Rechtbank Noord-Holland 20 februari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:2700 (schriftelijk uitgewerkt op 6 maart 2025).
HR, 21-11-2025, nr. 25/01910
ECLI:NL:HR:2025:1736
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2025
- Zaaknummer
25/01910
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1736, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:829
ECLI:NL:PHR:2025:829, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1736
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑05‑2025
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0084
GZR-Updates.nl 2025-0326
Uitspraak 21‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Verzuim geneesheer-directeur om betrokkene te informeren over voorbereiding verzoek zorgmachtiging en over mogelijkheid zich bij te laten staan door familielid of naaste bij opstellen van plan van aanpak (art. 5:4 lid 2 onder a en c Wvggz jo. art. 5:5 lid 1 Wvggz). Leidt dit tot niet-ontvankelijkheid officier van justitie of tot afwijzing verzoek zorgmachtiging? Is medische verklaring vereist indien rechter betrokkene op voet van art. 6:2 lid 3 Wvggz in gelegenheid stelt zelf plan van aanpak op te stellen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01910
Datum 21 november 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/361760 / FA RK 25/637 van de rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak is aan de orde of de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek om een zorgmachtiging indien de geneesheer-directeur de betrokkene niet heeft geïnformeerd over de voorbereiding van een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging (art. 5:4 lid 2, aanhef en onder a, Wvggz) en over de mogelijkheid om zich bij te laten staan door een familielid of naaste bij het zelf opstellen van een plan van aanpak bedoeld in art. 5:5 Wvggz (art. 5:4 lid 2, aanhef en onder c, Wvggz). Verder is aan de orde of de rechter, voordat hij kan beoordelen of met het plan van aanpak verplichte zorg kan worden voorkomen, zich moet laten voorlichten door de geneesheer-directeur en/of door een onafhankelijke psychiater in een medische verklaring.
2.2
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen als bedoeld in art. 6:4 Wvggz voor de duur van zes maanden. Bij het verzoekschrift zijn overgelegd (i) een zorgplan opgesteld door de zorgverantwoordelijke, (ii) een medische verklaring opgesteld door een onafhankelijke psychiater, (iii) de bevindingen van de geneesheer-directeur, en (iv) een blanco overzicht van eerder verleende machtigingen op grond van de Wvggz.
2.3
Een dag voor de mondelinge behandeling heeft betrokkene aan de rechtbank een plan van aanpak toegezonden met het verzoek om dit bij de beslissing te betrekken. Betrokkene schrijft daarin onder meer:
“Ik heb nooit een brief, e-mail of bericht ontvangen over de mogelijkheid om een plan van aanpak in te dienen tegen de zorgmachtiging. Ook heb ik geen informatie gekregen over de geneesheer-directeur. Dit hebben wij zelf ontdekt via Zorg in Dwang, wat ik onacceptabel vind. Parnassia heeft al meerdere keren fouten gemaakt, wat voor frustratie zorgt.
Ik wil graag weten waarom ik deze brief niet heb ontvangen en vraag bevestiging dat mijn plan van aanpak alsnog wordt meegenomen in de beoordeling.”
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling waren onder meer een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en een casemanager aanwezig. Zij hebben over het plan van aanpak blijkens het proces-verbaal het volgende verklaard:
“[de casemanager] verklaart:
Ik heb het plan van aanpak van betrokkene gelezen. De intenties zijn goed, er wordt beschreven dat er veel contact met het zorgteam zal zijn en dat de voorgeschreven medicatie zal worden ingenomen. Op zich staan wij achter die intenties, maar ik vraag me af of het feitelijk haalbaar [is].
(…)
[de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige] verklaart:
U vraagt naar mijn mening over het plan van aanpak.
Het plan van aanpak van betrokkene is op zich een goed plan, maar ik ben bang dat er dan toch weer andere dingen komen waardoor het niet gaat lukken. Wij hebben onze twijfels of betrokkene zijn medicatie vrijwillig gaat innemen en in de juiste dosering. Het afgelopen jaar hebben wij dat al een paar keer geprobeerd maar dat is steeds mislukt. Betrokkene heeft eind vorig jaar bovendien gezegd dat hij uit de zorg wil. Dat baart mij zorgen voor zijn gezondheid en de toekomst. Daarnaast uit betrokkene soms dreigementen. Er wordt dan gesuggereerd dat er dingen gaan gebeuren als er een zorgmachtiging komt.”
2.5
De rechtbank heeft direct na de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan en de verzochte zorgmachtiging verleend.1.Daartoe heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen:
“Het formele verweer van de advocaat
2.1.
Namens betrokkene heeft de advocaat in zijn e-mail van 19 februari 2025 en ter zitting primair het verweer opgeworpen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Daartoe is aangevoerd dat artikel 5:5, eerste lid, van de Wvggz is geschonden en betrokkene daarmee het recht is ontnomen om verplichte zorg door middel van het opstellen van een plan van aanpak te voorkomen. Niet alleen ontbreekt in het dossier een afschrift van een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene, waarin hem wordt medegedeeld dat een zorgmachtiging wordt voorbereid en hem de mogelijkheid wordt geboden aan de geneesheer-directeur te kennen te geven een plan van aanpak te willen opstellen, ook stelt betrokkene geen brief van de geneesheer-directeur te hebben ontvangen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire verweer geen doel treft. Zij overweegt daartoe als volgt. Of de brief van de geneesheer-directeur aan de betrokkene is verzonden en ook is aangekomen, kan niet zonder meer door de rechtbank worden vastgesteld. Daar komt bij dat ingevolge artikel 5:17, derde lid, van de Wvggz genoemde brief niet behoort tot een van de bescheiden die bij het verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging van de officier van justitie dienen te worden gevoegd. Bovendien is het antwoord op voornoemde vraag niet relevant, want als is verzuimd de brief naar betrokkene te verzenden – zoals de advocaat stelt – leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar verzoek, maar hooguit tot afwijzing van het verzoek omdat betrokkene de mogelijkheid is ontnomen om zelf een plan van aanpak op te stellen.
2.3.
Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank verder van oordeel dat in dit geval ook voor afwijzing van het verzoek geen aanleiding is, omdat betrokkene voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat [betrokkene] niet in zijn belangen is geschaad. Zij gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de officier van justitie.
De inhoudelijke beoordeling van de rechtbank
(…)
2.8.
Anders dan door betrokkene en zijn advocaat gesteld, is de rechtbank van oordeel dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. In dit verband heeft de rechtbank kennisgenomen van het door betrokkene opgestelde plan van aanpak, maar – hoewel de intenties uit het plan van aanpak goed zijn – niet de overtuiging bekomen dat daarmee het ernstig nadeel kan worden afgewend. De rechtbank neemt hierbij eveneens in overweging dat sprake is van beperkt ziektebesef en -inzicht bij betrokkene en dat het vrijwillig kader eerder ontoereikend is geweest om het ernstig nadeel af te wenden. Om die reden is verplichte zorg noodzakelijk.”
3. Beoordeling van het middel
3.1.1 Volgens onderdeel I van het middel is onjuist althans onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank in rov. 2.1-2.3 dat het verzuim van de geneesheer-directeur om betrokkene te informeren, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en in dit geval evenmin tot afwijzing van het verzoek.
3.1.2 De rechtbank heeft in het midden gelaten of de geneesheer-directeur in strijd met art. 5:4 lid 2, aanhef en onder a respectievelijk c, Wvggz betrokkene niet heeft geïnformeerd over de voorbereiding van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging en over de mogelijkheid zich bij te laten staan door een familielid of naaste bij het zelf opstellen van een plan van aanpak (rov. 2.2). In cassatie moet dus veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat de geneesheer-directeur betrokkene hierover niet heeft geïnformeerd.
3.1.3 Het verzuim van de geneesheer-directeur om een betrokkene over de hiervoor in 3.1.2 genoemde punten te informeren, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. De Wvggz verbindt geen sanctie aan het niet-naleven van deze informatieplicht. Uit het EVRM volgt ook niet dat het niet-naleven van deze informatieplicht zonder meer moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie of tot afwijzing van het verzoek. De betrokkene kan de rechter verzoeken om alsnog een plan van aanpak te mogen opstellen en hij heeft ook anderszins de mogelijkheid om in de rechterlijke procedure zijn zienswijze over alternatieven voor verplichte zorg kenbaar te maken (zie hierna in 3.2.3).
3.1.4 Het verzuim van de geneesheer-directeur om de betrokkene over de hiervoor in 3.1.2 genoemde punten te informeren kan wel grond zijn voor afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging. Of daartoe aanleiding bestaat, hangt af van de omstandigheden van het geval.
In het onderhavige geval heeft de rechtbank geoordeeld dat daarvoor geen aanleiding is omdat betrokkene tijdig voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld en aan de rechtbank heeft gestuurd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Onderdeel I faalt.
3.2.1 Onderdeel II klaagt dat de rechtbank in rov. 2.3 en rov. 2.8 heeft miskend dat de rechter niet mag beoordelen of het plan van aanpak het aanzienlijk risico op ernstig nadeel zou kunnen wegnemen zonder dat een onafhankelijke psychiater in een medische verklaring en de geneesheer-directeur zich daarover hebben uitgelaten.
