HR, 09-07-2021, nr. 20/01343
20/01343
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2021
- Zaaknummer
20/01343
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1026, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:354
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2020:654
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑07‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:354, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑04‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1026
- Vindplaatsen
V-N 2021/30.9 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1513 met annotatie van Tom Noë
NTFR 2021/2269 met annotatie van mr. dr. B.M.M. Didden
FED 2024/49 met annotatie van S.P.M. Kramer
Viditax (FutD) 2021070912
FutD 2021-2161
NLF 2021/1094
FutD 2021-1319
Viditax (FutD) 2021042306
Uitspraak 09‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Rijnvarende. Artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid rijnvarenden resp. artikel 16 Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst. Beperkte bevoegdheid Hoge Raad bij de beoordeling van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01343
Datum 9 juli 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2020, nrs. 18/1611 AOW, 18/1612 AOW, 18/1613 AOW, 18/1788 AOW en 18/1789 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 17/3142, 17/3207 en 17/3208) betreffende belanghebbendes verzoek om herziening van een besluit van de Sociale verzekeringsbank inhoudende de afwijzing van het verzoek tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien) respectievelijk artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (2010 en 2011), de afwijzing van belanghebbendes verzoeken tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst bedoeld in artikel 16 van deze verordening (2012 tot en met 31 oktober 2014) en de afwijzing van belanghebbendes verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 april 2021 geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover ziende op de afwijzing van de Sociale verzekeringsbank van het verzoek om met de bevoegde autoriteiten van Luxemburg in overleg te treden en voor het overige tot ongegrondverklaring van dat cassatieberoep.1.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende was van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 rijnvarende. Hij verrichtte zijn werkzaamheden aan boord van een vaartuig dat tot de Rijnvaart behoort in de zin van artikel 2 van de Herziene Rijnvaartakte. Op het loon van belanghebbende zijn Luxemburgse socialeverzekeringspremies ingehouden. Omdat de exploitant van het vaartuig in Nederland is gevestigd, zijn van belanghebbende ook Nederlandse premies volksverzekeringen geheven.
2.2
Belanghebbende heeft de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb) verzocht om in overleg met de bevoegde autoriteiten van Luxemburg te bepalen dat hij van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies volksverzekeringen verschuldigd was in Nederland.
2.3
De Svb heeft dit verzoek afgewezen en heeft het bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard.
2.4
De Rechtbank heeft het beroep voor zover het ziet op de periode voor 1 mei 2010 ongegrond verklaard en voor zover zij zien op de periode erna gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij bepaald dat de Svb het verzoek van belanghebbende voor zover het ziet op laatstgenoemde periode had moeten doorzenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteit.
2.5
De Centrale Raad van Beroep heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de beroepen voor zover zij zien op de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 ongegrond verklaard. Ten aanzien van het beroep betreffende het jaar 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep beslist dat dit terecht door de Rechtbank gegrond is verklaard en dat de Svb een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Belanghebbende bestrijdt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep met acht middelen van cassatie.
3.2
Elk middel bevat onder meer een motiveringsklacht. In zoverre falen de middelen omdat over de gebreken in de motivering van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in cassatie niet met succes kan worden geklaagd. De in de artikelen 53 van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW), 66 van de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw), 31 van de Algemene kinderbijslagwet (hierna: Akw) en 10.3.2 van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) neergelegde beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad bij de beoordeling van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep biedt daarvoor geen ruimte.
3.3
De middelen betogen voorts dat de Svb het verzoek van belanghebbende had moeten honoreren om op de voet van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag2., dan wel artikel 16 van Verordening 883/20043., in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten ten einde in onderlinge overeenstemming voor belanghebbende vast te stellen dat hij bij wijze van uitzondering in Luxemburg verzekerd is. Volgens de middelen heeft de Centrale Raad van Beroep dit miskend en moet zijn uitspraak daarom door de Hoge Raad worden vernietigd.
3.4
De middelen falen ook in zoverre. Laatstgenoemde artikelen hebben op zichzelf niet het gevolg dat een ruimere dan wel beperktere werking wordt gegeven aan hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 6 AOW of de daarmee overeenkomende bepalingen in de Anw, de Akw en de Wlz. Zij verschaffen slechts nationale autoriteiten van twee of meer (lid)staten de bevoegdheid om in onderlinge overeenstemming van die bepalingen af te wijken. De toetsing van de uitleg en toepassing die de Centrale Raad van Beroep aan die artikelen heeft gegeven valt daarom niet binnen de hiervoor in 3.2 omschreven beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad.
3.5
De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑07‑2021
Verdrag van 30 november 1979 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien).
Beroepschrift 09‑07‑2021
Edelhoogachtbaar College!
Naar aanleiding van uw brief van Tl mei 2020, zaaknummer F 20/01343, [X], zend ik u hierbij de bezwaren tegen de in cassatie bestreden uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2020, nrs. 18/1611,18/1612,18/1613,18/1788 en 18/1789.
Cassatiemiddel I
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb en het Unierecht doordat de Centrale Raad van Beroep in r.o. 3.1.6. oordeelt dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is.
Toelichting
Dit betreft de jaren 2010 en 2011. Vaststaat dat de SVB heeft erkend dat zij de aanvragen destijds had moeten doorsturen naar de bevoegde instantie in Luxemburg. Daarmee staat vast dat de SVB niet heeft gehandeld volgens de procedurevoorschriften van Verordening 883/2004. Met name is schending van art. 81 dat op de SVB een doorzendverplichting legt. Door het Unierecht te negeren schendt de SVB het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten: de SVB houdt het bevoegde Luxemburgse orgaan geheel buiten het verzoek tot regularisatie (art. 18 Verordening 987/2009 jo. art. 16 Verordening 883/2004). Een door de SVB erkende fout, waardoor het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten wordt geschonden kan niet anders dan betekenen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is dan ook onbegrijpelijk gemotiveerd. De (latere) jurisprudentie van de Raad (22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3812) dat een verzoek dat de SVB op grond van art. 81 van de Basisverordening (883/2004) verplichtte aan het Luxemburgs orgaan door te zenden, door de rechter inhoudelijk wordt getoetst, neemt de door de SVB gemaakte en erkende fout niet weg en neemt evenmin weg dat het beginsel van loyale samenwerking daarmee wordt geschonden. Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is dan ook onbegrijpelijk gemotiveerd en in strijd met het Unierecht. De SVB had het herzieningsverzoek dan ook niet mogen afwijzen.
Cassatiemiddel II
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb doordat de Centrale Raad van Beroep in r.o. 3.3.2. oordeelt dat betrokkene zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de voorschriften van art. 16 en 73 van Verordening 987/2009.
Toelichting
De Centrale Raad van Beroep overweegt dit ter zake van de jaren 2012 t/m 2014. Het bezwaar geldt evenzeer voor de jaren 2010 en 2011.
Het verzoek om voor zoveel nodig door het sluiten van een regularisatieovereenkomst te bepalen dat betrokkene in de periode 2010 t/m 2014 uitsluitend verzekerd is geweest krachtens de sociale zekerheidswetgeving in Luxemburg, betekent dat allereerst aan de orde is de vaststelling van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht volgens de daarvoor voorgeschreven procedureregels van artt. 16 en 73 van Verordening 987/2009. Het oordeel van de Raad in r.o. 3.3.2. dat het begrijpelijk is dat de SVB het verzoek heeft opgevat als te zijn gericht op het sluiten van een bijzondere overeenkomst tussen Nederland en Luxemburg over tijdvakken in het verleden en niet als een verzoek de toepasselijke wetgeving vast te stellen op de wijze die is voorzien in art. 16 van Verordening 987/2009 omdat de verzoeken pas een tijd na afloop van de tijdvakken in geding zijn ingediend en daarbij uitdrukkelijk de mogelijkheid van het sluiten van een bijzondere overeenkomst tussen Nederland en Luxemburg is benoemd, is onbegrijpelijk en bovendien rechtens onjuist. Ten eerste houdt het verzoek wel degelijk in vaststelling van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht. Ten tweede is de vaststelling van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht zoals voorzien in art. 16 van Verordening 987/2009 niet afhankelijk van een verzoek van betrokkene. De SVB was daartoe gehouden zodra de SVB van de situatie van betrokkene op de hoogte is. In vele gevallen ligt daaraan geen verzoek van de betrokkene ten grondslag, maar bijvoorbeeld een melding door de Belastingdienst (op grond van art. 16 lid 6 van Verordening 987/2009). Bovendien had de Sociale Verzekeringsbank al in 2010 onverwijld een voorlopige beslissing ter zake van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht moeten nemen met toepassing van art. 16 van Verordening 987/2009. Immers heeft betrokkene zich gemeld bij het Luxemburgs zusterorgaan van de SVB welk zusterorgaan betrokkene in sociale verzekering heeft genomen. Op grond van art. 81 van Verordening 883/2004 is het Luxemburgse zusterorgaan van de SVB gehouden tot doorzending aan de SVB. Indien en voor zover het Luxemburgse orgaan art. 81 van Verordening 883/2004 niet heeft nageleefd, kan dat aan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Dat de lidstaten zich niet aan de (procedure)regels van Verordening 883/2004 houden, daarvan mag betrokkene niet de dupe worden. Verwezen wordt naar het arrest van het HvJ EU van 19 juni 2003, Santé Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366 punt 70 e.v. waarbij — in essentie — is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat de regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd. Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat aan betrokkene de bescherming van de voorschriften van artt. 16 en 73 van Verordening 987/2009 worden onthouden is dan ook onjuist. Door het volgen van de procedure van art. 16 en art. 73 van Vo. 987/2009, zou in samenspraak met het Luxemburgse orgaan tot een oplossing moeten worden gekomen door of het Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht van toepassing te verklaren of verrekening van in Luxemburg betaalde sociale zekerheidspremies, zodat voorkomen wordt dat een dubbele heffing wordt opgelegd.
