmasker. Naar schatting is daar voorts een hoeveelheid van 20.000 liter aceton, 20.000 liter zoutzuur en 750 liter MDMA-afval in [plaats] aangetroffen.
De chemicaliën werden, aldus [medeverdachte 3] , in meerdere keren, gebracht door een vrachtwagen. Onderzoek naar de op camerabeelden van [a-straat ] in beeld zijnde vrachtwagen leidde naar de firma [A] B.V. De oplegger met vrachtwagen bleek te zijn verhuurd aan [B] B.V. in de periode van 8 juni 2016 tot 15 juni 2016. Bij de feitelijke huur werd een kopie van het rijbewijs door en van [verdachte] overgelegd. [verdachte] heeft de vrachtwagencombinatie ook weer bij [A] teruggebracht.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij, middels zijn zwager [medeverdachte 4] , zijn loods te [plaats] voor twee weken verhuurde voor de opslag van vaten aceton. Het verzoek voor opslag van die vaten had [medeverdachte 4] van een man uit [plaats] . [medeverdachte 3] herkende de man uit [plaats] als [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij is benaderd door [medeverdachte 5] , die hij kent uit het aardbeienwereldje, die, tegen betaling, voor 14 dagen een opslagruimte nodig had voor vaten met vloeistoffen, waaronder aceton.
[medeverdachte 3] heeft de aanwezigheid van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 5] in zijn loods aan [a-straat 1] te [plaats] bevestigd. [medeverdachte 1] wordt door [medeverdachte 3] herkend als de bijrijder van de chauffeur die de chemische stoffen op het terrein van [medeverdachte 3] bracht. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat ook hij geholpen heeft met het lossen van de grote hoeveelheid vaten. [medeverdachte 5] kwam kort daarna samen met een Belg langs om de vaten te tellen in de loods. [medeverdachte 4] had hem er van te voren over gebeld dat ze zouden komen. [medeverdachte 1] is later alleen langsgekomen om een monster te nemen en weer een paar dagen later om twee vaten mee te nemen. [medeverdachte 1] en de chauffeur ( [verdachte] , rechtbank) waarmee de vaten waren gebracht zijn nadien samen langsgekomen en vroegen aan [medeverdachte 3] of ze een gedeelte konden tappen in jerrycans en of dat in de loods mocht gebeuren, dat zou in twee avonden gaan gebeuren. De in de loods te [plaats] en in de bestelbus aangetroffen chemicaliën, alsmede de bij de bouwmarkten aangekochte goederen kunnen gerelateerd worden aan het productieproces van synthetische drugs.
De rechtbank komt op grond van al het vorenstaande tot de conclusie dat de in de bestelbus te [plaats] en de loods in [plaats] aangetroffen voorwerpen en grote hoeveelheid aan stoffen, naar hun gezamenlijkheid beschouwd, ontegenzeggelijk bestemd zijn voor de productie van MDMA en/of amfetamine en dat die stoffen en voorwerpen ook met dat doel op de genoemde locaties aanwezig waren. Het feit dat naast aceton en zoutzuur ook MDMA en PMK in aceton is aangetroffen, sterkt de rechtbank in die conclusie.
De rechtbank stelt vast dat verdachte een grote vrachtwagen gehuurd waarmee hij een grote hoeveelheid chemicaliën heeft vervoerd naar een loods te [plaats] . De chemicaliën zijn met behulp van de eigenaar van de loods uitgeladen en aldaar opgeslagen. Uit het feit dat verdachte later samen met [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] is langs geweest om een afspraak te maken omtrent het overhevelen uit de al afgeleverde vaten, concludeert de rechtbank dat verdachte meer dan alleen chauffeurswerk verrichtte.
Namens de verdediging is onder meer aangevoerd dat verdachte geen concrete wetenschap had van hetgeen hij vervoerde en dat niet zichtbaar was dat het (ook) om zoutzuur ging. De rechtbank verwerpt dit verweer.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op geen enkel moment, dat wil zeggen noch bij de politie noch ten overstaan van de rechter-commissaris een plausibele en geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de voor de productie van amfetamine betreffende stoffen in de vrachtwagen die hij bestuurde en welke hij bij een loods behorend bij een aspergeboerderij heeft afgeleverd. Uit niets heeft verdachte kunnen opmaken dat het om een regulier legaal vervoer ging, nu ook niet is gebleken van het bestaan van een vrachtbrief, waaruit de afzender, de aard van de lading en de bestemming volgde en evenmin is door verdachte een aannemelijke verklaring dienaangaande gegeven. Voorts was het verdachte die met [medeverdachte 3] heeft afgesproken dat er chemicaliën uit de IBC-vaten in jerrycans zou worden overgeheveld, terwijl dit overtappen evident niet in verband met de werkzaamheden op de aspergeboerderij geschiedde. Immers deze (gevulde) jerrycans werden nadien weer meegenomen.
