HR, 13-05-2011, nr. 10/03320
ECLI:NL:HR:2011:BP4800
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-05-2011
- Zaaknummer
10/03320
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BP4800
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Burgerlijk procesrecht / Cassatie
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP4800, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑05‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4800
ECLI:NL:PHR:2011:BP4800, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑02‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4800
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑07‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑05‑2011
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Overschrijding van de in art. 990 Rv. bepaalde cassatietermijn van een maand na de dag waarop de beschikking van hof over tenuitvoerlegging van in vreemde Staat tot stand gekomen titel is gegeven.
13 mei 2011
Eerste Kamer
10/03320
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Gouda,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en het LBIO.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 99825 / KG RK 09-64 van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.046.426 van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het LBIO heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principaal en van het incidenteel beroep
3.1 [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof van 27 april 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] de beschikking van de rechtbank vernietigd en het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld.
3.2 Ingevolge het te dezen toepasselijke art. 990 Rv. bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie een maand na de dag waarop de beschikking van het gerechtshof is gegeven. Het voormelde Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv.). Het principaal cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld.
3.3 Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] en het LBIO niet-ontvankelijk in hun beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 mei 2011.
Conclusie 11‑02‑2011
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
Conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
Edelhoogachtbaar College,
1.
Verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een beschikking van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009 vernietigd en thans verweerder in cassatie, hierna: het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, hierna: het Verdrag, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld.
2.
Het LBIO heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van [verzoeker] te verwerpen. Voorts heeft het LBIO van zijn kant incidenteel cassatieberoep ingesteld. [Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het incidenteel cassatieberoep van het LBIO te verwerpen.
3.
[Verzoeker] kan naar mijn oordeel wegens overschrijding van de cassatietermijn in zijn principaal cassatieberoep niet worden ontvangen. Ik licht dit als volgt toe.
4.
Bij gebreke van een regeling in het Verdrag zelf, is de procedure die gevolgd moet worden ter verkrijging van een verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing onder het Verdrag, de procedure die is geregeld in art. 985 e.v. Rv. Zie Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., art. 985, aant. 6 (P. Vlas). Zie ook art. VIII van het Verdrag.
5.
6.
De bestreden beschikking van het hof is gegeven op 27 april 2010. [Verzoeker] heeft zijn cassatieberoep aangebracht bij verzoekschrift dat op 26 juli 2010 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen. Het cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld.
7.
Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 nt. HER. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 148 en 214.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Beroepschrift 26‑07‑2010
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de man], wonende te [woonplaats], ten deze de verzoeker tot cassatie, hierna: de man, die voor deze zaak domicilie heeft gekozen te 2517 AC 's‑Gravenhage aan de Laan van Meerdervoort nr. 33 ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P. Garretsen, die zich als zodanig stelt en dit verzoekschrift tot cassatie ondertekent en indient.
1.
De man kan zich niet verenigen met de beschikking d.d. 27 april 2010 door de sector civiel recht van het Gerechtshof Arnhem onder zaaknummer 200.046.426 gegeven tussen de man als verzoeker in hoger beroep en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen LBIO gevestigd te Gouda, als verweerster in hoger beroep. Ten behoeve van het LBIO heeft zich als gemachtigde gesteld en is als zodanig ook in de procedure in hoger beroep opgetreden dhr. A.J. Jurriens, kantoorhoudende te Rotterdam (postbus 8901, 3000 AX).
2.
Bij brief d.d. 26 januari 2009 heeft de gemachtigde van het LBIO zich tot de rechtbank Almelo gewend met het verzoek exequatur het willen verlenen met betrekking tot het vonnis van de Supreme Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995, bij welk vonnis [de man] werd veroordeeld om ten behoeve van het kind [het kind], geboren op [geboortedatum] 1990 een onderhoudsbijdrage te voldoen van $ 613,00 per maand. Stellende dat [de man] een achterstand heeft laten ontstaan en stellende dat op 1 mei 2002 in werking is getreden de op 30 mei 2001 te Washington gesloten Overeenkomst tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika inzake geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud (Tractatenblad 2001, 117 en 134), en dat het LBIO voor Nederland als ontvangende instelling heeft te gelden, is het LBIO gekomen tot voormeld verzoek. Die rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2009 dat verlof tot tenuitvoerlegging verleend gerekend over de periode vanaf 1 mei 2002. In hoger beroep heeft het hof die beschikking vernietigd door het verlof te verlenen over de periode van 5 maart 2004 tot 13 december 2008; het hof verklaarde zijn beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
3.