Cassatiemiddel III
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb en schending van het Unierecht met name art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004 doordat de Raad overweegt dat het bij toepassing van art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004 gaat om een discretionaire bevoegdheid van de Sociale Verzekeringsbank. Dit cassatiemiddel richt zich tevens tegen de overwegingen 3.4.1 en 3.5.2, waar de Raad het oordeel dat van een discretionaire bevoegdheid sprake is herhaalt.
Toelichting
Aan de orde is de kern van Verordening 883/2004 en 987/2009, namelijk dat betrokkene geen dubbele heffing premie volksverzekeringen krijgt opgelegd. Die doelstelling noopt ertoe dat in het belang van belanghebbende art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004 toepassing behoort te hebben en het Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht van toepassing wordt verklaard, zodat van een discretionaire bevoegdheid geen sprake kan zijn.
Daar komt bij dat onderhavige situatie is ontstaan doordat de SVB de procedure van art. 16 van Verordening 987/2009 niet heeft toegepast. Dat dat (wellicht) is ontstaan doordat het Luxemburgs zusterorgaan art. 81 van Verordening 883/2004 niet heeft toegepast, kan aan belanghebbende niet worden tegengeworpen en noopt temeer tot toepassing van art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004 en betekent des te meer dan van een discretionaire bevoegdheid van de SVB ter zake van de toepassing van art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004 in onderhavig geval geen sprake kan zijn. Belanghebbende heeft zich immers gemeld bij het Luxemburgse zusterorgaan en het Luxemburgse zusterorgaan heeft belanghebbende in verzekering genomen. Een melding bij het Luxemburgse zusterorgaan wordt op grond van art. 81 van Vo. 883/2004 beschouwd als een gelijktijdige melding bij de SVB.
In de toelichting op de Europese Basisverordening voor sociale zekerheid opgesteld door de Commissie Verzekeringsaangelegenheden bestaande uit het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Ministeries van Financiën, Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt ten aanzien van art. 16 lid 1 van Vo. 883/2004 vermeld, voor zover hier van belang: ‘Het eerste lid van art. 16 biedt lidstaten de mogelijkheid om op verzoek en in het belang van de betrokkene de toepasselijke wetgeving in onderling overleg vast te stellen. Dit geldt als toepassing van de art. 11 tot en met 15 voor de betrokkene tot de nadelige uitkomst leidt’. In onderhavig geval zaak legt de Belastingdienst ook die toelichting naast zich neer.
In de Praktische Gids — Praktische Gids over de toepasselijke wetgeving in de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland — opgesteld door de Europese Commissie, wordt ten aanzien van art. 16 van Vo. 883/2004 op blz. 18 van 57 voor zover hier van belang vermeld: ‘Overeenkomstig art. 16 van Vo. 883/2204 mogen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten echter in onderling overeenstemming uitzonderingen vast te stellen op de regels inzake de toepasselijke wetgeving;… Deze uitzonderingen ingevolge art. 16 zijn uitsluitend toegestaan als bij de betrokken lidstaten daarvoor toestemming geven, en als deze in het belang zijn van bepaalde personen of groepen personen. Dit betekent dat hoewel deze overeenkomst tussen lidstaten administratieve voordelen kunnen hebben, deze administratieve voordelen niet de enige motivering factor mogen vormen; de belangen van de betrokken persoon of personen moeten bij iedere overweging centraal blijven staan.’ Desondanks laat de Staatssecretaris de belangen van de betrokken persoon, belanghebbende, geenszins centraal staan.
Voorts luidt nr. 9 bij de preambule bij Vo. 987/2009: ‘Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd hoe de betrokkene die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Vo. (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen.’ De Belastingdienst geeft geen blijk van enige (bijzondere) inspanning ten behoeve van belanghebbende om hem niet te benadelen.
In de jurisprudentie van het HvJ EU van 19 juni 2003, Santé Pasquini, C34/02, ECLI:EU:C:2003:366 punt 70 e.v., is in essentie bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd.
De Centrale Raad had behoren te beslissen dat het bovenstaande noopt tot toepassing van art. 16 eerste lid van Verordening 883/2004, zodat er van een discretionaire bevoegdheid van de SVB geen sprake is. Toepassing van art. 16 eerste lid van Vo. 883/2004 dient te leiden tot toepasselijkheid van het Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht.
Dit geldt temeer waar eerst Nederland en daarna Luxemburg met regularisatie in een eerder stadium reeds akkoord zijn gegaan. Verwezen wordt naar de gronden van de hoger beroepen van 14-06-2018 pag. 3, laatste 3 alinea's en pag. 4, eerste 6 alinea's.
Cassatiemiddel iv
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb doordat de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat niet onredelijk is dat SVB in zijn vaste praktijk afwijzend beslist op verzoeken om een procedure tot sluiten van een regularisatieovereenkomst te starten, indien er in de fiscale kolom nog een procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving (r.o. 3.4.1).
Toelichting
Deze overweging betreft het jaar 2013. Ter zake van de vaststelling van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht dient de fiscale kolom de sociale zekerheidskolom te volgen en niet andersom. Dat volgt uit Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1752. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de Centrale Raad van Beroep het niet onredelijk acht dat de SVB afwijzend beslist op verzoeken om een procedure tot het sluiten van een regularisatieovereenkomst te starten indien in de fiscale kolom nog een procedure loopt over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving. De Centrale Raad van Beroep zet daarmee de zaak op zijn kop: het toepassen van de aanwijsregels ter zake van het vaststellen van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving is (primair) aan de SVB en de sociale zekerheidsrechter en niet aan de Belastingdienst en de belastingrechter. De Centrale Raad van Beroep verwijst voor haar oordeel naar de eerdere jurisprudentie van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578 en ECLI:NL:CRVB:2016:3556. Daar doet de Centrale Raad van Beroep het ten onrechte voorkomen dat een finaal oordeel over het vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekering in de fiscaalrechtelijke kolom plaatsvindt. Uit Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725 volgt dat dit finale oordeel ter zake van het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht in de sociale zekerheidskolom plaatsvindt (r.o. 1.3 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578). Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is dan ook onjuist. Dat de SVB ter zitting te kennen heeft gegeven met andere betrokken Nederlandse organen in overleg te zijn getreden en heeft uiteengezet dat er verschillende oplossingsrichtingen denkbaar zijn, betekent des te meer dat er geen enkele reden noch rechtvaardiging is om de procedure in de fiscale kolom af te wachten, alvorens in de sociale zekerheidskolom te beslissen welk sociaal verzekeringsrecht van toepassing is, ook indien dat geschiedt door middel van (wat in de sociale zekerheidskolom wordt genoemd) regularisatie, dat wil zeggen toepassing van art. 18 van Verordening 987/2009 jo. art. 16 van Verordening 883/2004.
Cassatiemiddel V
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in bijzonder art. 8:77 AWB en van het Verdragsrecht, in het bijzonder Vo. (EG) 883/2004, art. 16 alsmede de daarop gebaseerde Rijnvarendenovereenkomst, art. 6 lid 2 daarvan, doordat de Raad de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106-verklaring niet respecteert (r.o. 3.5.1.).
