Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.2.2
IV.2.2 De grens van een derde
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378581:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De berekening van het verschaffen van het geplaatste kapitaal stond tot de invoering van art. 2:24d BW in art. 2:336 lid 1 BW, waarvan de laatste zin luidde: 'Bij de vaststelling welk deel van het geplaatste kapitaal wordt verschaft, wordt het kapitaal verminderd met het nominale bedrag van de aandelen en certificaten daarvan die de vennootschap of een dochtermaatschappij zelf houdt of doet houden.' Deze bepaling is nog voor haar inwerkingtreding geschrapt door de invoering van art. 2:24d in verband met de aanpassing van het vennootschapsrecht aan de zevende EEG-richtlijn, zie Stb. 1988, 517.
Zie nader over art. 2:24d BW: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 826, en nr. 178 over aft. 2:118 lid 7 en 2:228 lid 6 BW. Zij menen dat zeer bewust de toevoeging 'de wet bepaalt' in dit artikel is opgenomen. Dit brengt mee dat voor analoge toepassing van statutaire bepalingen waarin staat dat geen stemrecht kan worden uitgebracht op bepaalde aandelen, geen ruimte is. De wettelijk bepaalde toegang tot bijv. de geschillenregeling (of het enquêterecht, zie art. 2:346 BW) kan anders statutair worden bemoeilijkt. Ik kan mij in deze redenering vinden. Zie ook Handboek (1992), nr. 355, waarin staat dat andere aandelen (dan gehouden door de vennootschap) waarop geen stemrecht kan worden uitgebracht, wel meetellen.
Idem voor de berekening van 95% van het geplaatste kapitaal in een uitkooppmcedure (art. 2:92a/ 201a BW): Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 681 sub c.
In België bestaat hierover onenigheid, zie de kort weergegeven discussie in Tilleman en Van Solinge (2000), p. 650-651.
Zie OK 17 februari 2010, JOR 2010/152 m.nt. De Haan (Hottinguer/Emba); en OK 22 december 1983, NJ 1985, 383 (Ogem). Zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 738 en de noot van De Haan onder Hottinguer/Emba, punt 3.
Zie Pres. Rb. Haarlem 8 mei 1990, KG 1990, 247 (Keijzer Papier), ro. 3.2: 'Het voorstel van de directie van Keijzer Papier BV aan de algemene vergadering van aandeelhouders om het voorkeursrecht van eiseres bij de aandelenemissie uit te sluiten heeft immers ten doel het recht van eiseres om een vordering gebaseerd op de in de art. 335 e.v. Boek 11 BW vervatte geschillenregeling in te stellen, te frustreren. Zowel het voorstellen van als het besluiten tot een zodanige emissie is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de vennootschap jegens een van haar aandeelhoudsters eiseres, en die de aandeelhoudsters onderling jegens elkaar dienen te betrachten.' De uitspraak werd besproken door Brood-Grapperhaus (1994), p. 38.
Bij de uitkoop moet de eiser ook op het moment van dagvaarding voldoen aan het 95%-vereiste. Dit bezit mag tijdens de procedure niet dalen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zie Asser/Maeijer/ Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 681 sub a. Een parallel met de geschillenregeling gaat niet op, de uitkoop en de geschillenregeling worden ingesteld met geheel verschillende motieven. Bij de uitstoting is sprake van de beëindiging van een geschil, terwijl de uitkoop een manier is om enig aandeelhouder te worden. Daarom is het beter aansluiting te zoeken bij het enquêterecht, waarin — net als bij de uitstoting — de gang van zaken binnen een besloten vennootschap veelal ook niet pais en vree is, als een aandeelhouder om een onderzoek vraagt.
Zie het aparte nr. 330 over 'Bevoegdheden van groepen (minderheids)aandeelhouders', Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009).
Zie hierover § 111.2.2 en § V111.3.3.
Bij de grens van een derde in art. 2:336 lid 1 BW gaat het om de aandeelhouder(s) die ten minste 'een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen'. Voor de berekening van de verschaffing van het kapitaal is van belang dat art. 2:24d BW stelt dat geen rekening wordt gehouden met aandelen waarvan de wet bepaalt dat daarvoor geen stem wordt uitgebracht.1 De meest voorkomende soort aandelen waarop art. 2:24d BW doelt, zijn de aandelen die toebehoren aan de vennootschap of haar dochtermaatschappij, zie art. 2:118 lid 7 BW voor de NV en art. 2:228 lid 6 BW voor de BV. Zij ontberen stemrecht en tellen dus niet mee bij de bepaling van het verschafte kapitaal, waarvan de eisende aandeelhouder in een uitstotingsprocedure vervolgens minimaal een derde dient te bezitten.2 Ik meen overigens dat de aandelen die geleverd zijn aan een opvolgende aandeelhouder, maar waarop deze nog niet het (stem)recht kan uitoefenen omdat de vennootschap niet heeft erkend of omdat de akte niet is betekend, wél meetellen voor het geplaatste kapitaal. De opvolgende aandeelhouder ontbeert ex art. 2:196a lid 1 BW de aan de aandelen verbonden rechten, maar kan zelf eenvoudig het stemrecht verkrijgen door te betekenen.3
Op welk moment dient de eiser aan de grens van een derde te voldoen?4 In ieder geval moet de aandeelhouder op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding de ontvankelijkheidsdrempel kunnen passeren. De vraag komt op hoe het zit indien na het uitbrengen van de dagvaarding zijn aandelenbezit daalt. Een andere mogelijkheid is dat van de twee aandeelhouders die de uitstotingsvordering samen instellen, er één nog voor de comparitie afhaakt. De overblijvende eiser voldoet alleen niet aan het een derde-vereiste.