3.2.2 Ten aanzien van het plan van aanpak moet in dit verband een onderscheid worden gemaakt tussen de voorbereidende fase (paragraaf 2 van Hoofdstuk 5 Wvggz) en de processuele fase (zie hierna in 3.2.3).
3.2.3 In de processuele fase kan de rechter op grond van art. 6:2 lid 3 Wvggz de betrokkene in de gelegenheid stellen om zelf een plan van aanpak op te stellen. Uit de in deze bepaling voorgeschreven overeenkomstige toepassing van art. 5:8 Wvggz volgt dat in dat geval een (nieuwe of aanvullende) medische verklaring van een onafhankelijke psychiater moet worden opgesteld ter beoordeling van het plan van aanpak. Uit het systeem van de wet volgt dat de rechter vervolgens, met inachtneming van deze medische verklaring, beoordeelt of met het plan van aanpak verplichte zorg kan worden voorkomen. De rechter kan daarbij de geneesheer-directeur om zijn zienswijze vragen (vgl. ook art. 6:1 lid 6, onder b, Wvggz) maar is daartoe niet verplicht.
Indien de rechter de betrokkene niet in de gelegenheid stelt om een plan van aanpak op te stellen, kan de betrokkene in zijn verweer wel alternatieven voor verplichte zorg aan de rechter voorleggen opdat de rechter die in zijn beoordeling kan betrekken.
3.2.4 In de onderhavige zaak heeft betrokkene nadat het verzoekschrift was ingediend en vóór aanvang van de mondelinge behandeling een plan van aanpak ingediend, en moet veronderstellenderwijs worden aangenomen dat hij in de voorbereidende fase ten onrechte niet is geïnformeerd over de mogelijkheid zelf een plan van aanpak op te stellen. De rechtbank heeft vervolgens – zo blijkt uit rov. 2.8 en rov. 2.3 – dat plan van aanpak in haar beoordeling van de noodzaak van verplichte zorg betrokken. Een dergelijk geval moet op één lijn worden gesteld met het in art. 6:2 lid 3 Wvggz bedoelde geval waarin de rechter de betrokkene in de gelegenheid stelt zelf een plan van aanpak op te stellen.
Gelet op het hiervoor in 3.2.3 overwogene, had de rechtbank het plan van aanpak niet inhoudelijk mogen beoordelen zonder zich daarover eerst te laten voorlichten door een onafhankelijke psychiater in een medische verklaring. De verklaringen van de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en de casemanager ter zitting volstaan daartoe niet. Onderdeel II slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2025
Conclusie 08‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Geneesheer-directeur heeft betrokkene niet geïnformeerd over mogelijkheid zich bij het opstellen van een plan van aanpak te laten bijstaan door een familielid of naaste (art. 5:4 lid 2, aanhef en onder c, Wvggz jo. art. 5:5 lid 1 Wvggz). Staat dit in de weg aan het verlenen van de verzochte zorgmachtiging?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01910
Zitting 8 augustus 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Holland, locatie Haarlem,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Inleiding
1.1
In deze Wvggz-zaak is ten aanzien van betrokkene verzocht om een zorgmachtiging te verlenen. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de geneesheer-directeur hem ten onrechte niet heeft geïnformeerd dat ten aanzien van hem een verzoek voor een zorgmachtiging werd voorbereid (art. 5:4 lid 2 onder a Wvggz) en dat hij de mogelijkheid had zich bij het opstellen van een eigen plan van aanpak te laten bijstaan door een familielid of naaste (art. 5:5 lid 1 Wvggz).
1.2
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, geldend tot en met 20 augustus 2025. Het primaire verweer van betrokkene, dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat betrokkene het recht is ontnomen om verplichte zorg door middel van het opstellen van een plan van aanpak te voorkomen, heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn, in welk kader de rechtbank kennis heeft genomen van een zijdens betrokkene kort voor de zitting ingediend plan van aanpak.
1.3
De cassatieklachten van betrokkene komen erop neer dat niet is voldaan aan de wettelijke voorschriften rondom het bieden van gelegenheid om een plan van aanpak op te stellen, en dat het verlenen van de zorgmachtiging in dit geval in strijd is met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 6 lid 1 EVRM, althans dat de bestreden beschikking onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Mijns inziens zijn de klachten tevergeefs voorgesteld.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift ingekomen bij de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank) op 7 februari 2025, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz te verlenen voor de duur van zes maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.2
Bij het verzoekschrift zijn overgelegd:
- het zorgplan van 9 januari 2025, opgesteld door de zorgverantwoordelijke;
- een medische verklaring van 31 januari 2025, opgesteld door een niet bij de behandeling betrokken psychiater;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 6 februari 2025; en
- een blanco overzicht van eerder verleende machtigingen op grond van de Wvggz.
2.3
In het zorgplan beschrijft de zorgverantwoordelijke onder meer dat betrokkene een 30-jarige student is die sinds tien jaar zorg ontvangt bij het [FACT] en bekend is met schizofrenie.1.De aanvraag voor de zorgmachtiging is gedaan omdat betrokkene momenteel zijn medicatie niet adequaat inneemt, waardoor een gedragsverandering is geobserveerd en ziektebesef en -inzicht verloren zijn gegaan onder invloed van psychotische gedachten.2.De zorgverantwoordelijke vermeldt dat betrokkene niet akkoord gaat met het zorgplan.3.In antwoord op de vraag hoe rekening is gehouden met de voorkeuren of zienswijze van betrokkene, schrijft de zorgverantwoordelijke:4.
“Het is niet mogelijk geweest de aanvraag van de zorgmachtiging met betrokkene te bespreken of de procedure uit te leggen. Er is gepoogd in contact te komen en maar dit is helaas niet gelukt. In gesprek wordt de noodzaak bij herhaling uitgelegd.”
2.4
De medische verklaring vermeldt onder meer dat bij het psychiatrisch onderzoek door de onafhankelijk psychiater de intelligentie van betrokkene bovengemiddeld wordt geschat en dat er een beperkt ziektebesef en -inzicht is.5.Daardoor is betrokkene niet gemotiveerd voor een medicamenteuze behandeling en begeleiding door het FACT. Dat draagt bij aan het oordeel van de onafhankelijk psychiater dat betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgenomen verplichte zorg.6.
2.5
De bevindingen van de geneesheer-directeur vermelden onder meer: “betrokkene heeft geen plan van aanpak gemaakt.”7.
2.6
Op 19 februari 2025 om 17.00 uur, voorafgaand aan de mondelinge behandeling om 11.30 uur de volgende dag, heeft de advocaat van betrokkene de rechtbank per e-mail een door betrokkene opgesteld plan van aanpak toegezonden,8.met het verzoek om dit bij de beslissing te betrekken. Het plan van aanpak beslaat vijf bladzijden. Betrokkene schrijft onder meer:9.
“Ik heb nooit een brief, e-mail of bericht ontvangen over de mogelijkheid om een plan van aanpak in te dienen tegen de zorgmachtiging. Ook heb ik geen informatie gekregen over de geneesheer-directeur. Dit hebben wij zelf ontdekt via Zorg in Dwang, wat ik onacceptabel vind. Parnassia heeft al meerdere keren fouten gemaakt, wat voor frustratie zorgt.
Ik wil graag weten waarom ik deze brief niet heb ontvangen en vraag bevestiging dat mijn plan van aanpak alsnog wordt meegenomen in de beoordeling.”
2.7
Betrokkene beschrijft in het plan van aanpak wat zijn persoonlijke situatie en achtergrond is. Ook staat hij stil bij zijn doelen en motivatie, bij zijn hulpvraag en voorgestelde oplossingen, bij voorgestelde afspraken over medicatie, behandeling en ondersteuning, bij daginvulling en structuur, bij signalen en risicofactoren, en bij een noodplan bij terugval. Verder vermeldt betrokkene wie uit zijn netwerk hem ondersteunt. Hij schrijft dat dit plan van aanpak laat zien dat hij actief werkt aan zijn herstel en verantwoordelijkheid neemt voor zijn welzijn. Door zich aan deze afspraken te houden kan betrokkene stabiliteit behouden en verplichte zorg voorkomen, aldus betrokkene.
2.8
De rechtbank heeft op 20 februari 2025 het verzoek van de officier van justitie behandeld bij het [FACT]. Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, de casemanager en de vader van betrokkene. De advocaat van betrokkene heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.9
Wat betreft het plan van aanpak heeft de casemanager ter zitting verklaard (mijn onderstrepingen, ook in de citaten hierna):10.
“Ik heb het plan van aanpak van betrokkene gelezen. De intenties zijn goed, er wordt beschreven dat er veel contact met het zorgteam zal zijn en dat de voorgeschreven medicatie zal worden ingenomen. Op zich staan wij achter die intenties, maar ik vraag me af of het feitelijk haalbaar [is].”
De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige heeft verklaard:11.
“We hebben het geprobeerd op vrijwillige basis, maar dat is helaas niet gelukt. We wensen betrokkene toe dat het beter met hem gaat, daarom hebben wij aangeboden om dingen op orde te krijgen. Betrokkene wil het soms wel, maar soms ook niet, waardoor wij geen stap verder komen. We zien een aftakeling, beter gezegd: een teloorgang. Wij willen dat stoppen.