Toelichting
Met de invoering van Vo. (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels is art. 7 tweede lid aanhef, onderdeel a van Vo. (EG) 1408/71 vervallen en wordt voor Rijnvarenden de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving niet meer bepaald, met uitsluiting van die Verordening, door het Rijnvarendenverdrag.
Dat betekent dat over onderhavige periode onder de werking van Vo. 883/2004 de juridische waarde van in andere lidstaten afgegeven documenten en bewijsstukken op basis van de Verordening dienen te worden beoordeeld. Omdat de bepaling van art. 7, tweede lid, aanhef, onderdeel a, van Vo. 1408/71 waarop oude jurisprudentie op grond waarvan de E106-verklaring onder de gelding van het Rijnvarendenverdrag niet kon worden geacht een E106-verklaring te zijn en Nederland niet bond, onder de werking van Vo. 883/2004 niet meer bestaat, is de oude jurisprudentie daarop niet meer van toepassing en is de conclusie dat in onderhavig geval per 1 mei 2010 de E106-verklaring een dergelijke verklaring is en Nederland bindt.
Dat wordt bevestigd door het overgangsrecht van art. 6 lid 2 van de Rijnvarendenovereenkomst (RVO), dat verklaringen over de toepasselijke wetgeving overeenkomstig het Verdrag betreffende sociale zekerheid van Rijnvarenden van 30 november 1979 door middel van overgangsrecht binnen de werking van de Vo. 883/2004 haalt: ‘De verklaringen over de toepasselijke wetgeving overeenkomstig het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 30 november 1979 behouden de in die verklaring vermelde geldigheidsduur’.
Op grond hiervan dient de E106-verklaring, die immers onmiskenbaar een verklaring over de toepasselijke wetgeving betreft ook al gaat het daar om verstrekkingen wegens ziekte en moederschap, onder de toepasselijkheid van Vo. 883/2004 te worden gerespecteerd. Indien aan de E101-verklaring en de E-106 verklaring door art. 6 lid 2 geen betekenis toekomt, zou art. 6 lid 2 van de RVO geen enkel doel dienen. Het E106-formulier is het met het Rijnvarendenformulier R106 overeenkomende formulier.
Cassatiemiddel VI
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb en van het Unierecht in het bijzonder art. 16 van Vo. 883/2004 doordat de Centrale Raad van Beroep het niet onredelijk oordeelt dat indien en voor zover betrokkene op grond van correspondentie van de Nederlandse Belastingdienst of de SVB er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd en premieplichtig zou worden geacht voor de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, terwijl uit het besluit van 17 december 2013 is op te maken dat de verzekeringspositie van betrokkene in Nederland lag (r.o. 3.5.2. en r.o. 3.5.9.)
Toelichting
Dit cassatiemiddel beperkt zich tot de periode 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2014. Het criterium om op verzoeken over een verstreken periode een regularisatieprocedure te starten afwijzend te beschikken indien en voor zover betrokkene op grond van correspondentie van de Nederlandse Belastingdienst er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd en premieplichtig zou worden geacht voor de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, terwijl niet blijkt van andere bijzondere omstandigheden die de SVB aanleiding geven om toch een regularisatieprocedure te starten, is niet gebaseerd op Vo. 883/2004 en Vo. 987/2009. Vo. 883/2004 stelt mede in art. 16 ter zake van regularisatie het belang van de Rijnvarende voorop. Verwezen wordt naar hetgeen daarover bij Cassatiemiddel III is opgemerkt ter zake van de toelichting door de Nederlandse Commissie Verzekeringsaangelegenheden en de Praktische Gids. Het door de SVB gehanteerde criterium wijkt daarvan af. Het criterium dat door de Centrale Raad van Beroep niet onredelijk wordt geacht, is bovendien niet internationaal tussen de verdragstaten afgestemd, ook niet door toepassing van Besluit Al van de Administratieve Commissie. Een zorgvuldige werkwijze brengt met zich mee dat Besluit Al wordt toegepast en ten aanzien van de interpretatie ter zake van de toepassing van art. 16 van Vo. 883/2004. Dat dit door de SVB gehanteerde criterium afwijkt van de toepassing zoals die bij andere lidstaten zoals Luxemburg voor ogen staat, blijkt daaruit dat Luxemburg heeft voorgesteld wel te regulariseren (nadat de SVB dat in eerder stadium ook al had voorgesteld). Bovendien is de formulering ‘meer dan voorheen’ dusdanig vaag, dat dit volstrekt ongeschikt is om als criterium voor al dan niet regularisatie te kunnen dienen.
De Raad overweegt in r.o. 3.5.9. dat uit het besluit van 17 december 2013 van de SVB is op te maken dat de verzekeringspositie van betrokkene in Nederland lag. De Centrale Raad van Beroep verbindt daar kennelijk aan dat betrokkene meer dan voorheen daarmee rekening moest houden dat hij in Nederland was verzekerd. Wat er ook zij van dat criterium — verwezen wordt naar hetgeen hierboven is opgemerkt — de overweging van de Raad is onbegrijpelijk omdat ter zake van het besluit van 17 december 2013 geldt dat de SVB daarvan heeft erkend een fout te hebben gemaakt door dat besluit niet te hebben doorgezonden naar Luxemburg. Verwezen wordt naar hetgeen bij cassatiemiddel I is opgemerkt. Indien de SVB volgens de procedureregels van de Verordening had gehandeld was Luxemburg daarin betrokken en had afstemming ter zake daarvan plaatsgevonden tussen het Luxemburg en Nederland, zodat een dubbele heffing zou zijn uitgesloten. Nu dat niet is gebeurd heeft het besluit van 17 december 2013 geen betekenis, althans niet de betekenis die de Raad daaraan geeft. Daar komt nog bij dat de brief van 17 december 2013 het jaar 2010 betreft, waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was tot 1 mei 2010 en vanaf 1 mei 2010 de Verordeningen 883/2004 en 987/2009. In de brief van 17 december 2013 wordt noch naar het Rijnvarendenverdrag noch naar de Verordeningen verwezen. De brief van 17 december 2013 van de SVB baseert zich op een brief van de Belastingdienst in 2007 over de belastingaangifte 2004, zodat die over de aan de orde zijnde periode 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2014, tien jaar later, geen betekenis kan hebben. Bovendien had de Sociale Verzekeringsbank onverwijld voorlopig op grond van art. 16 van Verordening 987/2009 het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht moeten vaststellen. Verwezen wordt naar hetgeen daaromtrent hierboven is aangevoerd, onder meer met verwijzing naar art. 81 van Vo. 883/2004. Dat het sociaal verzekeringsrecht door de SVB niet reeds toen is vastgesteld is toe te rekenen aan de SVB en niet aan belanghebbende, zie ook par. 9 van de preambule van Vo. 987/2009. De handelwijze van de SVB, door niet onverwijld voorlopig het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht vast te stellen, is des te meer reden voor regularisatie, zodat de schadelijke gevolgen van het niet volgens van de procedures door de lidstaten niet op belanghebbende worden afgewenteld. De brief van 17 december 2013 welke niet betreft 2014 en verwijst naar de Belastingdienst in 2007 ter zake van het belastingjaar 2004 mag niet aan regularisatie worden tegengeworpen voor het jaar 2014. Daar komt nog bij dat de werkgevers in 2010 [A] SA en [B] SA waren, terwijl in 2014 sprake is van een andere werkgever, namelijk [C] SA te Luxemburg. Ten onrechte heeft de Raad ook dat buiten beschouwing gelaten.
Daar komt nog bij dat is vastgesteld dat de brief van de Belastingdienst van 8 november 2006 over het jaar 2004 waarnaar de SVB in de brief van 17 december 2013 verwijst onvoldoende is om daaruit af te leiden dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op belanghebbende van toepassing is (zie r.o. 3.2.2.).
Cassatiemiddel VII
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb doordat de Raad in r.o. 3.5.9. overweegt dat de Sociale Verzekeringsbank heeft kunnen concluderen dat er over 2014 geen sprake is van bijzondere omstandigheden om tot regularisatie over te gaan en dat deze evenmin zijn gelegen in de overige omstandigheden die betrokkene heeft aangevoerd.
Toelichting
De Raad onderbouwt het oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om tot regularisatie over te gaan slechts met verwijzing naar r.o. 3.5.1. ter zake van het E106-formulier en dat betrokkene niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat de SVB in vergelijkbare andere gevallen weloverwogen een regularisatieprocedure is gestart.