Voor de laatste situatie is een parallel te trekken met de enquêteprocedure. De verzoekers moeten op het moment van indienen voldoen aan het vereiste van art. 2:346 BW. Indien echter één van hen zijn verzoek intrekt voordat de OK op het verzoek heeft beslist en de resterende verzoeker het vereiste aantal aandelen niet bezit, is hij niet-ontvankelijk.5 Een dergelijke conclusie past ook bij de geschillen-regeling. Indien een eisende aandeelhouder zich uit de uitstotingsprocedure terugtrekt, en de overblijver verschaft in zijn eentje niet een derde van het geplaatste kapitaal, dan volgt mijns inziens niet-ontvankelijkheid.
Bij de daling van het aandelenbezit ligt het gecompliceerder. Er zijn twee sporen te onderscheiden. Wanneer de eisende aandeelhouder zijn aandelen verkoopt of instemt met een emissie waardoor zijn belang verwatert, moet de rechter zijn niet-ontvankelijkheid uitspreken. De eiser heeft dan 'zijn kaarten op tafel gegooid' en is er zelf debet aan dat zijn aandelenbezit niet langer voldoet. In een tweede situatie, waarbij een emissie (met uitsluiting van het voorkeursrecht) de verlaging van het bezit bewerkstelligt, ligt het anders. De aandeelhouder houdt dan door toedoen van anderen niet langer minimaal een derde. Bovendien is het niet uitgesloten dat zo'n emissie juist met het oog op de ontvankelijkheidseis van art. 2:336 lid 1 BW geïnitieerd wordt. Uit de jurisprudentie is een geval bekend, waarin de president in kort geding de emissie verbood omdat het enige doel van de emissie het frustreren van de uitstotingsvordering was. Dit maakte (het besluit tot) de uitgifte in strijd met de redelijkheid en billijkheid.6 In het verlengde hiervan is verdedigbaar dat iedere verandering van kapitaal met als hoofddoel de eisende aandeelhouder in de wielen te rijden in strijd is met art. 2:8 lid 1 BW. Vanaf het moment van uitbrengen van de dagvaarding behoort het kapitaal als 'bevroren' te worden beschouwd.7
Een andere vraag is of in de statuten van de vennootschap de ontvankelijkheidsdrempel verlaagd kan worden. Een kleinere minderheid dan een derde kan dan over het belang van de vennootschap 'waken' en een misdragende aandeelhouder uitstoten. Ook al acht ik de mogelijkheid sympathiek, de wet verzet zich tegen een dergelijke statutaire verruiming. De geschillenregeling is ingevolge art. 2:25 BW van dwingend recht. De wet spreekt niet over 'of zoveel lager als de statuten bepalen', zoals bij de ontvankelijkheidsdrempels van het enquêterecht wel het geval is, zie art. 2:346 sub b BW.
De een derde grens vind ik een te hoge drempel. Waarom moet een aandeelhouder een dergelijk groot belang hebben, wil hij in rechte afdwingen dat het vennootschappelijk belang niet langer geweld wordt aangedaan? Ik zie geen goede motieven de norm te handhaven en pleit voor verlaging.
De wetgever heeft op diverse plaatsen in boek 2 BW een minderheidsaandeelhouder met een niet te verwaarlozen belang bevoegdheden gegeven om op te treden.8 Ik wijs op de mogelijkheid van de geautoriseerde vergadering (art. 2:110/ 220 en 2:111/221 BW) en het enquêterecht (art. 2:346 sub b BW). Deze bevoegdheden zijn gegeven indien een aandeelhouder minimaal tien procent van het geplaatste kapitaal verschaft. Zo'n percentage acht ik voor de uitstotingsvordering ook geschikt. De geschillenregeling sluit dan tevens mooi aan bij de enquêteprocedure. Hierbij geldt dat de feiten die tot een uitstotingsprocedure aanleiding geven, vaak eveneens grond (kunnen) vormen voor een enquête.9 De materiële aspecten van de twee procedures ontlopen elkaar niet veel. Met de enquêteprocedure wordt een einde gemaakt aan wanbeleid van de vennootschap, ofwel aan mogelijke wantoestanden binnen de vennootschap. Zo'n procedure dient dus eigenlijk hetzelfde doel als de uitstotingsvordering. De gezonde verhoudingen worden hersteld, de conflicten en impasses beëindigd. Bovendien kan de OK op grond van art. 2:356 BW vergaande voorzieningen treffen indien blijkt van wanbeleid, tot aan de ontbinding van de vennootschap toe. Indien een minderheidsaandeelhouder met tien procent de wantoestanden binnen de vennootschap aan de orde kan stellen en zo bewerkstelligt dat een rechter op vergaande wijze ingrijpt in de vennootschappelijke verhoudingen, dan moet deze zelfde minderheidsaandeelhouder naar mijn mening ook de bevoegdheid hebben de zich misdragende aandeelhouder uit te stoten. Boek 2 BW hanteert dan gelijke minimumgrenzen voor de door de (minderheids) aandeelhouder te entameren procedures. Dit bevordert de rechtseenheid. De minderheidsaandeelhouder met een voldoende belang heeft dan de toegang tot een aantal vennootschapsrechtelijke procedures.