De verdachte heeft aldus voor de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende omstandigheden, die redengevend zijn voor het bewijs van het onder 1 aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke verklaring gegeven die die omstandigheden zou kunnen ontzenuwen. De rechtbank laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte voor genoemde omstandigheden ten nadele van de verdachte meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.
Verdachte was derhalve betrokken bij zowel de opslag als de distributie van de chemicaliën. De rechtbank is van oordeel dat daarmee wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte een wezenlijke, en in het geheel bezien noodzakelijk, bijdrage heeft geleverd aan de strafbare handelingen en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met de door hem niet bij naam genoemde betrokkenen. Er is dan ook sprake van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs, te weten MDMA dan wel amfetamine.
De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande alsmede de inhoud van het bijgevoegde bewijsmiddelenoverzicht, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte – samen met anderen – opzettelijk voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren dan wel het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een materiaal bevattende) MDMA en/of amfetamine, zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.
Anders dan de officier bij haar requisitoir over de bewezenverklaring heeft aangegeven, heeft de bewezenverklaring niet mede betrekking op de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de uit het dossier omschreven (opslag-)locatie te [plaats] . Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op het ontbreken van deze locatie in de gewijzigde tenlastelegging, de concretisering van de tenlastelegging en gelet op de vermelding van “zaken 1 en 3” aan het slot van de omschrijving van het tenlastegelegde feit.”
2.6
De eerste deelklacht berust op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft zich – door zich op dat punt te verenigen met het vonnis van de rechtbank – in de eerste alinea van de bewijsoverwegingen de vraag gesteld of de verdachte “opzettelijke voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht gericht op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren dan wel het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een materiaal bevattende) MDMA en/of amfetamine”. In de door de steller van het middel gewraakte passage heeft het hof geconcludeerd dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord “zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven”. Dat betekent dat enkel uit de bewezenverklaring volgt wat het hof bewezen heeft gedacht. Van enige tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring en de passage is bovendien geen sprake gelet op de in de passage tussen de opgesomde tenlastegelegde handelingen geplaatste woorden “en/of” en “dan wel”.
2.7
Daarbij merk ik nog op dat uit de strafmotivering van het hof, waarvoor ik verwijs naar het (gepubliceerde) arrest, geenszins kan worden opgemaakt dat de in de bestreden overweging genoemde gedraging “het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen” invloed heeft gehad op de hoogte van de straf.
2.8
De eerste deelklacht faalt.
2.9
De tweede deelklacht houdt in dat de kwalificatiebeslissing van het hof en het bij de toepasselijke wettelijke voorschriften vermelden van art. 57 Sr getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het bewezenverklaarde één feit zou opleveren.
2.10
Het door het hof – voor zover hier van belang – bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer in:
“het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen zich en anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
en
medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”
2.11
Het hof heeft als toepasselijk wettelijk voorschrift onder andere art. 57 Sr vermeld.
2.12
Art. 10a lid 1 Opiumwet luidt:
“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1° een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2° zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3° voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.13
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte samen met anderen voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen heeft verricht die gericht zijn op – kort gezegd – de productie van MDMA en/of amfetamine. Die voorbereidingshandelingen bestonden daarin – in cassatie onbestreden – dat de verdachte en/of een of meer van zijn mededaders i) een loods aan [a-straat 1] te [plaats] heeft/hebben gehuurd, ii) een vrachtwagen met oplegger heeft/hebben gehuurd en iii) grote hoeveelheden chemicaliën en iv) een hoeveelheid laboratoriummaterialen voorhanden heeft/hebben gehad (zie bewezenverklaring onder 2.4). Het kennelijke oordeel van het hof dat deze gedragingen meer dan één feit opleveren, waarbij een deel van deze feiten onder het bereik van art. 10a lid 1 onder 2° Opiumwet valt en een (ander) deel van deze feiten onder art. 10a lid 1 onder 3° Opiumwet, getuigt, mede gelet op het verschil in tijd en plaats waarop deze zich hebben afgespeeld, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin.
2.14
Ook de tweede deelklacht faalt.
Het tweede middel
3.
3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel slaagt. Namens de verdachte is op 9 mei 2023 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 9 februari 2024 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn met een maand is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
Afronding
4.
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 mei 2023. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase ook in die zin is overschreden. Ook dat dient te leiden tot strafvermindering.
4.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025