Op de overige door betrokkene in de brief van 28 augustus 2019 aan de SVB en in de pleitnota van 7 november 2019 aangevoerde bijzondere omstandigheden is de Raad niet ingegaan, zodat het oordeel van de Raad onvoldoende is gemotiveerd. De Raad geeft geen enkel inzicht waarom de door belanghebbende gestelde en onderbouwde feiten en omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn voor regularisatie (art. 18 van Verordening 987/2009 jo. art. 16 Verordening 883/2004). Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel is de overweging dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de SVB in vergelijkbare andere gevallen weloverwogen een regularisatieprocedure is gestart, geldt dat die overweging onbegrijpelijk is omdat belanghebbende heeft aangegeven dat het gaat om Rijnvarenden in dezelfde omstandigheden waarbij wel regularisatie heeft plaatsgevonden. Omdat in andere zaken werd tegengeworpen dat de SVB dat niet kon natrekken bij gebrek aan BSN-nummers, is betrokkene ertoe overgegaan om de betrokken BSN-nummers van andere Rijnvarenden te noemen, zodat het voor de SVB eenvoudig is om na te trekken om welke gevallen het gaat. Het had derhalve op de weg van de SVB gelegen om aan te geven waarom die regularisaties dan niet ‘weloverwogen’ zouden hebben plaatsgevonden. Bovendien valt niet in te zien waarom ook al zou de SVB daar bij de andere Rijnvarenden niet weloverwogen over hebben beslist, belanghebbende dan ongelijk zou mogen worden behandeld.
Cassatiemiddel VIII
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 79 lid 1 RO) in het bijzonder art. 8:77 Awb doordat de Centrale Raad van Beroep in r.o. 3.5.7. overweegt: ‘De Raad onderschrijft de stelling van de SVB dat geen sprake is van het met terugwerkende kracht toepassen van nieuw beleid ten aanzien van het al dan niet meewerken aan regularisatie. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3820.’
Toelichting
Dit cassatiemiddel wordt aangevoerd ter zake van 2014, voor zover r.o. 3.5.7. daarop betrekking heeft. In de gronden van het hoger beroep van 14 juni 2018 heeft betrokkene uitvoerig aan de hand van de Beleidsregels zoals die van tijd tot tijd golden, onderbouwd dat sprake is van een nieuw beleid ter zake van regularisatie van de SVB ten opzichte van het criterium dat er meer dan voorheen rekening mee moet worden gehouden dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. De Beleidsregels 2012 en 2013 geven (nog) aan dat regularisatie niet plaatsvindt indien sprake is van fraude. Vaststaat dat daarvan in onderhavig geval geen sprake is. Wanneer de SVB het nieuwe criterium is gaan hanteren is niet duidelijk en wordt door de SVB ook niet duidelijk gemaakt. Het moet ervoor worden gehouden dat regularisatie over de periode waar het hier om gaat alleen dan niet plaatsvindt indien sprake is van fraude. Een later geformuleerd beleid kan aan belanghebbende niet worden tegengeworpen.
Dit geldt temeer waar eerst Nederland en daarna Luxemburg met regularisatie in een eerder stadium reeds akkoord zijn gegaan. Verwezen wordt naar de gronden van de hoger beroepen van 14-06-2018 pag. 3, laatste 3 alinea's en pag. 4, eerste 6 alinea's.
Mitsdien:
Het U Edelhoogachtbaar College behage het cassatieberoep gegrond te verklaren, de uitspraak van de enkelvoudige Kamer van de Centrale Raad van Beroep, zaaknummers: CRvB 18/1611,18/1612, 18/1613,18/1788 en 18/1789 AOW R017 97 van 12 maart 2020, te vernietigen en te beslissen dat over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 en over de periode van 01-01-2014 t/m 31-10-2014 op verzoeker niet het Nederlands sociaal verzekeringsrecht van toepassing is maar het Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht, althans dat de Sociale Verzekeringsbank dient mee te werken aan regularisatie op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag althans artikel 16 van Vo 883/2009, althans aan verzoeker een schadevergoeding toe te kennen, alles met toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaar-, beroep-, hoger beroep- en cassatieprocedure.
Conclusie 07‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Rijnvarende in dienst van Luxemburgs uitzendbureau werkt voor Nederlandse scheepsexploitant en is verzekerd in Nederland, maar zijn werkgever heeft ten onrechte premies in Luxemburg betaald; Svb weigert een uitzonderingsprocedure ex art. 16 Vo. (EG) 883/2004 met Luxemburg. Is dat een appellabele beschikking? Gaat de Hoge Raad over zo’n weigering, gegeven de beperkte cassatiecontrole (art. 6 jo. 53 AOW)? Feiten: De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van een rijnvaartschip, dat volgens hem in Luxemburg werd geëxploiteerd. In Luxemburg zijn toen sociale-verzekeringspremies voor hem betaald. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd, waardoor ook premies zijn geheven in Nederland. De belanghebbende heeft de Svb verzocht om, zo nodig op basis van de uitzonderingsprocedure van (art. 13 RVV of) Verordening (EG) 883/2004, te bepalen dat hij uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies verschuldigd was in Nederland. De Svb heeft de verzoeken voor 2010 en 2011 opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft die afgewezen omdat geen nieuwe feiten bleken en die eerder besluiten evenmin onjuist waren. Het verzoek om een uitzonderingsprocedure is (ook) voor de overige jaren afgewezen. De daartegen gerichte bezwaren zijn ongegrond verklaard. Geschil: naast diverse klachten waarop de conclusie niet ingaat: heeft de Svb de verzoeken om een uitzonderingsprocedure met Luxemburg terecht afgewezen? De Rechtbank Rotterdam meent dat de Svb de (herzienings)verzoeken over tijdvakken na 1 mei 2010 (inwerkingtreding Vo. (EG) 883/2004), had moeten doorzenden naar Luxemburg. De belanghebbende wilde immers toepassing van de Luxemburgse wetgeving; de Svb was derhalve niet bevoegd het verzoek in behandeling te nemen. De Centrale Raad van Beroep daarentegen stelde de Svb in het gelijk. De belanghebbende stelt acht cassatiemiddelen voor. A-G Wattel gaat alleen in op de klachten wordt over de afwijzing door Svb van het verzoek om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met Luxemburg te openen over de sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijst hij naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor de acht arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.). A-G Wattel meent dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ de Hoge Raad geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om een uitzonderingsprocedure met een andere Rijnoeverstaat in te leiden een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende, nu dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van Nederlandse verzekeringsplicht volgens de door de rechter te interpreteren aanwijsregels. Vast staat dat de op basis van art. 16 Vo. 883/2004 gesloten Rijnvarendenovereenkomst (RVO) Nederland aanwijst als exclusief bevoegd. De wetsgeschiedenis noch de rechtspraak van de Hoge Raad over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de uitleg van de rechtsregels die de verzekeringsplicht ex de RVO bepalen. Belanghebbende wenst dat voor hem een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. De vraag of dat opportuun is, is volgens A-G Wattel een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat. Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt het cassatieberoep de A-G op dit punt ook om die reden niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Bij de conclusie is een bijlage gevoegd die ook gaat bij de zaak 20/01343 (over het regime ná 1 mei 2010) en waarin de gemeenschappelijke aspecten van de zaken worden behandeld: (i) het ‘besluit’-begrip; (ii) de uitzonderingsprocedure onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag en onder het nieuwe regime van Vo. (EG) 883/2004; (iii) de beperkte cassatienogelijkheden in sociale-verzekeringszsken en (iv) de rechtspraak van de Afdeling BRvS over verzoeken van belastingplichtigen om opening van een mutual agreement procedure onder belastingverdragen. Conclusie: cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg een uitzondering overeen te komen en voor het overige ongegrond, onder verwijzing naar de arresten van 10 juli 2020, HR BNB 2020/142, en/of art. 81 Wet RO.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01343
Datum 7 april 2021
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Verzekeringsplicht onder de Algemene ouderdomswet (AOW) – 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014
Nr. Centrale Raad van Beroep 18/1611;18/1612;18/1613;18/1788;18/1789
Nr. Rechtbank 17/3142, 17/3207 en 17/3208
CONCLUSIE
P.J. Wattel
in de zaak van
[X]
tegen
De Sociale Verzekeringsbank
1. Overzicht
1.1
De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van een rijnvaartschip, dat volgens hem in Luxemburg werd geëxploiteerd. In Luxemburg zijn toen sociale-verzekeringspremies voor hem afgedragen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd. Daarom zijn over dezelfde periode ook premies geheven in Nederland.