U vraagt mij naar mijn mening over het plan van aanpak:
Het plan van aanpak van betrokkene is op zich een goed plan, maar ik ben bang dat er dan toch weer andere dingen komen waardoor het niet gaat lukken. Wij hebben onze twijfels of betrokkene zijn medicatie vrijwillig gaat innemen en in de juiste dosering. Het afgelopen jaar hebben wij dat al een paar keer geprobeerd maar dat is steeds mislukt. Betrokkene heeft eind vorig jaar bovendien gezegd dat hij uit de zorg wil. Dat baart mij zorgen voor zijn gezondheid en de toekomst. Daarnaast uit betrokkene soms dreigementen. Er wordt dan gesuggereerd dat er dingen gaan gebeuren als er een zorgmachtiging komt.”
2.10
De advocaat van betrokkene heeft verklaard:12.
“Mijn cliënt is van goede wil. Hij denkt dat hij het zelfstandig redt met de hulpverlening van de zorg op vrijwillige basis. Verplichte zorg is nogal indringend en een ultimum remedium. Ik kan het me voorstellen dat betrokkene daar afwijzend tegenover staat. Ik ben van mening dat het plan van aanpak afdoende is. Het contact met de ouders is gestabiliseerd, betrokkene woont weer bij zijn vader, is weer met zijn studie bezig en zou ook stage lopen. Door het geheel aan brieven van de rechtbank en instanties is die stage nu echter weer op een zijspoor beland.
(…)
Formeel verweer
Eerst een formeel verweer. Ik heb het gisteren bij email al te kennen gegeven. Volgens mij is niet voldaan aan artikel 5:5 lid 1 Wvggz, inhoudende mededeling van de G-D aan [betrokkene] dat een zorgmachtiging wordt voorbereid en dat hij te kennen kan geven een Plan van Aanpak te willen opstellen. Die brief van de G-D heb ik niet gezien, zodat ik er vanuit moet gaan dat die brief niet is verzonden waardoor aan hem een mogelijkheid is ontnomen om verplichte zorg te voorkomen zodat de officier n-o dient te worden verklaard in zijn verzoek.
(…)
Zoals uit het plan van aanpak blijkt,13.wenst [betrokkene] zorg op vrijwillige basis. Hij is ook bereid het overleg hiertoe met de zorgverantwoordelijken verder op te pakken.”
2.11
De rechtbank heeft direct na de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan en ten aanzien van betrokkene de verzochte zorgmachtiging verleend. De beschikking (hierna: de bestreden beschikking) is schriftelijk uitgewerkt op 6 maart 2025.14.
2.12
De rechtbank overweegt daarin het volgende:
“Het formele verweer van de advocaat
2.1.
Namens betrokkene heeft de advocaat in zijn e-mail van 19 februari 2025 en ter zitting primair het verweer opgeworpen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Daartoe is aangevoerd dat artikel 5:5, eerste lid, van de Wvggz is geschonden en betrokkene daarmee het recht is ontnomen om verplichte zorg door middel van het opstellen van een plan van aanpak te voorkomen. Niet alleen ontbreekt in het dossier een afschrift van een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene, waarin hem wordt medegedeeld dat een zorgmachtiging wordt voorbereid en hem de mogelijkheid wordt geboden aan de geneesheer-directeur te kennen te geven een plan van aanpak te willen opstellen, ook stelt betrokkene geen brief van de geneesheer-directeur te hebben ontvangen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire verweer geen doel treft. Zij overweegt daartoe als volgt. Of de brief van de geneesheer-directeur aan de betrokkene is verzonden en ook is aangekomen, kan niet zonder meer door de rechtbank worden vastgesteld. Daar komt bij dat ingevolge artikel 5:17, derde lid, van de Wvggz genoemde brief niet behoort tot een van de bescheiden die bij het verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging van de officier van justitie dienen te worden gevoegd. Bovendien is het antwoord op voornoemde vraag niet relevant, want als is verzuimd de brief naar betrokkene te verzenden – zoals de advocaat stelt – leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar verzoek, maar hooguit tot afwijzing van het verzoek omdat betrokkene de mogelijkheid is ontnomen om zelf een plan van aanpak op te stellen.
2.3.
Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank verder van oordeel dat in dit geval ook voor afwijzing van het verzoek geen aanleiding is, omdat betrokkene voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat (…) [betrokkene] niet in zijn belangen is geschaad. Zij gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de officier van justitie.
De inhoudelijke beoordeling van de rechtbank
2.4.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten: een psychotische decompensatie bij bekende schizofrenie.
(…)
2.7.
Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en te herstellen, heeft hij zorg nodig.
2.8.
Anders dan door betrokkene en zijn advocaat gesteld, is de rechtbank van oordeel dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. In dit verband heeft de rechtbank kennisgenomen van het door betrokkene opgestelde plan van aanpak, maar – hoewel de intenties uit het plan van aanpak goed zijn – niet de overtuiging bekomen dat daarmee het ernstig nadeel kan worden afgewend. De rechtbank neemt hierbij eveneens in overweging dat sprake is van beperkt ziektebesef en -inzicht bij betrokkene en dat het vrijwillig kader eerder ontoereikend is geweest om het ernstig nadeel af te wenden. Om die reden is verplichte zorg noodzakelijk.
2.9.
Op grond van de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, acht de rechtbank gedurende de hele looptijd van de zorgmachtiging de volgende vormen van verplichte zorg nodig:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
Uit de overgelegde stukken maakt de rechtbank op dat slechts in het geval dat betrokkene ernstig (psychotisch) ontregelt, wordt overgegaan tot opname en de daarbij behorende vormen van verplichte zorg.
Indien dat het geval is en het ernstig nadeel niet langer kan worden afgewend door middel van de hiervoor vermelde vormen van verplichte zorg, worden gedurende de hele looptijd van de zorgmachtiging ook de volgende vormen van verplichte zorg nodig geacht:
- het beperken van bewegingsvrijheid;
- het insluiten van betrokkene (telkens voor maximaal drie dagen)’;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- opnemen in een accommodatie.
(…).”
2.13
Namens betrokkene is op 20 mei 2025 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen, die zijn gericht tegen rov. 2.2, 2.3 en 2.8 van de bestreden beschikking. Voordat ik de cassatieklachten bespreek, maak ik eerst een aantal algemene opmerkingen over de plaats van het plan van aanpak in het stelsel van de Wvggz.
Kader: het plan van aanpak in het stelsel van de Wvggz
Wettelijke regeling
3.2
3.3
Bij dit uitgangspunt van verplichte zorg als ultimum remedium past het om de betrokkene te betrekken in de voorbereiding van een zorgmachtiging. Tegen deze achtergrond bevat art. 5.5 Wvggz, dat is opgenomen in Hoofdstuk 5, Paragraaf 2 (‘Voorbereiding zorgmachtiging’), voorschriften ten aanzien van het opstellen van een eigen plan van aanpak.
3.4
“Artikel 5:5
1 Indien betrokkene of de vertegenwoordiger de geneesheer-directeur binnen drie dagen na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, onderdeel a, schriftelijk te kennen geeft met familie of naasten zelf een plan van aanpak te willen opstellen om verplichte zorg te voorkomen, besluit de geneesheer-directeur na overleg met de officier van justitie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee dagen na de kennisgeving, of de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt geschorst om betrokkene in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stellen.
2 De geneesheer-directeur kan alleen afwijzend besluiten indien:
a. hij van oordeel is dat het ernstig nadeel zich niet verdraagt met uitstel van de voorbereiding van een zorgmachtiging,
b. betrokkene eerder in staat is gesteld zelf een plan van aanpak op te stellen en dat niet is gelukt, of
c. betrokkene eerder een plan van aanpak heeft opgesteld, maar daarmee verplichte zorg niet kon worden voorkomen en de feiten en omstandigheden sindsdien niet zodanig zijn veranderd dat de kans redelijkerwijs aanwezig moet worden geacht dat betrokkene nu wel in staat zal zijn een plan van aanpak op te stellen waarmee verplichte zorg kan worden voorkomen.”
Het eerste lid van art. 5:5 Wvggz verwijst naar art. 5:4 lid 2 onder a Wvggz, dat luidt:
“Zodra de geneesheer-directeur door de officier is aangewezen:
a. informeert de geneesheer-directeur betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat en de aanvrager, bedoeld in artikel 5:3 schriftelijk, dat op aanvraag of ambtshalve een verzoek voor een zorgmachtiging wordt voorbereid.”
3.5
In haar conclusie van 2 september 202215.vat A-G Lückers de regeling van het plan van aanpak in art. 5.5 Wvggz als volgt samen (voetnoten in het origineel):16.