De man stelt hierbij beroep in cassatie in tegen voormelde hof-beschikking, en draagt als middel van cassatie voor dat het hof het recht heeft geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften heeft verzuimd door te overwegen en te beslissen als in deze beschikking is weergegeven en verwoord (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband en samenhang dient te worden gelezen en beschouwd).
3.1.
Het gaat hier om de rov.n 4.2 tot en met 4.9 in deze beschikking, in samenhang met de slotsom onder 5 en de vervolgens gegeven beslissing onder 6. Gemeend wordt dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, waartoe na te melden uitwerkingen en toelichting.
3.2.
De man meent allereerst dat het LBIO heeft gehandeld in strijd met de openbare orde door geen vertalingen van de Amerikaanse stukken aan het exequatur-verzoek ten grondslag te leggen; indien en voor zover art. 986 leden 2 en 3 Rv (naar analogie) van toepassing zijn had laatstelijk het hof dienen (te onderzoeken en) vast te stellen dat de Amerikaanse stukken zodanig toegankelijk zijn dat hun vertaling niet nodig is. Die of zodanige vaststelling ontbreekt geheel.
3.3.
Het LBIO duidt in de brief d.d. 26 januari 2009 houdende haar verzoek aan de rechtbank onder meer als aangehecht stuk een verklaring dat het vonnis onherroepelijk is geworden; verwezen wordt dan naar het Certificate of Enforceability afgegeven op 31 mei 2006.
Echter dat Certificate bevat de navolgende tekst:
‘The Respondent was properly served with a summons initiating the action and provided the opportunity to appear in person or by representative and given the time to prepare a defense to the Petitioner's pleadings in accordance with the laws of this jurisdiction.
[ ] The Respondent, in person or by represenative, appeared in the proceedings.
[ ] Evidence of the service of process is attached because the order was entered after the failure of the Respondent to appear in the proceedings.’.
Geen van beide hokjes is evenwel ingevuld respectievelijk aangekruist, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [de man] niet is gehoord op de beslissing d.d. 31 mei 2006 van onherroepelijkheid, noch hem de betrekkelijke stukken vooraf zijn toegezonden noch anderszins hij daarvan vooraf op de hoogte is gesteld. Het LBIO heeft derhalve ten onrechte gesteld als zou hier sprake zijn van een onherroepelijke, voor tenuitvoerlegging vatbare titel waaromtrent het exequatur kan worden verleend. Gemeld Certificate is derhalve qua inhoud en betekenis rechtstreeks in strijd met de openbare orde.
3.4.
Het LBIO heeft niet aangetoond dat [de man] in 2006 van de procedure die tot voormeld Certificate heeft geleid, vooraf op de hoogte is gesteld dan wel dat dit Certificate nadien aan hem (in Nederland) is betekend aldus dat hem (mede) is gemeld dat en hoe hij nog een rechtsmiddel tegen dat besluit kon aanwenden en de periode waarbinnen verzet o.i.d. moest worden gedaan. Gelet op deze vormverzuimen kan door de Nederlandse rechter geen verlof tot tenuitvoerlegging worden verleend. Art. 4 van het Alimentatie-Executie Verdrag verzet zich aldus tegen het verlenen van exequatur. Laatstelijk het hof heeft ten onrechte anders beschikt.
3.5.
Het LBIO heeft niet verzocht om de beslissing tot het verlenen van het exequatur-verlof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Die rechtbank heeft derhalve ook niet die of zodanige beslissing gegeven. Het LBIO heeft daaromtrent niet (incidenteel) gegriefd. Het hof komt derhalve op rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke gronden tot zijn beslissing het verlof tot tenuitvoerlegging wel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.6.
Het dossier bevat naast hogergemeld Certificate een vijftal Engelstalige basis-documenten:
- —
Een stuk getiteld ‘Order and Judgement on Stipulation’ d.d. 14 mei 1991 waarbij de Superior Court of the State of Washington for King County voor zover hier van belang, op verzoek van de State of Washington heeft vastgesteld dat de man de natuurlijke vader is van [het kind], dat haarachternaam [achternaam] zal zijn en dat de man $ 50,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen met ingang van 1 juni 1991, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste dag van de maand. Die Order is ondertekend door de man en de moeder.