1.2
De belanghebbende heeft de Svb verzocht om, voor zoveel nodig met toepassing van art. 13 Rijnvarendenverdrag1.(RVV) (of art. 16 Vo. 833/2004, neem ik aan, voor zover het gaat om de perioden ná 1 mei 2010), te bepalen dat hij van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen premies verschuldigd was in Nederland. Voor 2010 en 2011 heeft de Svb dat verzoek opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft hij het afgewezen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die niet bekend waren toen die eerdere besluiten werden genomen, terwijl die besluiten evenmin onjuist zijn gebleken. Het verzoek om een overlegprocedure te starten is (ook) voor de overige jaren afgewezen.
1.3
De Svb heeft de tegen de afwijzingen gerichte bezwaren ongegrond verklaard, voor 2012 en 2014 omdat het schip in Nederland werd geëxploiteerd en voor 2013 omdat daarover een procedure bij de belastingrechter liep en de Svb de beleidsruimte heeft om niet in te gaan op verzoeken om overleg zolang de beslissing van de Belastingdienst niet rechtens onaantastbaar is en het dus nog helemaal niet duidelijk is of overleg zin heeft.Belanghebbendes beroepen zijn gedeeltelijk gegrond verklaard en diens hogere beroep op de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is ongegrond verklaard.
1.4
De belanghebbende stelt acht cassatiemiddelen voor, maar ik ga alleen in op de middelen (iii) en (iv), en alleen voor zover daarin geklaagd wordt over de afwijzing door Svb van het verzoek om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 overleg met Luxemburg te openen over zijn sociale-verzekeringsplicht. Voor de overige klachten verwijs ik naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor uw acht arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/142 enz.2.).
1.5
Bij deze conclusie hoort een bijlage die ook gaat bij zaak 20/00987 waarin ik vandaag eveneens concludeer. Die zaak 20/00987 speelt zich af onder het oude regime van (art. 13 van) het Rijnvarendenverdrag (tot 1 mei 2010) en de onderhavige zaak onder het nieuwe regime van de op basis van art. 16 Vo. 883/2004 gesloten Rijnvarendenovereenkomst (RVO) (vanaf 1 mei 2010). In die bijlage behandel ik de voor beide zaken relevante gezichtspunten (Beschikking? Appellabel? Vatbaar voor cassatie? En vergelijking met twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de weigering van een mutual agreement procedure onder een belastingverdrag met die andere Staat).
1.6
Ik concludeer dat de cassatiebepalingen in de artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ u geen rechtsmacht geven om te oordelen over (i) de vraag of een weigering om een uitzonderingsprocedure met een andere Rijnoeverstaat in te leiden een appellabel besluit is, noch over (ii) CRvB-uitspraken over een weigering van de Svb om op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 een uitzonderingsprocedure met een andere Staat te starten ten behoeve van een Rijnvarende omdat dat geen besluit is over het al dan niet bestaan van Nederlandse verzekeringsplicht volgens de door de rechter te interpreteren aanwijsregels, nu vaststaat dat de RVO exclusief Nederland aanwijst als bevoegd. De wetsgeschiedenis noch uw rechtspraak over de betekenis van internationale regelingen voor de verzekeringsplicht nopen tot cassatiemogelijkheden, nu (i) geen risico bestaat van tegenstrijdige uitspraken van de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter en (ii) geen dispuut bestaat over de uitleg van de rechtsregels die de verzekeringsplicht ex de RVO bepalen. Belanghebbende wenst dat te zijnen behoeve een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende aanwijsregels van de RVO. Dat is mijns inziens een politieke of diplomatieke beleidsaangelegenheid en geen vraag over de uitleg of toepassing van een van de in de cassatiebepalingen genoemde artikelen over het bestaan van verzekeringsplicht ex de nationale wet of de RVO, over de uitleg waarvan in casu geen dispuut bestaat.
1.7
Ik meen daarom dat belanghebbendes cassatieberoep op het punt van de weigering van een uitzonderingsprocedure niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
1.8
Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen, lijkt mij zijn cassatieberoep op dit punt ook om die reden niet-ontvankelijk.
1.9
Ik geef u in overweging om belanghebbendes cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg in overleg te treden en voor het overige ongegrond te verklaren onder verwijzing naar uw arresten van 10 juli 2020, HR BNB 2020/1423.en/of art. 81 Wet RO.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Ik ga in deze conclusie alleen in op de vraag of u gaat over uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over beslissingen van de Svb om al dan niet in te gaan op een verzoek tot overleg met een andere Rijnoeverstaat over de vraag in welke Staat Rijnvarenden sociaal zijn verzekerd. Ik geef hier dan ook alleen de feiten weer die daarvoor van belang zijn. De andere vragen in deze procedure zijn mijns inziens reeds beantwoord in (de conclusies voorafgaand aan) uw arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/1424.enz.), althans stellen geen punten aan de orde waarop u uit een oogpunt van rechtsontwikkeling of rechtseenheid zou moeten ingaan.
2.2
De belanghebbende werkte van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 aan boord van het Rijnvaartschip ‘ [D] ’. Volgens hem werd [D] toen door vennootschappen in Luxemburg geëxploiteerd. In Luxemburg zijn in die periode premies volksverzekeringen voor hem afgedragen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) acht hem echter in Nederland verzekerd omdat de exploitant volgens de Svb in Nederland is gevestigd. Van de belanghebbende zijn daarom over dezelfde periode ook premies geheven in Nederland.
2.3
Bij brief van 1 juli 2016 heeft de belanghebbende de Svb verzocht om, voor zoveel nodig met toepassing van art. 13 Rijnvarendenverdrag5.(RVV) (c.q. art. 16 Vo. 833/2004, voor over het gaat om periodend ná 1 mei 2010, neem ik aan), te bepalen dat de belanghebbende van 1 januari 2010 t/m 31 oktober 2014 uitsluitend sociaal verzekerd was in Luxemburg en geen sociale verzekeringspremies verschuldigd was in Nederland. Voor 2010 en 2011 heeft de Svb dat verzoek opgevat als een verzoek om herziening van eerdere Svb-besluiten omtrent de verzekeringsplicht en heeft hij het afgewezen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die niet bekend waren toen die eerdere besluiten werden genomen, terwijl evenmin is gebleken dat die besluiten onjuist waren. Het verzoek om een overlegprocedure te starten is (ook) voor de overige jaren afgewezen.
2.4
De Svb heeft de bezwaren tegen de afwijzingen ongegrond verklaard, voor 2012 en 2014 omdat [D] toen eigendom was van de in Nederland gevestigde [E] , die het schip ook exploiteerde; voor 20136.omdat de belanghebbende bezwaar en beroep had ingesteld tegen de vaststelling van zijn verzekerings- en premieplicht door de Belastingdienst en de Svb de beleidsruimte heeft om niet in te gaan op verzoeken om onderling overleg zolang de beslissing van de Belastingdienst niet rechtens onaantastbaar is en dus nog helemaal niet duidelijk is of overleg een voorwerp heeft.
Uitspraken Rechtbank Rotterdam
2.5
Over de herzieningsverzoeken heeft de Rechtbank Rotterdam7.geoordeeld dat een verzoek om een uitzondering op de toewijzingsregels van artt. 11 t/m 15 van Verordening (EG) 883/2004 (Vo. 883/2004) moet worden ingediend bij de bevoegde autoriteit of lidstaat waarvan de toepassing van socialezekerheidswetgeving wordt verzocht. Nu de belanghebbende toepassing van de Luxemburgse wetgeving wil, was de Svb niet bevoegd hat verzoek in behandeling te nemen; de Svb had het verzoek, voor zover ziende op de periode na 1 mei 2010 (toen Vo 883/2004 in werking trad), moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Voor zover het beroep ziet op de periode na 1 mei 2010 is het dus gegrond. Voor wat betreft de tijdvakken vóór 1 mei 2010 heeft de Svb zich volgens de Rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordeden die herziening zouden rechtvaardigen. Belanghebbendes herzieningsverzoek voor de tijdvakken vóór 1 mei 2010 is op goede gronden afgewezen.
2.6
Ook ter zake van de afwijzing van het verzoek om overleg met Luxemburg over 2012 te initiëren achtte de Rechtbank Rotterdam8.belanghebbendes beroep gegrond omdat de Svb het verzoek haars inziens had moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten. Zij overwoog:
“5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om een regularisatieovereenkomst te sluiten.