“In art. 5:5 Wvggz is een procedure opgenomen, die betrokkene in een vroeg stadium de mogelijkheid biedt om vrijwillig zorg te aanvaarden teneinde een aanvraag tot verplichte zorg te voorkomen.17.Binnen drie dagen na ontvangst van de mededeling van de geneesheer-directeur dat een zorgmachtiging wordt voorbereid, kan de betrokkene of de vertegenwoordiger de geneesheer-directeur te kennen geven met familie of naasten zelf een plan van aanpak te willen opstellen om verplichte zorg te voorkomen. Deze kennisgeving moet schriftelijk, waaronder ook elektronische berichtgeving valt, plaatsvinden. Deze schriftelijkheidseis betekent dat er in het verloop van de procedure geen onduidelijkheid zal bestaan over de vraag of betrokkene al dan niet deze mogelijkheid heeft willen benutten.18.De geneesheer-directeur besluit na overleg met de officier van justitie zo spoedig mogelijk of de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt geschorst om betrokkene in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stellen. De achterliggende gedachte is dat betrokkene zoveel mogelijk, met behulp van de eigen omgeving en het eigen netwerk, de regie kan uitoefenen over zijn/haar eigen leven en dat zo veel als mogelijk zorg op basis van vrijwilligheid wordt geboden en verplichte zorg zo veel mogelijk wordt voorkomen.19.Een eigen plan van aanpak dient een beschrijving te bevatten van de vrijwillige zorg en ondersteuning die de familie en naasten bereid zijn aan betrokkene te geven. Verder dient het de eigen inbreng te beschrijven die betrokkene wil dan wel kan leveren om te voorkomen dat verplichte zorg noodzakelijk wordt. Omdat betrokkene in dit plan van aanpak zijn eigen zorgvraag én de door hem gewenste behandeling daarvan zal moeten formuleren, zal er sprake moeten zijn van enig besef van zijn eigen situatie.20.”
3.6
Wanneer betrokkene een plan van aanpak heeft opgesteld, zal de geneesheer-directeur moeten beoordelen of daarmee verplichte zorg kan worden voorkomen (art. 5:15 lid 1 Wvggz). Hiertoe vraagt de geneesheer-directeur een medische verklaring aan de onafhankelijk psychiater ter toetsing van het plan van aanpak (vgl. art. 5:9 lid 3 Wvggz).21.De geneesheer-directeur verstrekt die medische verklaring aan de officier van justitie (art. 5:11 lid 1 Wvggz). Blijkt uit de medische verklaring dat met het plan van aanpak verplichte zorg kan worden voorkomen, dan kan de officier van justitie besluiten de voorbereidingen voor een verzoekschrift voor een zorgmachtiging te beëindigen (art. 5:11 lid 2 onder c Wvggz).
3.7
Ook de rechter kan betrokkene de gelegenheid geven om een plan van aanpak op te stellen, in welk geval de beslistermijn met maximaal twee weken wordt opgeschort (art. 6:2 lid 3 Wvggz). Dit is een discretionaire bevoegdheid. Bij zijn beslissing om betrokkene wel of niet de mogelijkheid te bieden om alsnog een eigen plan van aanpak op te stellen, is de rechter niet gebonden aan de limitatieve afwijzingsgronden die ingevolge art. 5.5 lid 2 Wvggz gelden voor de geneesheer-directeur in de voorbereidingsfase.22.Aangenomen moet worden dat, indien de rechter betrokkene in de gelegenheid stelt een plan van aanpak op te stellen en betrokkene zo’n plan alsnog indient, de geneesheer-directeur dient te zorgen voor een nieuwe medische verklaring en de rechter vervolgens zelf zal beoordelen of het plan van aanpak voldoende is om verplichte zorg te voorkomen.23.
3.8
Het is belangrijk dat de geneesheer-directeur betrokkene wijst op de mogelijkheid een eigen plan van aanpak op te stellen. Betrokkene, zeker als deze persoon voor de eerste keer wordt geconfronteerd met de procedure tot aanvraag van een zorgmachtiging, zal zich veelal niet ervan bewust zijn dat deze mogelijkheid bestaat.24.De geneesheer-directeur is er ook toe gehouden deze informatie proactief aan betrokkene te verschaffen, zo is voorgeschreven in art. 5:4 lid 2, aanhef en onder c, Wvggz. Dit past bij de doelstellingen van de mogelijkheid een eigen plan van aanpak op te stellen, waaronder het streven de rechtspositie van betrokkenen beter te beschermen dan onder de Wet Bopz, de voorloper van de Wvggz.
Rechtsgevolgen van het niet wijzen op de mogelijkheid van een plan van aanpak
3.9
De vraag rijst welk gevolg de rechter dient te verbinden aan de omstandigheid dat de geneesheer-directeur betrokkene niet heeft gewezen op de mogelijkheid om een eigen plan van aanpak op te stellen. Indien in alle gevallen waarin de geneesheer-directeur betrokkene daar niet (tijdig) op heeft gewezen, de zorgmachtiging om die reden zou moeten worden geweigerd en, als dat niet gebeurt, de beslissing van de rechtbank in cassatie geen stand zou houden, dan zou dat (tijdelijk) kunnen leiden tot een (aanzienlijke) stijging van het aantal Wvggz-beroepen. Dit praktische aspect onderstreept het belang dat er duidelijkheid bestaat over het rechtsgevolg een dergelijk gebrek in de voorbereidingsprocedure.
3.10
Ik stel vast dat de Wvggz geen specifieke remedie verbindt aan het niet-naleven van genoemde informatieplicht. Mijns inziens gaat het hierbij, ondanks het grote belang dat de wetgever aan het plan van aanpak hecht, om niet meer dan één van de omstandigheden die de rechter in zijn oordeelsvorming dient te betrekken. Ik zie in elk geval geen aanleiding om op het nalaten van de geneesheer-directeur om betrokkene te wijzen op de mogelijkheid om een plan van aanpak op te stellen, een niet-ontvankelijkheid te laten volgen. Zulks volgt niet uit de wet en ook niet uit het EVRM of de rechtspraak van het EHRM. Naar mijn mening is de afwijking van de procedure daarvoor ook te gering. Daar komt bij dat de betrokkene de mogelijkheid heeft om de rechter te verzoeken om alsnog een eigen plan van aanpak te mogen opstellen (zie zojuist 3.7) en los daarvan in de rechterlijke procedure hoe dan ook alternatieven kan aandragen voor verplichte zorg.
3.11
Tegen deze achtergrond bestaat er naar mijn mening geen aanleiding om aan te nemen dat in algemene zin de rechter enkel wegens genoemd nalaten van de geneesheer-directeur geen zorgmachtiging zou kunnen verlenen en het verzoek daarom zou dienen af te wijzen, zoals reeds het geval is bij het ontbreken van een actuele medische verklaring25.of van de bevindingen van de geneesheer-directeur.26.Die laatste documenten liggen mede ten grondslag aan het verzoek om een zorgmachtiging en zijn voor de toewijzing daarvan dus onontbeerlijk. In vergelijking daarmee komt minder gewicht toe aan het niet-naleven door de geneesheer-directeur van zijn informatieplicht ten aanzien van de mogelijkheid van betrokkene een plan van aanpak op te stellen. Of er aanleiding bestaat het verzoek van de officier van justitie op die grond af te wijzen hangt af van de omstandigheden van het geval.
3.12
Volledigheidshalve wijs ik er nog op dat al in een eerdere cassatieprocedure is aangevoerd dat de geneesheer-directeur de toenmalige betrokkene niet had gewezen op de mogelijkheid tijdig een plan van aanpak op te stellen.27.In die zaak werd de zorgmachtigingsbeschikking om andere redenen vernietigd (kort gezegd: de rechtbank had onvoldoende gemotiveerd dat een alcoholverslaafde betrokkene leed aan een psychische stoornis in de zin van de Wvggz). De Hoge Raad liet de klacht over het niet-wijzen op de mogelijkheid tot het opstellen van een plan van aanpak onbesproken28.en oordeelde dat deze kwestie zo nodig na terugwijzing aan de orde kon komen.29.
De wettelijke regeling in de praktijk
3.13
Alvorens de klachten te bespreken geef ik een overzicht van hoe blijkens onderzoek de wettelijke mogelijkheden om recht te doen aan de wensen en voorkeuren van patiënten, met het doel om gedwongen zorg te voorkomen, in de praktijk functioneren.
3.14
Deze mogelijkheden blijken niet ten volle te worden benut. Dit volgt uit de eerste evaluatie van de Wvggz, deel 1 (december 2021).30.Uit de cijfers volgt dat, afgezet tegen het totaal aantal in voorbereiding genomen zorgmachtigingen, niet vaak een plan van aanpak wordt opgesteld en dat dit nog minder vaak leidt tot het definitief beëindigen van de procedure. Zo werd in de eerste helft van 2021 slechts 6,1% van alle voorbereidingsprocedures geschorst vanwege het opstellen van een plan van aanpak, en is 1,1% van de procedures definitief stopgezet nadat een plan van aanpak was opgesteld.31.Dit keert ook terug in het kwalitatieve onderzoek naar de implementatie en de uitvoerbaarheid van de Wvggz, waaruit blijkt dat men positief is over het eigen plan van aanpak, maar dat dit weinig wordt ingezet en dat twee belangrijke knelpunten worden ervaren: het moment waarop het instrument wordt ingezet en de complexiteit van het format.32.
3.15
De onderzoekers schrijven dat deze percentages op zichzelf lastig te duiden zijn en wijzen erop dat niet elke patiënt (effectief) gebruik zal kunnen of willen maken van de mogelijkheid om een eigen plan van aanpak op te stellen.33.Het plan van aanpak is vooral van belang voor patiënten die al vaker met de GGZ te maken hebben gehad, en niet of minder voor ‘nieuwkomers’. Maar, zo vervolgen de onderzoekers in hun conclusies en aanbevelingen:34.