- —
Een stuk getiteld ‘Amended State's Petition for Support Modification van december 1994, waarbij een verhoging wordt verzocht van die bijdrage tot een bedrag ad $ 638,- per maand.
- —
Een stuk getiteld ‘Order of Child Support’ d.d. 14 april 1995, waarbij de man wordt veroordeeld tot betaling van een onderhoudsbijdrage van $ 332 vanaf november 1994 en een bedrag ad $ 613 gerekend vanaf mei 1995. In die Order wordt als (woon-)adres van de man aangehouden het adres [a-straat] [1] te [a-plaats]. De laatste bladzijde van die Order meldt met betrekking tot de man: ‘defaulted’.
- —
Een stuk getiteld ‘Acceptance of Service (ACSR)/Notice of Appearence (NTAPR)/Joinder (JN)’ d.d. 27 maart 1995, welk stuk de verklaring en handtekening van de man bevat.
- —
Een stuk getiteld ‘Certificate of Mailing’d.d. 3 juli 1995, waarin wordt aangegeven dat op 3 maart 1995 de man wordt toegezonden een afschrift van een zeker stuk ‘Amended Note for Motion Calendar; proposed Findings of Fact and Conclusions of Law; and proposed Order on Modification, in welk stuk evenzeer voormeld adres te [a-plaats] wordt vermeld.
De man heeft een GBA-uittreksel in het geding gebracht ten blijke daarvan dat hij in de betrokken periode waarin gemelde Order en dat Certificate of Mailing tot stand kwamen niet op dat adres woonachtig was c.q. stond ingeschreven; vgl. beroepschrift sub 13 en sub 22.
De man heeft voorts betoogd dat ten tijde van het wijzigingsverzoek van december 1994 dat gerecht naar (ook) Amerikaans recht verplicht was met betrekking tot het minderjarige kind een gerechtelijk vertegenwoordiger (naar Nederlands recht: een bijzonder curator) te benoemen teneinde zelfstandig de belangen van de minderjarige te bewaken. Ook heeft de man betoogd dat er geen echte hearing op of per 27 maart 1995 heeft plaatsgehad, en zoal daaromtrent anders moet worden geoordeeld, tenminste blijkt van ontbrekende stukken, van ontbrekende rechtsbijstand en de (ook daar) verplichte aanwezigheid van een tolk. De enkele acceptatie van het verzoek is aldus niet voldoende; in rov. 4.4, beschikking blz. 4 overweegt en oordeelt het hof ten onrechte anders, nu toch art. 6 van het Alimentatie-ExecutieVerdrag verlangt dat een termijn wordt gegeven voor verweer, hetgeen bepaaldelijk anders kan worden verstaan dan dat onder mededeling van die termijn, alsdan tevens mededeling wordt gedaan van de dag waarop het verzoek ten gronde zal worden behandeld, respectievelijk dat en hoe geheel schriftelijke afwikkeling mogelijk is. De —onweersproken — stellingen van de man laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat hem zodanige verweertermijn niet is gemeld of medegedeeld, en dat hem evenmin is gemeld wanneer de zaak inhoudelijk door het gerecht (mondeling of (voortgezet) schriftelijk) zou worden behandeld. Uitgaande van dit laatste had het hof derhalve de grief van de man gegrond dienen te verklaren.
De man herhaalt voorts zijn opmerking in eerste aanleg en in hoger beroep dat enkel een administratieve beslissing omtrent het vaderschap heeft plaatsgehad, en dat omtrent de daadwerkelijke vaststelling van het vaderschap geen gerechtelijk oordeel voorligt (dat voldoet aan de eisen van de Amerikaanse wet), zodat de man (nog steeds of onverkort) de bevoegdheid toekomt een beslissing van de rechter in Amerika waarbij dat vaderschap wordt vastgesteld of ontkend, uit te lokken. De man heeft immers gesteld dat in of bij een gerechtelijke procedure tot vaststelling van het vaderschap van rechtswege daarin (ook naar toenmalig Amerikaans recht) de Guardian ad Litum (naar Nederlands recht: die te duiden bijzonder curator) is betrokken, dat daarvan hier niet is gebleken, en dat in zoverre sprake is van een nietig besluit, in welk kader de man heeft verwezen naar de Amerikaanse zaak Santos/Custody of Brown. In zoverre kan dan ook geen sprake zijn van een onherroepelijk rechterlijk oordeel daaromtrent; zie het verweerschrift eerste aanleg sub 15 e.v. alsmede het beroepschrift sub 10, sub 13–15. De man heeft op basis daarvan betoogd dat art. 4 van het AlimentatieExecutie-Verdrag aldus verhindert dat verlof tot tenuitvoerlegging kan worden verleend.