5.1.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat op 1 mei 2010 Verordening (EG) nr. 883/2004 in werking is getreden, ter vervanging van Verordening (EG) nr. 1408/71. Artikel 16 van deze Verordening biedt lidstaten de mogelijkheid om – kort gezegd – uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 van de Verordening vast te stellen in het belang van bepaalde groepen of personen. De op 23 december 2010 tussen de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland vastgestelde “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op de Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (de Rijnvarendenovereenkomst) bepaalt dat op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing is van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsactiviteit verricht (artikel 1, aanhef, en onder c in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst).
5.2.
Artikel 18 van Toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt dat een verzoek van de werkgever of een betrokkene om een uitzondering te maken op de artikelen 11 tot en met 15 van Verordening 883/2004 wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit of lidstaat waarvan de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving wordt verzocht.
5.3.
Gelet op de exclusieve aanwijsregels in de Rijnvarendenovereenkomst en de omstandigheden in het geval van eiser moet in de perioden hier in geding de Nederlandse wetgeving worden beschouwd als de wetgeving waarmee de beroepsactiviteit van eiser het nauwst is verbonden. Nu eiser evenwel toepassing vraagt van de Luxemburgse wetgeving had verweerder het regularisatie-verzoek moeten doorzenden aan de Luxemburgse autoriteiten, gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van Verordening 883/2004 en artikel 18 van de Toepassingsverordening. Verweerder was niet bevoegd om zelf dit verzoek in behandeling te nemen. Dat verweerder, gelet op de lopende procedure in de fiscale kolom, nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het verzoek van eiser maakt dat niet anders.
Verweerder stelt zich nog op het standpunt dat het in het voordeel van eiser is dat het verzoek, voor zover dat ziet op de periode vanaf 1 mei 2010, al door haar inhoudelijk is beoordeeld, nu een regularisatieverzoek aan de Luxemburgse autoriteit uiteindelijk in het kader van overleg over een eventueel te sluiten overeenkomst door verweerder aan dezelfde beleidsuitgangspunten zal worden getoetst. Hiermee miskent verweerder dat hij niet bevoegd is om een beslissing te nemen op het verzoek van eiser. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheid om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht dit gebrek te passeren.
2.7 5.4.
5.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder wordt opgedragen om het verzoek van eiser door te zenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteit.”De Rechtbank9.heeft ook het beroep inzake het verzoek om een overlegprocedure voor 2013 en 2014 gegrond verklaard, op dezelfde gronden als het beroep over 2012 (zie 2.6).
De Centrale Raad van Beroep10.
2.8
Ter zake van het herzieningsverzoek heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verwezen naar vaste rechtspraak inhoudende dat als een bestuursorgaan art. 4:6(2) Awb (herhaalde aanvraag) toepast, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich zorgvuldig voorbereid, deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen. Maar ook als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter op basis van de beroepsgronden oordelen dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.11.De CRvB stelt vast dat de belanghebbende geen rechtsmiddelen heeft gebruikt tegen de besluiten ter zake waarvan hij herziening vraagt, hoewel hij dat had kunnen doen. De Svb heeft volgens de CRvB het herzieningsverzoek daarom op goede gronden afgewezen.
2.9
Ter zake van het verzoek om voor andere jaren dan 2010 en 2011 een uitzonderings-procedure met Luxemburg te starten (de CRvB heeft het over een verzoek om een “regularisatieovereenkomst”), onderkent de CRvB dat zo’n verzoek voor tijdvakken na 1 mei 2010 in Luxemburg moet worden ingediend (art. 18 Vo. (EG) 987/2009). Dit wil volgens de CRvB echter niet zeggen dat alleen de Luxemburgse autoriteiten bevoegd zijn om op het verzoek te beslissen. Aangezien het verzoek strekt tot het sluiten van een overeenkomst, moet ook de Nederlandse bevoegde autoriteit besluiten al dan niet mee te werken aan het verzoek. Zo’n besluit is op rechtsgevolg gericht, zodat de Rechtbank de desbetreffende Svb-besluiten ten onrechte wegens onbevoegdheid van de Svb heeft vernietigd. De CRvB vat de Svb-besluiten op als weigering om mee te werken aan een regularisatieovereenkomst, ook als het verzoek door de Luxemburgse autoriteiten in behandeling wordt genomen. Deze besluiten kunnen en zullen dus inhoudelijk worden getoetst.
2.10
Bij die inhoudelijke toetsing heeft de CRvB belanghebbendes stelling verworpen dat de Svb ten onrechte de procedure van artt. 16 en 73 Vo. 987/2009 niet heeft nageleefd: belanghebbendes verzoek strekt immers tot een overeenkomst over al verstreken tijdvakken en is daarom niet aan te merken als een verzoek de toepasselijke wetgeving vast te stellen zoals voorzien in art. 16 Vo 987/2009.
2.11
Op de periode 1 januari 2012 t/m 31 oktober 2014 is de Rijnvarendenovereenkomst12.(RVO) van toepassing. Art. 4 RVO bepaalt dat op Rijnvarenden niet (gelijktijdig) de sociale-zekerheidswetgeving van meer dan één Staat van toepassing is. Verder is op grond van de in die bepaling opgenomen aanwijsregels de sociale-zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip gevestigd is waarop de Rijnvarende arbeid verricht. Ingevolge art. 16(1) Vo 883/2004 kunnen de bevoegde autoriteiten van twee of meer lidstaten al dan niet op verzoek een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat ten behoeve van bepaalde Rijnvarenden uitzonderingen worden gemaakt op de aanwijsregels in de RVO. Dat is een discretionaire bevoegdheid, waarin de bevoegdheid om een verzoek daartoe af te wijzen besloten moet worden geacht.
2.12
Over 2013 overwoog de CRvB dat de fiscale procedure over dat jaar ten tijde van de afwijzing het overlegverzoek nog niet was afgerond en dat de Svb in vaste praktijk afwijzend beslist op verzoeken om overleg te starten met het oog op een regularisatie-overeenkomst als bij de belastingrechter nog een procedure loopt over de toepasselijke wetgeving. De CRvB acht dit beleid niet onredelijk.13.In dit geding is niet gebleken van omstandigheden om in voor de belanghebbende gunstige zin af te wijken van het door de Svb gehanteerde beleid.
2.13
Voor wat betreft 2012 en de periode tussen 1 januari 2014 en 31 oktober 2014, constateert de CRvB dat de Svb de hem in art. 16 Vo. 883/2004 gegeven discretionaire bevoegdheid alleen pleegt te gebruiken als blijkt van bijzondere omstandigheden, waarbij niet omvattend is gedefinieerd wat daar onder moet worden verstaan. Duidelijk is wel dat de Svb bijzondere betekenis hecht aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of de Svb er “meer dan voorheen” rekening mee moest houden dat hij in Nederland verzekerd zou worden geacht voor de sociale-zekerheidswetgeving. Ook dit beleid acht de CRvB niet onredelijk.14.
2.14
Wat de Svb heeft aangevoerd, biedt volgens de CRvB geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de belanghebbende in 2012 er rekening mee had moeten houden dat hij in Nederland verzekerd was. Het ligt dan in de rede dat de Svb alsnog de Luxemburgse autoriteiten benadert met een verzoek om medewerking aan een “regularisatieovereenkomst” over 2012. Dit kan echter anders worden als de Svb aannemelijk maakt dat er over dit tijdvak bijzondere omstandigheden zijn die reden zijn om van “regularisatie” af te zien. Voor de overige jaren moest de belanghebbende uit een in 2013 door hem ontvangen afwijzing van “regularisatie” voor 2010 opmaken dat hij aangemerkt zou worden als in Nederland verzekerd.
3. Het geding in cassatie
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Raad van bestuur van de Svb heeft geen verweerschrift ingediend.
3.2
De belanghebbende stelt acht middelen voor die alle ook klagen over schending van art. 8:77 Awb (motiveringsgebreken). Het Hof heeft volgens de belanghebbende ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat:
(i) afwijzing van het herzieningsverzoek (besluit 1) niet evident onredelijk is;
(ii) de belanghebbende zich niet kan beroepen op de artt. 16 en 73 Vo. 987/2009: hij verzoekt wel degelijk vaststelling van het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht ex art. 16 Vo 987/2009; bovendien is die vaststelling niet afhankelijk van enig verzoek. De Svb had in 2010 een beslissing moeten nemen omdat de belanghebbende zich had gemeld bij het Luxemburgse zusterorgaan van de Svb, dat ex art. 81 Vo. 883/2004 dit verzoek had moeten doorzenden: dat de lidstaten de procedureregels niet naleven mag hem niet worden tegengeworpen (HvJ EU Sante Pasquini, ECLI:EU:C:2003:366);
(iii) toepassing van art. 16(1) Vo 883/2004 discretionair zou zijn.