“een belangrijk punt is ook de plaats die het plan van aanpak in de wettelijke regeling heeft gekregen en de krappe termijnen die daarbij gelden; de patiënt of zijn vertegenwoordiger moet al binnen enkele dagen laten weten of een plan van aanpak opgesteld zal worden. Daardoor ontstaat tijdsdruk. Verschillende respondenten zijn van mening dat het plan van aanpak in de huidige Wvggz een te ‘ingeklemde’ positie heeft gekregen, en een dusdanige plaats in de wet zou moeten krijgen dat er voor het opstellen daarvan meer ruimte ontstaat. De meningen over die betere positionering verschillen: sommigen pleiten ervoor het plan van aanpak in de tijd naar voren te halen, anderen zien meer ruimte voor een plan van aanpak in de fase nadat de zorgmachtiging is verleend. Ook dan, zo wordt betoogd, kan een plan van aanpak nog bijdragen aan het voorkomen of verminderen van verplichte zorg. Voorts wordt gepleit voor een duidelijker format met betrekking tot het plan van aanpak. Het is belangrijk om te zoeken naar manieren om de effectiviteit van het instrument plan van aanpak te vergroten.
Aanbeveling 5: Pas de wettelijke regeling van het plan van aanpak zodanig aan dat betere en effectievere mogelijkheden ontstaan om verplichte zorg te voorkomen (wetgever).”
3.16
Dit thema is nader uitgediept in fase 2 van het evaluatieonderzoek (oktober 2022).35.Volgens de deelnemers aan het kwalitatief empirisch onderzoek komt het plan van aanpak, net als de zorgkaart en de zelfbindingsverklaring, nog niet of nauwelijks van de grond.36.Ook stellen veel respondenten vragen bij de effectiviteit van de inzet van deze instrumenten.37.Het kwantitatief empirisch onderzoek maakt duidelijk dat ook in het tweede halfjaar van 2021 weinig voorbereidingsprocedures zijn geschorst wegens het opstellen van een plan van aanpak.38.Niet alleen maken patiënten relatief weinig gebruik van de mogelijkheid tot het opstellen van een plan van aanpak (en van de zorgkaart en de zelfbindingsverklaring), ook wanneer wél een van die instrumenten wordt ingezet blijkt dat minder effectief dan de wetgever heeft beoogd.39.De onderzoekers merken op:40.
“Verschillende factoren spelen in dit verband mogelijk een rol: 1) de timing: het moment waarop het eigen plan van aanpak dient te worden ingezet, komt veel te laat in het proces dat mogelijk leidt tot verplichte zorg; daardoor is het voor de patiënt een ‘race tegen de klok’; 2) de toegankelijkheid: het formele en ingewikkelde karakter van de instrumenten – de focus ligt op het invullen van nodeloos ingewikkelde formulieren – sluit niet goed aan bij de positie en de behoeften van mensen met een psychische stoornis; 3) de vorm: bij het in kaart brengen van de wensen en voorkeuren van de patiënt over verplichte zorg (hoe zou deze bij hen kunnen worden voorkómen en als dat niet lukt, welke vormen van verplichte zorg hebben dan hun voorkeur?) moet niet een formulier, maar een gesprek een centrale rol vervullen (dat sluit ook aan bij het principe van zoveel mogelijk ‘shared decision making’); 4) de ondersteuning: de patiënt is door middel van hulp en betrokkenheid van naasten, ervaringsdeskundigen, pvp en advocaat beter in staat om zijn wensen, voorkeuren en mogelijkheden voor afwenden van verplichte zorg kenbaar te maken; en 5) het ziekte- inzicht: afspraken over verplichte zorg (zelfbinding) zijn met name kansrijk wanneer de patiënt inziet dat hij die zorg in bepaalde situaties nodig heeft.”
3.17
Dit brengt de onderzoekers tot de volgende conclusies en aanbevelingen:41.
“Er zijn veel twijfels over de ‘timing’ van het moment waarop de wensen en voorkeuren van de patiënt het beste besproken kunnen worden; zo is men bijvoorbeeld van mening dat het plan van aanpak te laat in het proces aan de orde komt. Ook is er kritiek op het naast elkaar bestaan van verschillende wettelijke instrumenten om wensen en voorkeuren van patiënten te inventariseren, zonder dat de verhouding daartussen bij iedereen duidelijk is. Aan die onduidelijkheid draagt bij dat het plan van aanpak meerdere doelen heeft: niet alleen inzicht krijgen in de wensen en voorkeuren van patiënten, maar ook het tegengaan van verplichte zorg. Er is grote behoefte aan een eenvoudigere regeling, die een tijdiger inventarisatie van de wensen van de patiënt mogelijk maakt. Naast een verbetering van de ondersteuning van de patiënt zijn daarbij de volgende zaken van belang:
Aanbeveling 49: Pas de Wvggz zodanig aan dat wordt voorzien in één instrument dat waarborgt dat wensen en voorkeuren van de patiënt tijdig worden geïnventariseerd en kenbaar zijn (wetgever)
Aanbeveling 50: Richt de praktijk zo in dat tijdig (vóór de ZM-procedure) een laagdrempelig gesprek plaatsvindt met de patiënt over diens wensen en voorkeuren, herhaal dat gesprek regelmatig en leg de uitkomsten vast op een wijze (bijvoorbeeld een pagina in het EPD) die makkelijk toegankelijk is voor alle betrokkenen, waaronder de rechter (veldpartijen, zo nodig de wetgever)
Aanbeveling 51: Bepaal in de wet dat alle betrokkenen de wensen en voorkeuren van de patiënt bij hun besluitvorming betrekken en daarover rapporteren (wetgever)
Met betrekking tot het zorgplan is dit laatste al in de wet geregeld (art. 5:14 lid 1 onder d), maar met betrekking tot andere stappen in de procedure (medische verklaring, besluit rechter) nog niet. (…).”
3.18
Het verdiepingsonderzoek naar de uitvoering van de Wvggz (maart 2024) gaat hier nader op in.42.Uit dat onderzoek volgt dat veel GGZ-professionals van mening zijn dat de Wvggz-instrumenten om wensen en voorkeuren vast te leggen – naast het eigen plan van aanpak zijn dat de zelfbindingsverklaring en de zorgkaart – een duidelijke meerwaarde kunnen hebben, mits deze adequaat en tijdig worden ingezet en rekening wordt gehouden met de uitvoerbaarheid in de praktijk.43.Het is wenselijk dat de wetgever – in de Wvggz of in de toelichting daarbij – duidelijk maakt dat het eigen plan van aanpak en de zorgkaart bij voorkeur juist in de fase (ruim) vóór de voorbereiding van een zorgmachtiging worden opgesteld en de uitkomst van een dialoog met de behandelaar hierover bevatten.44.Daarbij achten meerdere GGZ-professionals het nuttig als ook de patiëntenvertrouwenspersoon zou kunnen helpen bij het opstellen van het eigen plan van aanpak (wat thans niet mogelijk is, niet alleen omdat dergelijke bijstand tijdens ambulante vrijwillige zorg niet gefinancierd is maar ook omdat de patiëntenvertrouwenspersoon de cliënt bijstaat in de relatie tot de zorgverlener).45.Dit mondt uit in aanbevelingen over het eigen plan van aanpak in het kader van proactieve zorgplanning, zowel gericht aan GGZ-professionals als aan de wetgever.46.
3.19
Tot slot van dit overzicht vermeld ik dat de regering voornemens is om het plan van aanpak uit de voorbereidingsprocedure voor de zorgmachtiging te halen.47.In maart 2025 is de consultatieversie gepubliceerd van het wetsvoorstel voor de Evaluatiewet Wvggz en Wzd.48.Blijkens de concept-MvT heeft het concept-wetsvoorstel onder meer tot doel het plan van aanpak van de betrokkene beter te positioneren en daarmee aan de patiënt een betere rechtsbescherming te bieden; het uitgangspunt dat de aandacht voor de eigen regie deel moet uitmaken van het gehéle behandeltraject, wordt daarmee kracht bijgezet.49.Het plan van aanpak is dan niet langer beperkt tot de aanvraag voor de voorbereiding van een zorgmachtiging, maar kan op elk moment worden opgesteld. Het is dan aan de praktijk om hier invulling aan te geven. Het concept-wetsvoorstel introduceert echter wel een plicht voor de geneesheer-directeur om zich aan het begin van de voorbereidingsprocedure ervan te vergewissen dat alle mogelijkheden van een plan van aanpak zijn doorlopen, dat wil zeggen dat alle mogelijkheden tot vrijwillige zorg zijn uitgeput.50.Ook is de regering voornemens om ondersteuning bij het plan van aanpak expliciet onderdeel te maken van het takenpakket van de patiënten- en de familievertrouwenspersoon.51.
De aangevoerde cassatieklachten
3.20
Ik kom nu toe aan de in het middel aangevoerde klachten. Daarbij geldt als uitgangspunt, bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag, dat de geneesheer-directeur betrokkene niet heeft geïnformeerd over de voorbereiding van een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging en evenmin over de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een familielid of naaste bij het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in art. 5:5 Wvggz.52.
3.21
Onderdeel 1 keert zich tegen de overwegingen van de rechtbank onder het opschrift ‘Het formele verweer van de advocaat’ in rov. 2.1-2.3 van de bestreden beschikking. Betrokkene klaagt dat deze overwegingen onjuist althans onbegrijpelijk zijn, dan wel onvoldoende toereikend zijn gemotiveerd.