3.7.
De verdere doorwerking regardeert rov. 4.5 in deze hof-beschikking. Immers reeds de omstandigheid dat de Order of Child Support afgegeven op 14 april 1995 met betrekking tot de man vermeldt ‘defaulted’, kan zulks toch bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat de gerechtelijke beslissing eerst nadien (na 27 maart 1995) is gegeven, en dat de man in die procedure niet was verschenen noch was vertegenwoordigd (respectievelijk Order blz. 6 en titelblad). Dit laatste heeft het hof niet onderkend en derhalve geheel miskend. Deze Order d.d. 4 april 1995 is derhalve wegens strijd met de openbare orde niet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar; het hof overweegt en oordeelt in rov. 4.5 slotzin aldaar ten onrechte anders.
3.8.
Hierboven is al aangegeven dat het Certificate of Enforceability van 31 mei 2006 alstoen niet is toegezonden of betekend aan de man; de man nam van dat stuk eerst kennis toen het LBIO de man bij exploot d.d. 5 maart 2009 opriep voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank Almelo, en aan dat exploot (en de brief vanuit dat LBIO) onder meer als productie dat Certificate was gehecht. Het vorenstaande impliceert vooreerst dat de man tot aan 5 maart 2009 onkundig was van die Order d.d. 4 maart 1995, zodat de man terecht — in het kader van een beroep op de openbare orde — zich mag beroepen op de redelijkheid en billijkheid die zich ertegen verzetten dat na verloop van zo lange tijd nog wordt ingevorderd; de man heeft daartoe (beroepschrift sub 23) zich beroepen op de beschikking van uw Hoge Raad van 19 april 1991, rekestnummer 7683, NJ 1991 nr. 592 met noot J.C. Schultz. Het hof negeert of passeert die uitspraak geheel, aldus ten onrechte. In rov. 4.7 van deze beschikking geeft het hof dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans -toepassing.
3.9.
Het hierboven vermelde werkt ook door in rov. 4.9, nu toch niet heeft kunnen blijken van eerdere stuitingshandelingen dan die bij gemeld exploot: het LBIO had de brief van 1 februari 2007 toegezonden naar een adres waar de man toen al niet meer woonachtig was. Het LBIO heeft immers ter zitting van het hof erkend die brief te hebben terugontvangen; ook de rappèl-brief, gezonden naar datzelfde adres, heeft het LBIO terugontvangen, met de vermelding dat het adres van de man niet bekend was. Daarna heeft het LBIO geen (nieuwe) aanmaningen meer gezonden. Zo al de man derhalve gehouden is tot betaling van een onderhoudsbijdrage, kan die periode enkel zien op het tijdvak van 5 maart 2004. In de Order zelf komen echter twee beëindigingstijdstippen voor (rov. 3.12 in die Order, blz. 4): het bereiken van het 18e levensjaar dan wel het afronden van High School. Bij gebreke van zijdens het LBIO verstrekte informatie moet het dus ervoor worden gehouden dat hier die bijdrageverplichting (inderdaad) eindigde op 13 december 2008.
3.10.
's Hofs overwegingen en oordelen zijn derhalve gebaseerd op gronden die deze overwegingen en de daarin vervatte oordelen niet kunnen dragen. De slotsom onder 5 en de beslissing onder 6 kunnen derhalve niet in stand blijven. Dat het hof zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, is hierboven reeds zelfstandig bestreden.
4.
Op grond van welke bepaling in Rechtsvordering een verzoek als het onderhavige mogelijk is, is door het LBIO ter gelegenheid van het verzoek niet geduid; de rechtbank en nadien het hof hebben aan dat aspect geen kennelijke aandacht besteed.
5.
Per de datum van indiening van dit verzoekschrift tot cassatie werd niet beschikt over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling voor het hof, zodat uitdrukkelijk het recht wordt voorbehouden dit verzoekschrift tot cassatie aan te vullen of te verbeteren indien de kennisneming van de inhoud van dat proces-verbaal hiertoe noopt.
WESHALVE de man zich wendt tot uw Hoge Raad der Nederlanden met het eerbiedig verzoek gemelde hof Arnhem-beschikking d.d. 27 april 2010 tussen partijen gegeven, te willen vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 26 juli 2010.
Advocaat