(vi) het niet onredelijk zou zijn dat de Svb “regularisatieverzoeken” afwijst als bij de belastingrechter nog een procedure loopt over de vraag welke wetgeving geldt. Uit ECLI:NL:HR:2018:1752 volgt immers dat de fiscale kolom de sociale zekerheidskolom volgt.
(v) geen betekenis zou toekomen aan de Luxemburgse E106-verklaring.
(vi) het niet onredelijk zou zijn dat – voor wat betreft de periode 1 januari 2014 t/m 31 oktober 2014 de Svb een “regularisatieverzoek” afwijst als de belanghebbende op grond van correspondentie van de Nederlandse Belastingdienst of de Svb er rekening mee moest houden dat hij verzekerd en premieplichtig zou worden geacht in Nederland en niet blijkt van bijzondere omstandigheden die anders nopen;
(vii) de Svb kon oordelen dat er voor 2014 geen bijzondere omstandigheid is gebleken die tot regularisatie noopt.
(viii) nieuw beleid niet met terugwerkende kracht wordt toegepast bij het al dan niet meewerken aan “regularisatie.”
4. Beoordeling
4.1
Net als de zaak met nr. 20/00987 waarin ik vandaag eveneens concludeer, is deze zaak alleen voor conclusie geselecteerd in verband met de klachten over de afwijzing door de Svb van het verzoek om met Luxemburg een uitzondering overeen te komen op basis van art. 16 Vo. (EG) 883/2004 (respectievelijk art. 13 Rijnvarendenverdrag). De zaak met nr. 20/00987 speelt zich af onder het oude regime van het Rijnvarendenverdrag (tot 1 mei 2010) en de onderhavige onder het nieuwe regime van art. 16 Vo. 883/2004 juncto de Rijnvarendenovereenkomst (vanaf 1 mei 2010). Ik ga om die reden alleen in op de middelen (iii) en (iv), en alleen voor zover daarin geklaagd wordt over de afwijzing van het verzoek om overleg met Luxemburg te openen over een uitzondering op de reguliere aanwijsregels. Voor de overige klachten verwijs ik naar de acht conclusies met gemeenschappelijke bijlage van 7 mei 2020 voor uw acht arresten van 10 juli 2020 (HR BNB 2020/14215.).
4.2
Het ‘besluit’-begrip zoals omschreven in art. 1:3 Awb (zie onderdelen 2.2 en 2.3 van de bijlage) bepaalt de toegang tot de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures. Verkeerde uitleg van art. 1:3 Awb wordt niet genoemd als voor cassatieberoep vatbaar in de cassatiebepalingen in de sociale-zekerheidswetten (artt. 53 AOW, 66 Anw, 31 AKW en 10.3.2 WLZ; zie onderdeel 4.1 van de bijlage). De vraag of de CRvB terecht de weigering van de Svb om overleg met Luxemburg te openen als besluit heeft aangemerkt en zo ja, of dat besluit dan appellabel is, staat daarom mijns inziens niet te uwer beoordeling.
4.3
Mocht u menen daar wél over te gaan, dan dient zich een rechtseenheidprobleem aan, nu de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eisen stelt aan een ‘besluit’-bevoegdheid op grond van inter- of supranationaal recht die de CRvB niet stelt, nl. dat de desbetreffende bepaling rechtstreeks werkt in de zin va art. 93 en 94 Grondwet (zie onderdeel 5 van de bijlage). Het is duidelijk dat art. 13 RVV en art. 16 Vo. 883/2004 niet “onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig (…) (zijn) om zonder meer als objectief recht in de nationale rechtsorde door de rechter te worden toegepast”, dus niet rechtstreeks werken, en daarom niet de door de Afdeling geëiste publiekrechtelijke bevoegdheidsgrondslag bieden om een appellabel ‘besluit’ te zien in de weigering om een uitzonderingsprocedure te beginnen, hoewel de CRvB die weigering wél ziet als appellabel. Ik zie niet meteen dat het op uw weg zou liggen dit rechtseenheidsprobleem op te lossen in een procedure zoals de onderhavige op basis van art. 53 AOW c.a.
4.4
4.5
Uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 4.3-4.6 van de bijlage) volgt dat die cassatiebepalingen in de sociale-verzekeringswetten bedoeld zijn om tegenstrijdige rechtspraak van rechterlijke instanties over dezelfde begrippen te voorkomen en aldus een rechtseenheidsrisico te beperken. Dat zich in casu zo’n rechtseenheidsrisico zou kunnen voordoen, ligt niet voor de hand: de beslissing over het al dan niet openen van overleg met andere Rijnoeverstaten over een uitzondering op de dwingende aanwijsregel van de RVO voor (bepaalde groepen van) werknemers ligt bij de Svb en in beroep bij de sociale-verzekeringsrechter en niet bij de belastingrechter. Het valt dan niet in te zien dat tegenstrijdige rechtspraak zou kunnen ontstaan tussen de belastingrechter en de sociale- verzekeringsrechter over de beslissing om al dan niet overleg met andere Rijnoeverstaten te beginnen over uitzonderingen op de exclusieve aanwijzing ex de RVO van (bepaalde groepen van) werknemers.
4.6
Uw rechtspraak opgenomen in de onderdelen 4.7-4.14 van de bijlage biedt mijns inziens evenmin steun aan de opvatting dat cassatieberoep zou (moeten) openstaan tegen uitspraken van de CRvB over zo’n weigering van interstatelijk overleg. Het gaat in casu immers, anders dan in die rechtspraak, niet om de uitleg van bepalingen van hoger dan nationaal recht die de verzekeringsplicht naar nationaal recht aanvullen of wijzigen. De RVO wijst immers precies even krachtig naar exclusieve verzekeringsplicht in Nederland als de Nederlandse nationale wetgeving doet. Er bestaat (ook) op basis van hoger recht geen twijfel over dat Rijnvarenden zijn verzekerd in de Staat van vestiging van de exploitant van het binnenvaartschip waarop zij werken, en dat is in casu kennelijk Nederland, al lijkt de CRvB, anders dan de Rechtbank, die vraag merkwaardigerwijs, althans voor 2012, niet expliciet te beantwoorden.
4.7
Cassatieberoep moet open staan voorzover uiteenlopende rechtspraak kan ontstaan tussen de sociale-verzekeringsrechter en de belastingrechter over met name het al dan niet bestaan van verzekerings- en daarmee premieplicht in Nederland, ook als dat bestaan mede bepaald wordt door inter- of supranationaal recht. Beslissend voor de vraag of cassatieberoep open staat is dus of het al dan niet starten van een uitzonderingsprocedure door de Svb met de autoriteiten van een andere EU-lidstaat invloed heeft op de uitleg van art. 6 AOW c.a. of van de stelselaanwijsregels in Vo. 1408/71, Vo. 883/2004, het RVV of de RVO. Ik meen dat dat niet het geval is, nu een uitzonderingsprocedure pas aan de orde komt nadat die aanwijsregels zijn uitgelegd en toegepast, en dus al vaststaat welke lidstaat exclusief bevoegd is, maar de betrokken lidstaten op die reguliere, uiteindelijk door de rechter te beslechten aanwijzing om beleidsmatige redenen wensen af te wijken. Wel kunt u ingrijpen als twee Staten een uitzondering zouden maken tegen de wil van de verzekerde(n) en deze stelt/stellen dat die uitzondering leidt tot een resultaat dat niet verenigbaar is met de genoemde inter- en supranationale rechtsregels, met name niet met rechtstreeks werkende grondrechtelijke bepalingen.
4.8
Hoe dan ook is de uitzonderingsbevoegdheid niet bedoeld om regulier in lidstaat A verzekerden te helpen shoppen naar een verzekeringsstelsel in enige lidstaat B dat hen om welke reden dan ook beter uitkomt dan het door de wet en EU-recht voor hen aangewezen stelsel.