3.22
De klachten slagen niet. Het staat in cassatie weliswaar vast dat de geneesheer-directeur niet heeft voldaan aan het voorschrift uit art. 5:4 lid 2 onder a Wvggz (zie zojuist 3.20), toch heeft de rechtbank in rov. 2.2 met juistheid geoordeeld dat dit niet meebrengt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in diens verzoek (zie ook hiervoor, 3.10). Vervolgens onderkent de rechtbank, zie het slot van rov. 2.2, terecht dat dit gebrek wel zou kunnen leiden tot afwijzing van het verzoek om een zorgmachtiging (zie het citaat in 2.12).
3.23
De rechtbank is in dit geval echter van oordeel dat het ontbreken van de mededeling van de geneesheer-directeur geen aanleiding vormt voor afwijzing van het verzoek, omdat betrokkene voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld en ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene door het nalaten van de geneesheer-directeur hem te informeren over de mogelijkheid een plan van aanpak op te stellen daarom niet in zijn belangen geschaad. Betrokkene is uiteindelijk zelf op een laat moment met een voldragen plan van aanpak gekomen. De rechtbank heeft daarvan kennis genomen en dit aantoonbaar betrokken in haar beoordeling van het verzoek van de officier van justitie. Die beoordeling is naar zijn aard sterk met de feiten verweven en kan mijns inziens de toetsing in cassatie doorstaan.
3.24
Onder 1.1 van de procesinleiding merkt betrokkene op dat in de bestreden beschikking niets wordt gezegd over de wettelijke regeling van, kort gezegd, de limitatieve mogelijkheden van de geneesheer-directeur tot afwijzing van het verzoek om een eigen plan van aanpak op te stellen en van de procedurele waarborgen uit art. 5:5 Wvggz. Ik zie echter niet in waarom de rechtbank gehouden was om dit, in het kader van de overweging dat betrokkene niet in zijn belangen is geschaad, in de beschikking tot uitdrukking te brengen.
3.25
Onder 1.2 klaagt betrokkene dat het wel heel gemakkelijk is dat de rechtbank in rov. 2.2 overweegt dat de ontbrekende brief niet behoort tot één van de bescheiden die de officier van justitie bij het verzoekschrift dient te voegen, aangezien een beslissing om de betrokkene niet in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stellen wél bij het verzoekschrift dient te worden gevoegd (zie art. 5:17 lid 3 onder d Wvggz). Ook wijst betrokkene erop dat hij al tien jaar in behandeling is, dat niet blijkt van een eerdere beslissing met betrekking tot verplichte zorg, en dat niet blijkt dat de geneesheer-directeur de voorschriften uit art. 5:5 lid 3-7 Wvggz heeft gevolgd.
3.26
Dit alles maakt het oordeel van de rechtbank naar mijn mening echter niet onbegrijpelijk. Nu in dit geval betrokkene niet aan de geneesheer-directeur te kennen heeft gegeven zelf een plan van aanpak te willen opstellen om verplichte zorg te voorkomen, heeft de geneesheer-directeur daarover niet in toe- of afwijzende zin besloten. Die procedurele voorschriften waren hier dus niet aan de orde. Het is in dat licht niet onbegrijpelijk dat de beschikking van de rechtbank daarvan geen gewag maakt, ook niet indien wordt aangenomen dat het uitblijven van zo’n schriftelijke kennisgeving door betrokkene ermee samenhangt dat de geneesheer-directeur hem niet op de mogelijkheid heeft gewezen.
3.27
Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 2.3 en 2.8, waarin de rechtbank oordeelt dat de (mogelijke) schending van de geneesheer-directeur van art. 5:4 lid 2 Wvggz in dit geval geen aanleiding vormt voor afwijzing van het verzoek van de officier van justitie, en dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene klaagt dat deze overwegingen onjuist althans onbegrijpelijk zijn, dan wel onvoldoende toereikend zijn gemotiveerd.
3.28
Betrokkene wijst erop dat verplichte zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg zijn en dat er hier alle reden was om zijn initiatief om een plan van aanpak te maken niet zomaar te passeren zonder dat de personen die een plan van aanpak zouden moeten beoordelen (te weten: de onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur) daar voor zijn ingeschakeld. Het is niet aan de rechtbank om het plan van aanpak in relatie tot het ernstig nadeel te beoordelen zonder dat er adviezen liggen van de personen die daarvoor volgens de wet bij betrokken behoren te zijn. Volgens betrokkene had de rechtbank eerst nader onderzoek moeten laten doen alvorens het plan van aanpak zomaar terzijde te laten. Nu diegenen die het plan van aanpak hadden moeten beoordelen daar zelfs niet voor zijn benaderd, dient de beschikking ook om die reden voor vernietiging in aanmerking te komen, aldus betrokkene.
3.29
De rechtsklacht faalt. Indien betrokkene had willen bereiken dat de onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur kennis zouden nemen van zijn plan van aanpak, dan had hij dit plan tijdiger moeten opstellen of had zijn advocaat (ten laatste op de zitting) om een aanhouding van de zaak moeten vragen ten einde de onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur de gelegenheid te geven om te reageren op het door betrokkene ingediende plan van aanpak. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat een verzoek om aanhouding is gedaan. Daarnaast meen ik dat het ontbreken van een beoordeling van een eigen plan van aanpak door de onafhankelijk psychiater en de geneesheer-directeur niet een zelfde gewicht toekomt als aan het ontbreken van een (actuele) medische verklaring, omdat zonder zo’n verklaring geen zorgmachtiging kan worden verleend.
3.30
Naar aanleiding van de motiveringsklacht merk ik het volgende op. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat twee behandelaars van betrokkene (te weten: de casemanager en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige) zich ter zitting over het plan van aanpak hebben uitgelaten (zie hiervoor 2.9). Beiden hadden het de avond daarvoor ingediende plan van aanpak dus gelezen en zich daar een algemeen oordeel over gevormd. Hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 2.8 (kort gezegd: de intenties zijn goed maar nemen niet met voldoende zekerheid het ernstig nadeel weg), sluit aan bij hun verklaringen.
3.31
Daarnaast beschikte de rechtbank over een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater, waarin onder meer wordt gewezen op een beperkt ziektebesef en -inzicht bij betrokkene. Hoewel het ingediende plan van aanpak uitvoerig is, is het niet onbegrijpelijk dat de rechtbank de waarnemingen en het oordeel van de onafhankelijk psychiater zwaar heeft laten wegen in verhouding tot het plan van aanpak van betrokkene. De mogelijk wat summiere motivering dat de rechtbank “niet de overtuiging [heeft] bekomen dat daarmee het ernstig nadeel kan worden afgewend” (zie rov. 2.8) acht ik in de omstandigheden van het geval niet ontoereikend.
3.32
Ter zitting is namens betrokkene nog aangevoerd dat hij bereid is het overleg met de zorgverantwoordelijken verder op te pakken.53.Daarin hoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om het verzoek van de officier van justitie af te wijzen en evenmin om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van zulk nader overleg. In dat verband herinner ik er verder aan dat het verlenen van een zorgmachtiging niet zonder meer betekent dat de daarin vermelde vormen van verplichte zorg ook daadwerkelijk worden toegepast. Om een of meer van de in de zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg te ‘activeren’, dient de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 8:9 Wvggz een aparte beslissing te nemen. Voorafgaand aan het nemen van zo’n beslissing dient de zorgverantwoordelijke overleg te voeren met betrokkene (art. 8:9 lid 1, aanhef en onder b, Wvggz).
3.33
In deze zaak heeft de casemanager ter zitting verklaard dat “onze intentie niet de opname is, maar behandeling en het maken van duidelijke afspraken.”54.In lijn daarmee is in de verleende zorgmachtiging bepaald dat voor het toepassen van bepaalde vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’, als aanvullende voorwaarde geldt dat “betrokkene ernstig (psychotisch) ontregelt” en “het ernstig nadeel niet langer kan worden aangewend door middel van de hiervoor vermelde vormen van verplichte zorg” (rov. 2.9, geciteerd in 2.12). Tot toepassing van de ‘zwaardere’ vormen van verplichte zorg kan in dit geval dus pas worden overgegaan als de ‘lichte’ vormen van verplichte zorg niet volstaan. Met hetzelfde doel te voorkomen dat verplichte zorg wordt opgelegd die niet noodzakelijk is, heeft de rechtbank, anders dan door de officier van justitie was verzocht, geen machtiging verleend voor verplichte zorg ‘in de vorm van het toedienen van vocht en voeding’. De rechtbank had ter zitting gevraagd of die vorm van verplichte zorg noodzakelijk was.55.In overeenstemming met het evenredigheidsvereiste heeft de rechtbank klaarblijkelijk willen voorkomen dat de zorgmachtiging vormen van verplichte zorg zou bestrijken die gelet op de situatie van betrokkene niet noodzakelijk moesten worden geacht.
3.34
Het voorgaande betekent dat ook onderdeel 2 geen doel treft.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑08‑2025
Zorgplan (prod. 6 in cassatie), p. 2, onder het kopje ‘Probleemomschrijving’.
Zorgplan p. 2-3 (rubriek 3.a).
Zorgplan, p. 9 (rubriek 8).
Zorgplan, p. 8 (rubriek 6.e).
Medische verklaring (prod. 5), p. 2 (rubriek 4.b).
Medische verklaring, p. 5 (rubriek 9).
Bevindingen geneesheer-directeur (prod. 4), p. 1.
