Rb. Rotterdam, 12-01-2024, nr. C/10/595811 / FA RK 20-3079
ECLI:NL:RBROT:2024:9388
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
12-01-2024
- Zaaknummer
C/10/595811 / FA RK 20-3079
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:9388, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 12‑01‑2024; (Beschikking)
Uitspraak 12‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vastgesteld en indexering met terugwerkende kracht toegepast.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/595811 / FA RK 20-3079
Beschikking van 12 januari 2024 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. G.B. van de Bunt te Putten,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J. el Hannouche te Amsterdam.
1. De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de beschikkingen van deze rechtbank van 10 juni 2021 en 3 februari 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;
- -
het bericht van de vrouw met bijlage van 21 maart 2023;
- -
het bericht van de man met bijlagen van 15 mei 2023;
- -
het bericht van de vrouw met bijlagen van 9 augustus 2023;
- -
het bericht van de man met bijlagen van 24 augustus 2023.
2. De (verdere) vaststaande feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te ' [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2] .
2.2.
Bij voorlopige voorzieningen beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2020 is - voor zover hier van belang – bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal verstrekken van € 50,-
per maand.
3. De verdere beoordeling
3.1.
Onderhoudsbijdragen
3.1.1.
De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 210,- per maand per kind,
en vaststelling van een uitkering in haar levensonderhoud (partnerbijdrage) van € 1.483,93 per maand.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De kinderbijdrage
De ingangsdatum
3.1.4.
De vrouw verzoekt primair de ingangsdatum te bepalen op 29 juli 2020, omdat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met de verzochte onderhoudsbijdrage, subsidiair met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 18 oktober 2021. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de ingangsdatum te bepalen op 24 augustus 2023.
3.1.5.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de kinderbijdrage. Vast staat dat bij voorlopige voorzieningen beschikking van 15 september 2020 een voorlopige kinderbijdrage aan de man is opgelegd van € 50,- per maand. De man ontving op dat moment een uitkering op grond van de Participatiewet. Uit de overgelegde jaarrekening 2022 blijkt dat de man op 2 maart 2021 de besloten vennootschap [naam vennootschap] (hierna: de B.V.) heeft opgericht. Uit de overgelegde salarisstroken blijkt dat de man op 1 april 2021 als directeur-grootaandeelhouder in dienst is getreden van de B.V. De man heeft vanaf dat moment een fors hogere draagkracht dan de draagkracht van € 50,- per maand waarmee in de voorlopige voorzieningen procedure rekening is gehouden. In beginsel zou het vaststellen van de kinderbijdrage met terugwerkende kracht per 1 april 2021 daarom gerechtvaardigd zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat het beide partijen niet kan worden verweten dat zij geen wijziging van de voorlopige voorzieningen beschikking hebben verzocht. Gebleken is dat het enige tijd op zich heeft laten wachten voordat de man de jaarcijfers van zijn boekhouder heeft verkregen. De rechtbank zal hier enigszins rekening mee houden. De ingangsdatum wordt daarom bepaald op 1 januari 2023. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de man niet heeft aangetoond dat hij vanwege het opleggen van een ingangsdatum in het verleden in financiële problemen komt. Ook is dit niet af te leiden uit de door de man overgelegde jaarstukken 2022.
De behoefte
3.1.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in 2020 in totaal € 664,- per maand bedroeg. Geïndexeerd naar het jaar 2023 bedraagt de totale behoefte van de minderjarigen € 721,- per maand.
Draagkrachtberekening
3.1.7.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.1.8.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2023-2.
3.1.9.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2023 op € 2.887,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 4.200,-.
Anders dan de vrouw stelt, zal de rechtbank geen rekening houden met de uitkering van dividend. In 2021 en 2022 heeft de B.V. geen dividend aan de man uitgekeerd. De man voert aan dat het gelet op het ondernemersrisico niet verstandig is om dividend uit te keren. Wel heeft hij zichzelf in 2023 een hoger salaris uitgekeerd. De rechtbank zal deze handelwijze van de man als directeur-grootaandeelhouder van de B.V. volgen en rekening houden met dit hogere basisloon en niet met enige dividenduitkering. Niet is gebleken dat de man vakantietoeslag ontvangt.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.1.10.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.930,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.175)] en bedraagt € 592,- per maand.
3.1.11.
De vrouw is de verzorgende ouder die een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm van een alleenstaande (al dan niet samen met een kindgebonden budget) ontvangt. Omdat zij de verzorgende ouder is, wordt gelet op het rapport van de Expertgroep Alimentatie geen draagkracht aangenomen. De rechtbank is, anders dan de man, van oordeel dat voor de vrouw niet uitgegaan kan worden van een verdiencapaciteit van € 2.400,- bruto per maand. Uit de door de vrouw overgelegde brief van Ares d.d. 8 maart 2023 blijkt dat zij tot 1 februari 2024 is vrijgesteld van enige arbeidsverplichting. Dat onbekend is waarom de vrouw vrijgesteld is van enige arbeidsverplichting, doet hier voor de rechtbank niet aan af.
Zorgkorting
3.1.12.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert verweer.
3.1.13.
Gezien de geldende zorgregeling, te weten de minderjarigen verblijven iedere zaterdag van 9.00 uur tot 19.00 uur bij de man, gaat de rechtbank ervan uit dat de man een dag per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 15%. Wanneer de zorgregeling in overleg met of in opdracht van de GI wordt uitgebreid, dan moeten partijen het percentage van de zorgkorting aanpassen.
3.1.14.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt in totaal € 128,- per maand, zodat de helft daarvan is € 64,- per maand.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was in totaal € 108,-, zodat resteert € 108,- - € 64,- = € 44,- per maand.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 592,- - € 44,- = € 548,-.
De aan de man op te leggen bijdrage wordt dus: € 548,- per maand, te weten € 183,- per maand per kind.
Conclusie
3.1.15.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2023 van € 183,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.1.16.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.1.17.
Op grond van artikel 1:402a lid 2 BW wordt een bij beschikking opgelegde bijdrage geïndexeerd per 1 januari volgend op de datum van de beschikking. Hoewel niet is verzocht om de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te indexeren, is de rechtbank van oordeel dat de onderhoudsbijdrage ambtshalve met terugwerkende kracht kan worden geïndexeerd in de gevallen dat de vastgestelde bijdrage lager is dan verzocht.
3.1.18.
Omdat in dit geval de vastgestelde onderhoudsbijdrage lager is dan verzocht, zal de rechtbank ambtshalve de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2024 verhogen gelijk aan de wettelijke indexering. Dit betekent dat de vastgestelde onderhoudsbijdrage na indexering wordt vastgesteld op € 194,- per maand per kind.
De partnerbijdrage
3.1.19.
Omdat de draagkracht van de man volledig wordt gebruikt voor de te betalen kinderbijdrage, heeft hij geen draagkracht om een partnerbijdrage aan de vrouw te betalen. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.
3.2.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen met ingang van 1 januari 2023 € 183,- per maand per kind en met ingang van 1 januari 2024 € 194,- per maand per kind;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 12 januari 2024. | ||
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.