4.9
Dat is echter wel wat de belanghebbende wil: hij wenst interstatelijk overleg omdat hij een uitzondering ex art. 16 Vo. 883/2004 wenst op de dwingende uitzondering die de Rijnvarendenovereenkomst zelf al is (ex art. 16) op de aanwijsregels van Vo. 883/2004. De vraag of twee Rijnoeverstaten het opportuun achten om een dergelijke uitzondering op de uitzondering overeen te komen, lijkt mij een diplomatieke, althans politieke vraag, althans geen door de rechter te beslissen rechtskundige vraag. Het is mijns inziens geen vraag van uitleg, toepassing of EU- of volkenrechtelijke overriding van een van de in de cassatiebepalingen genoemde nationaalrechtelijke wetsartikelen die de verzekeringsplicht bepalen. Alle rechtsregels, ook de inter- en supranationale, wijzen immers naar Nederland.
4.10
Ik meen daarom dat ook als de feitenrechter het weigeringsbesluit als appellabel kon aanmerken en op onredelijkheid en willekeur kon toetsen, de cassatierechter er niet over gaat, gezien de beperkingen van art. 53 AOW c.a. Hoe dan ook kan de rechter – ook de feitenrechter – niets rechtskundigs zeggen over de voorwaarden of (wenselijke) uitkomst van overleg over een uitzonderingsprocedure, met name niet over de (wenselijke) bereidheid of de inhoudelijke mérites van de standpunten van de andere Staat.
4.11
Het cassatieberoep van de belanghebbende moet mijns inziens daarom op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard. De genoemde cassatiebepalingen geven u mijns inziens geen rechtsmacht om te oordelen over de (oordelen van de CRvB over de) opportuniteit van beslissingen van de Svb om al dan niet in te gaan op de wens van een of meer Rijnvarenden om in een andere Staat verzekerd te zijn dan de dwingend en exclusief door art. 16 Vo 883/2204 juncto de Rijnvarendenovereenkomst aangewezen Staat.
4.12
Dit zou anders kunnen zijn als tussen twee of meer Rijnoeverstaten onenigheid zou bestaan over de vraag of – in termen van mutual agreement procedures - wel in accordance with de Rijnvarendenovereenkomst is gehandeld. Zouden twee of meer Staten menen dat de door de Rijnvaartverklaring aangewezen scheepsexploitant in hun jurisdictie is gevestigd, dan wordt de reguliere verzekeringsplicht ex de RVO wél (mede) bepaald door (de uitkomst van) een overlegprocedure daarover en zou tegen een uitspraak over een besluit over die overlegprocedure wellicht wel cassatie open moeten staan. Maar dan gaat het niet om een discretionaire uitzondering op de RVO, maar om de vraag welke Staat dwingend regulier door de RVO wordt aangewezen (dat kan men wél ‘regularisatie’ noemen). U gaat er echter van uit16.dat een dergelijk twijfelpunt niet kan bestaan omdat de RVO steeds eenduidig naar één Staat - die van de scheepsexploitant - wijst en niet voorziet in een onderling-overlegprocedure, maar wellicht is het toch denkbaar dat ten onrechte twee Rijnvaartverklaringen zijn afgegeven, of géén Rijnvaartverklaring, althans niet één waarop de (vestigingsplaats van de) exploitant vermeld wordt.
4.13
Wat daarvan zij: in casu bestaat geen geschil tussen Nederland en Luxemburg over de vraag waar de scheepsexploitant is gevestigd en dus evenmin over de plaats van de verzekeringsplicht. Beide Staten menen dat Nederland wordt aangewezen door de RVO. Het werkelijke probleem is dat de belanghebbendes of zijn toenmalige werkgever hem ten onrechte in Luxemburg in plaats van in Nederland als verzekerd heeft aangemeld en ten onrechte in Luxemburg in plaats van in Nederland premies heeft betaald. Dat is geen probleem van uitleg van rechtsregels die de verzekeringsplicht bepalen. De belanghebbende wil in wezen dat de bevoegde Staat zich aanpast aan het wellicht bewust onjuiste gedrag van zijn toenmalige werkgever of diens adviseurs in de onbevoegde Staat, die kennelijk niet zat op te letten of er geen belang bij had om op te letten bij aanmelding als sociaal verzekerd van wat toch een opvallend groot aantal niet-ingezeten Rijnvarenden moet zijn geweest.
4.14
Voor zover de belanghebbende behoort tot de groep Rijnvarenden waarvoor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën een unilaterale premie-ontdubbelingsregeling hebben getroffen (zie onderdeel 3.20 van de bijlage), lijkt mij zijn cassatieberoep op dit punt om die reden al niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang.
5. Conclusie
Ik geef u in overweging om belanghebbendes cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover ziende op de afwijzingen van de Svb om met Luxemburg in overleg te treden en voor het overige ongegrond te verklaren onder verwijzing naar uw arresten van 10 juli 2020, HR BNB2020/142 en/of art. 81 Wet RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑04‑2021
Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 27 juli 1950, Trb. 1953, 76, voor Nederland in werking op 1 juni 1953. Bij het Rijnvarendenverdrag waren partij: Nederland, Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Zwitserland. Het Rijnvarendenverdrag is herzien op 30 november 1979 bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Genève, 30 november 1979, Trb. 2009, 42.
HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.7 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel , NLF 2020/1706, noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars, HR 10 juli 2020, nr. 19/04609, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:235), ECLI:NL:HR:2020:1151, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.6 met noot, NTFR 2020/2179, NLF 2020/1705, noot Van de Ven, BNB 2020/144 met noot Kavelaars, FED 2020/128, noot Kramer; HR 10 juli 2020, nr. 19/02988, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:446), ECLI:NL:HR:2020:1235, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel; HR 10 juli 2020, nr. 19/04566, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:238), ECLI:NL:HR:2020:1236, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2178; HR 10 juli 2020, nr. 19/04565, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:511), ECLI:NL:HR:2020:1237, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2178, NLF 2020/1704, noot Van de Ven, BNB 2020/143 met noot Kavelaars; HR 10 juli 2020, nr. 19/04567, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:239), ECLI:NL:HR:2020:1238, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.35.20, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel, FED 2020/127, noot Kramer; HR 10 juli 2020, nr. 19/04698, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:244), ECLI:NL:HR:2020:1242, FutD 2020-2044 met noot, V-N 2020/34.35.21, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel; HR 10 juli 2020, nr. 19/04835, na conclusie Wattel (ECLI:NL:PHR:2020:237), ECLI:NL:HR:2020:1244, FutD 2020-2044 met noot, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel.
HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.
HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.
Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden van 27 juli 1950, Trb. 1953, 76, voor Nederland in werking op 1 juni 1953. Bij het Rijnvarendenverdrag waren partij: Nederland, Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Zwitserland. Het Rijnvarendenverdrag is herzien op 30 november 1979 bij het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien), Genève, 30 november 1979, Trb. 2009, 42.
Aanvankelijk stelde de Svb zich voor 2014 op hetzelfde standpunt als voor 2013, maar tijdens de procedure bij de rechtbank stelde de Svb nader dat voor 2014 de motivering voor 2012 geldt omdat voor 2014 niet is gebleken van een procedure bij de Belastingdienst.
Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018, nr. ROT 17/3142, ECLI:NL:RBROT:2018:1202.
Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018, nr. ROT 17/3207, ECLI:NL:RBROT:2018:1198. Op 5 maart 2018 heeft de Rechtbank de uitspraak van 20 februari 2018 gerectificeerd (ECLI:NL:RBROT:2018:2934) “omdat de rechtbank is gebleken dat die uitspraak een ruimere bespreking van de beroepsgronden bevat dan strikt noodzakelijk.” Het hier opgenomen citaat is vernummerd, maar voor het overige onveranderd.
Rechtbank Rotterdam 20 februari 2018,nr. ROT 17/3208, ECLI:NL:RBROT:2018:1200.
CRvB 12 maart 2020, nrs. 18/1611 AOW, 18/1612 AOW, 18/1613 AOW, 18/1788 AOW en 18/1789 AOW, ECLI:NL:CRVB:2020:654.
De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449.
De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3578 en ECLI:NL:CRVB:2016:3556, herhaald in zijn uitspraak van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634.
De CRvB verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3820.
HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044 met noot Fiscaal up to Date, V-N 2020/34.7 met noot van de redactie, NTFR 2020/2177 met noot Van Schendel , NLF 2020/1706 met noot Van de Ven, BNB 2020/142 met noot Kavelaars.
HR 10 juli 2020, nr. 19/04564, ECLI:NL:HR:2020:1150, FutD 2020-2044, V-N 2020/34.7, NTFR 2020/2177, noot Van Schendel , NLF 2020/1706, noot Van de Ven, BNB 2020/142 noot Kavelaars, r.o. 4.3.4-4.3.6.