Als prod. 10 is overgelegd een e-mailwisseling tussen betrokkene en zijn advocaat, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat betrokkene die zelfde dag (19 februari 2025) dit plan van aanpak zelf heeft geschreven. Dat is ook waarvan de rechtbank uitgaat, zie rov. 2.3 van de bestreden beschikking.
Plan van aanpak (prod. 11), p. 1.
Proces-verbaal, p. 2.
Proces-verbaal, p. 3.
Proces-verbaal, p. 2; spreekaantekeningen, p. 1-2.
In het proces-verbaal op deze plaats handgeschreven (door de griffier) toegevoegd: “gisteren aan de Rb per email verzonden”.
Rb. Haarlem 20 februari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:2700.
ECLI:NL:PHR:2022:786, nrs. 3.13-3.22 voor HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1850, NJ 2023/6 m.nt. J. Legemaate.
In de originele versie van de conclusie is dit nr. 3.15; in de op rechtspraak.nl gepubliceerde versie is in de nummering een randnummer weggevallen en staat het citaat in 3.14.
Zie ook de conclusie van 7 augustus 2020, ELCI:NL:PHR:2020:716 onder 2.3-2.9.
Kamerstukken II, 2015-2016, 32 399, nr. 24, blz. 21. Zie ook P. Vlaardingerbroek, T&C PFR, artikel 5:5, aant. 2.
Kamerstukken II, 2013–2014, 32 399, nr. 10, p. 45. Zie ook Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, (PWS nr. 12), 2020, p. 90-91.
Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10, p. 84 (met verwijzing naar de destijds voorgestelde art. 5:10 en 5:11 Wvggz over de medische verklaring) p. 87 (dat de geneesheer-directeur ervoor dient te zorgen dat de arts een toets uitvoert op het plan van aanpak), en p. 88 (over de verhouding tussen de medische verklaring ter beoordeling van het plan van aanpak en de beoordeling van het zorgplan).
Daarvan blijkt althans niet uit de wettekst en evenmin uit de wetsgeschiedenis, waarin deze mogelijkheid slechts summier is toegelicht. In de wetsgeschiedenis is onderkend dat de geneesheer-directer alleen dan betrokkene niet in de gelegenheid kan stellen een plan van aanpak op te stellen indien aan een specifieke voorwaarde is voldaan, en valt niet meer te lezen dat de rechter kan besluiten de behandeling te schorsen en betrokkene in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stellen. Zie Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10, p. 85.
Zie ook de in voetnoot 15 genoemde conclusie van A-G Lückers, nr. 3.18.
Zie ook de redactionele aantekening in JGZ 2021/2, bij HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1639 (81 RO).
Zie bijv. HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:195, RvdW 2025/259, rov. 3.2.
Zie HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1399, NJ 2022/322, rov. 3.1.4.
Zaaknr. 21/05192, onderdeel 3. Zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559. NJ 2022/161, rov. 3.3.
Net als A-G Lückers in haar voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:167), zie nrs. 3.1 en 3.22.
HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:559, NJ 2022/161, rov. 3.3.
J. Legemaate c.s., Evaluatie. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang. Deel 1 – Implementatie en uitvoerbaarheid, Den Haag: ZonMw, december 2021, p. 12 (samenvatting). Zie ook par. 3.2.3.5, p. 106-109 en par. 4.4.4.1, p. 175-177.
J. Legemaate c.s., Evaluatie. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang. Deel 2 – Doeltreffendheid en (neven)effecten, Den Haag: ZonMw, oktober 2022.
Evaluatie Wvggz Deel 2 (oktober 2022), par. 3.3.4.1, p. 61-64. Ik voeg hieraan toe dat dit beeld sindsdien niet is veranderd, zie bijv. de Ketenmonitor Wvggz 2023, par. 3.6, p. 24-25 (te raadplegen via https://www.dwangindezorg.nl/wvggz/ketenmonitor-wvggz).
Zie ook reeds de beleidsreactie op de eerste evaluatie van de Wvggz van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 13 maart 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 35 424 en 35 370, nr. 648, p. 5).
De periode van internetconsultatie liep tot 26 mei 2025. Dit wetgevingstraject is nog niet vermeld op wetgevingskalender.overheid.nl (laatstelijk geraadpleegd op 7 juli 2025).
Concept-MvT, p. 7.
Concept-MvT, p. 8.
Concept-MvT, p. 12.
De rechtbank laat dit immers in het midden, zie rov. 2.2 van de bestreden beschikking.
Pleitaantekeningen, p. 2.
Proces-verbaal, p. 3.
Proces-verbaal, p. 3.
Beroepschrift 19‑05‑2025
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de Wvggz
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om voor hem in dit rechtsgeding op te treden en voor verzoeker deze procesinleiding ondertekent en indient;
1.
Bij beschikking van 20 februari 2025 onder nummer C/15/361760/FA RK 25/6347 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem een machtiging tot het verlenen van verplichte zorg verleend als bedoeld in artikel 6:4 Wvggz tot en met 20 augustus 2025. Die beschikking met het verzoek van de officier van justitie van 7 februari 2025 met bijlagenoverzicht, de bevindingen van de geneesheer-directeur van 6 februari 2025, de medische verklaring van de psychiater [psychiater] van 31 januari 2025, het zorgplan/behandelplan van 9 januari 2025, de GBA-gegevens van 7 februari 2025, verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewind register van 7 februari 2025, historisch overzicht van 7 februari 2025 alsmede emailcorrespondentie met betrekking tot plan van aanpak, een e-mail van de advocaat van verzoeker mr. V.E. de Haas met het plan van aanpak van 19 februari 2025 alsmede het proces-verbaal van de zitting met pleitnotities van verzoekers advocaat van 20 februari 2025 legt verzoeker hierbij over.
2.
Verzoeker kan zich met de onderhavige beschikking van 20 februari 2025 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ten aanzien van het verzoek zorgmachtiging van 7 februari 2025 heeft overwogen zoals in de beschikking van 20 februari 2025 staat vermeld en heeft beslist zoals in die beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de rechtbank met betrekking tot het plan van aanpak het volgende overwogen:
‘… Het formele verweer van de advocaat
2.1.
Namens betrokkene heeft de advocaat in zijn e-mail van 19 februari 2025 en ter zitting primair het verweer opgeworpen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Daartoe is aangevoerd dat artikel 5:5, eerste lid, van de Wvggz is geschonden en betrokkene daarmee het recht is ontnomen om verplichte zorg door middel van het opstellen van een plan van aanpak te voorkomen. Niet alleen ontbreekt in het dossier een afschrift van een brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene, waarin hem wordt medegedeeld dat een zorgmachtiging wordt voorbereid en hem de mogelijkheid wordt geboden aan de geneesheer-directeur te kennen te geven een plan van aanpak te willen opstellen, ook stelt betrokkene geen brief van de geneesheer-directeur te hebben ontvangen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire verweer geen doel treft. Zij overweegt daartoe als volgt. Of de brief van de geneesheer-directeur aan de betrokkene is verzonden en ook is aangekomen, kan niet zonder meer door de rechtbank worden vastgesteld. Daar komt bij dat ingevolgde artikel 5:17, derde lid, van de Wvggz genoemde brief niet behoort tot een van de bescheiden die bij het verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging van de officier van justitie dienen te worden gevoegd. Bovendien is het antwoord op voornoemde vraag niet relevant, want als is verzuimd de brief naar betrokkene te verzenden — zoals de advocaat stelt — leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar verzoek, maar hooguit tot afwijzing van het verzoek omdat betrokkene de mogelijkheid is ontnomen om zelf een plan van aanpak op te stellen.
2.3.
Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank verder van oordeel dat in dit geval ook voor afwijzing van het verzoek geen aanleiding is, omdat betrokkene voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Zij gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de officier van justitie…’.
Welke overwegingen naar de mening van verzoeker onjuist zijn althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.1. De wettelijke regeling
Artikel 5:4 lid 2 sub a Wvggz geeft aan dat zodra de geneesheer-directeur door de officier van justitie is aangewezen:
‘Informeert de geneesheer-directeur betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat en de aanvrager, bedoeld in artikel 5:3, schriftelijk, dat op aanvraag of ambtshalve een verzoek voor een zorgmachtiging wordt voorbereid.’
Artikel 5:4 lid 2 sub c Wvggz noemt daarna de informatieplicht van de geneesheer-directeur onder meer ten aanzien van het plan onder verwijzing naar artikel 5:5 Wvggz.
Vervolgens vermeldt artikel 5:5 lid 1 Wvggz:
‘Indien betrokkene of de vertegenwoordiger de geneesheer-directeur binnen drie dagen na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, onderdeel a, schriftelijk te kennen geeft met familie of naasten zelf een plan van aanpak te willen opstellen om verplichte zorg te voorkomen, besluit de geneesheer-directeur na overleg met de officier van justitie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee dagen na de kennisgeving, of de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt geschorst om betrokkene in de gelegenheid te stellen een plan van aanpak op te stelled.’
Vervolgens wordt in lid 2 het volgende gezegd:
‘De geneesheer-directeur kan alleen afwijzend besluiten indien:
- a.
Hij van oordeel is dat het ernstig nadeel zich niet verdraagt met uitstel van de voorbereiding van een zorgmachtiging,
- b.
Betrokkene eerder in staat is gesteld zelf een plan van aanpak op te stellen en dat niet is gelukt of,
- c.
Betrokkene eerder een plan van aanpak heeft opgesteld maar daarmee verplichte zorg niet kon worden voorkomen en de feiten en omstandigheden sindsdien niet zodanig zijn veranderd dat de kans redelijkerwijs aanwezig moet worden geacht dat betrokkene nu wel in staat zal zijn een plan van aanpak op te stellen waarmee verplichte zorg kan worden voorkomen’.
Vervolgens wordt in artikel 5:5 lid 3 Wvggz vermeld dat de geneesheer-directeur — voordat hij besluit — betrokkene en de vertegenwoordiger in de gelegenheid stelt om te worden gehoord en in lid 4 dat de geneesheer-directeur betrokkene, de vertegenwoordiger en de aanvrager, bedoeld in artikel 5:3 Wvggz, schriftelijk op de hoogte stelt van zijn besluit. Indien hij afwijzend besluit deelt hij aan betrokkene en de vertegenwoordiger tevens schriftelijk zijn beweegredenen mee.
In de beschikking wordt niets over deze gang van zaken gezegd.
1.2. Rechtbank
De rechtbank overweegt sub 2.2. dat of de brief van de geneesheer-directeur aan betrokkene is verzonden en ook is aangekomen niet zonder meer door die rechtbank kan worden vastgesteld, maar de rechtbank vindt ook dat de in artikel 5:17, derde lid van de Wvggz genoemde brief niet behoort tot één van de bescheiden die bij het verzoekschrift tot het afgeven van een zorgmachtiging van de officier van justitie dienen te worden gevoegd. De wijze waarop de rechtbank dit benoemt in de beschikking is wel heel erg gemakkelijk.
In artikel 5:17 lid 3 sub d van de Wvggz wordt namelijk uitdrukkelijk overwogen dat bij het verzoekschrift in ieder geval moet worden gevoegd de beslissing bedoeld in artikel 5:5, vierde lid, indien de geneesheer-directeur betrokkene niet in de gelegenheid heeft gesteld een plan van aanpak op te stellen.
Dat stuk bevindt zich niet bij de stukken die door de officier van justitie in deze zaak zijn overgelegd.
Verzoeker is kennelijk blijkens het dossier al tien jaar in behandeling. Uit het historisch overzicht blijkt niet van een eerdere beslissing met betrekking tot verplichte zorg. Er zal dan ook niet eerder een plan van aanpak gemaakt zijn. Er blijkt uit de stukken niet van een situatie als bedoeld in artikel 5:5 lid 1 of lid 2 van de Wvggz. Ook blijkt niet van het horen als bedoeld in 5:5 lid 3 van de wet, noch blijkt dat er een schriftelijke mededeling van beweegredenen als bedoeld in artikel 5:5 lid 4 Wvggz is en evenmin wordt voldaan aan hetgeen gesteld is in artikel 5:5 lid 5, 6 en 7 Wvggz.
Nergens blijkt dat de officier van justitie zich heeft gerealiseerd dat niet aan voormelde bepalingen van de wet werd voldaan. De officier van justitie is dus in gebreke gebleven om over te leggen wat volgens de wet overgelegd moet worden. Of dat nu tot een niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie zou moeten leiden of tot een volledige afwijzing van het verzoek, hangt waarschijnlijk af van de situatie. Belangrijk is dat hier kennelijk voor het eerst aan de orde is de vraag of een beslissing moet worden genomen die tot een vrijheidsbeneming kan leiden als bedoeld in artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM waarbij aan de betrokkene vanzelfsprekend alle mogelijkheden moeten worden geboden om zijn standpunt naar voren te brengen om te voorkomen dat een dergelijke beslissing tot vrijheidsbeneming zal worden genomen.
II.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de rechtbank met betrekking tot het daags voor de zitting ingeleverde plan van aanpak van verzoeker het volgende overwogen:
‘…2.3.
Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank verder van oordeel dat in dit geval ook voor afwijzing van het verzoek geen aanleiding is, omdat betrokkene voor de mondelinge behandeling van het verzoek een plan van aanpak heeft opgesteld. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Zij gaat daarom over tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de officier van justitie …’.
Alsmede:
‘…2.8.
Anders dan door betrokkene en zijn advocaat gesteld, is de rechtbank van oordeel dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. In dit verband heeft de rechtbank kennisgenomen van het door betrokkene opgestelde plan van aanpak, maar — hoewel de intenties uit het plan van aanpak goed zijn — niet de overtuiging bekomen dat daarmee het ernstig nadeel kan worden afgewend. De rechtbank neemt hierbij eveneens in overweging dat sprake is van beperkt ziektebesef en -inzicht bij betrokkene en dat het vrijwillig kader eerder ontoereikend is geweest om het ernstig nadeel af te wenden. Om die reden is verplichte zorg noodzakelijk…’.
Welke overwegingen naar de mening van verzoeker onjuist zijn althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
2.1. Wie beoordelen plan van aanpak?
Er wordt een dag voor de zitting — omdat verzoeker naar mag worden aangenomen via de advocaat gehoord heeft dat hij een plan van aanpak had kunnen maken — alsnog een plan van aanpak ingeleverd. Uit de wet blijkt dat het niet primair aan de rechter is om te beoordelen of het plan van aanpak kan betekenen dat daarmee ernstig nadeel wordt afgewend.
Artikel 5:15 lid 1 Wvggz vermeldt dat de geneesheer-directeur beoordeelt of het zorgplan voldoet aan de uitgangspunten van artikel 2:1 Wvggz en, indien toepassing is gegeven aan artikel 5:5, vijfde lid Wvggz , of het plan als bedoeld in artikel 5:5 Wvggz, voldoet aan het uitgangspunt dat geen ernstig nadeel ontstaat. De geneesheer-directeur draagt gelet op artikel 5:15 lid 2 Wvggz zijn bevindingen als bedoeld in het eerste lid, vergezeld van de zorgkaart en het zorgplan over aan de officier van justitie. In het huidige geval zijn de bepalingen met betrekking tot het plan van aanpak niet nageleefd en is dus ook niet voldaan aan artikel 5:15 Wvggz waar het betreft het plan van aanpak.
In de medische verklaring wordt sub 7d gevraagd of met de medische verklaring ook het plan van aanpak van betrokkene is beoordeeld. Dat wordt natuurlijk negatief beantwoord. Er is immers geen plan van aanpak. Of het plan van aanpak het aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor betrokkene of een ander zou kunnen wegnemen zoals vraag 7 sub e luidt kon dan ook niet worden beantwoord.
Noch de psychiater die het medisch onderzoek heeft gedaan noch de geneesheer-directeur hebben zich over een plan van aanpak uitgelaten en dus ook niet over het plan van aanpak dat verzoeker gemaakt heeft toen hij door zijn advocaat op de hoogte werd gesteld van de gang van zaken rond het plan van aanpak.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de casemanager verklaart:
‘…Ik heb het plan van aanpak van betrokkene gelezen. De intenties zijn goed, er wordt beschreven dat er veel contact met het zorgteam zal zijn en dat de voorgeschreven medicatie zal worden ingenomen. Op zich staan wij achter die intenties, maar ik vraag me af of het feitelijk haalbaar is…’.
Kennelijk is er nooit eerder een plan van aanpak geweest. Verzoeker heeft zijn best gedaan om te beschrijven hoe en wat en dan is er alle reden om dat te proberen en om te laten zien of dat plan van verzoeker feitelijk haalbaar is.
Als er een plan ligt kan men ook vragen om dat na te leven.
Zoals zijn advocaat heeft verklaard blijkens het proces-verbaal van de zitting is het contact met zijn ouders gestabiliseerd, woont hij weer bij zijn vader en is hij weer met zijn studie bezig en zou ook stage lopen. De procedure met betrekking tot de zorgmachtiging heeft bewerkstelligd dat die stage nu weer op een zijspoor is beland.
Uit artikel 2:1 Wvggz blijkt dat de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur voldoende mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid moeten bieden om daarmee verplichte zorg zoveel mogelijk te voorkomen. De verplichte zorg kan alleen als uiterste middel worden overwogen indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg zijn. Er was dan ook naar de mening van verzoeker alle reden om zijn initiatief om een plan van aanpak te maken niet zomaar te passeren zonder dat de personen die een plan van aanpak zouden moeten beoordelen daar zelfs voor zijn ingeschakeld. Het is niet aan de rechtbank om het plan van aanpak in relatie tot het ernstig nadeel te oordelen zonder dat daar adviezen liggen van de personen die daarvoor volgens de wet bij betrokken behoren te zijn.
Naar de mening van verzoeker had de rechtbank gelet op het bovenstaande eerst nader onderzoek moeten laten doen alvorens het plan van aanpak — dat toch een belangrijke functie kan vervullen om verplichte zorg te voorkomen — zomaar terzijde te laten. Nu diegenen die het plan van aanpak hadden moeten beoordelen daar zelfs niet voor zijn benaderd, zou ook om die reden de beschikking voor vernietiging in aanmerking moeten komen.
Dat verzoeker meent dat op grond van de bovenstaande middelen de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt;
Dat verzoeker procedeert onder toevoeging nummer 3MS6744, waarvan een kopie hierbij wordt overgelegd;
Weshalve
Het de hoge raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 20 februari 2025 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vernemen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 19 mei 2025
mr. G.E.M. Later
advocaat