Hof Amsterdam, 24-09-2013, nr. 200.072.218-01
ECLI:NL:GHAMS:2013:3282
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
24-09-2013
- Zaaknummer
200.072.218-01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2013:3282, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑09‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2012:998, Uitspraak, Hof Amsterdam, 01‑05‑2012; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2011:1635, Uitspraak, Hof Amsterdam, 31‑05‑2011; (Hoger beroep)
Uitspraak 24‑09‑2013
Inhoudsindicatie
Zie tussenarrest 16 oktober 2012. Waardebepaling aan de hand van deskundigenbericht.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.072.218/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 427272/HA ZA 09-1484
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2013
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. P. Stehouwer te Sneek,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TRUSTKANTOOR FAGOED I B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
1. Het verdere procesverloop
In het tussenarrest van 1 mei 2012 heeft het hof E. Oostra, C.H. van Zadelhoff en H.C. van Putte als deskundigen benoemd.
De deskundigen hebben een rapport uitgebracht, dat op 28 maart 2013 bij de griffie van dit hof is binnengekomen.
Hierna hebben beide partijen een memorie na deskundigenbericht genomen.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1
In het tussenarrest van 1 mei 2012 heeft het hof de deskundigen de volgende vragen voorgelegd:
(a) Wat is de waarde van het recht van erfpacht, zoals dat in deze procedure aan de orde is, per 5 november 2008, uitgaande van wat een derde zou willen betalen voor dit recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden;
( b) Kunt u daarbij ingaan op de geschiktheid van de methoden van waardebepaling van het recht van erfpacht, zoals die zijn verdedigd door Fagoed (methode-Fagoed en methode-Tollner) respectievelijk [appellant] (methode-Spriensma);
( c) Heeft u verder nog iets op te merken dat in deze zaak van belang kan zijn?
2.2
In hun rapport hebben de deskundigen het volgende vermeld:
“(…)
1. Wat is de waarde van het recht van erfpacht, zoals dat in deze procedure aan de orde is, per 5 november 2008, uitgaande van wat een derde zou willen betalen voor dit recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden?
(…)
Ondergetekenden hebben eerst de waarde in het economische verkeer in vrije staat per peildatum bepaald. Uitgaande van alle feiten en omstandigheden komen deskundigen op een totale waarde van € 281.500,--, zijnde € 25.600,-- per hectare. (…)
(…)
Om de waarde van het erfpachtsrecht op peildatum te bepalen hebben deskundigen een viertal methoden gehanteerd, aangevuld met hun gezamenlijke kennis van de markt van erfpachtrechten.
De gehanteerde methoden zijn:
- -
Tollner-methode
- -
Fagoed methode
- -
Spriensma-methode met inachtneming van inflatie
- -
Vergelijkingsmethode
Hierna zullen alle vier de methoden worden besproken en cijfermatig worden weergegeven. Alle methoden geven een indicatie van een mogelijke waarde, de daadwerkelijke waarde wordt door deskundigen benaderd, op basis van hun markt-kennis. Deskundigen benadrukken daarbij dat volgens de ethiek van het vak taxeren, de markt eerst bepaalt wat een marktwaarde is en bij onvoldoende vergelijkbare marktgegevens hulp moet worden gezocht in rekenmethodieken.
Tollner-methode
(…)
€ 45.123,18 (…)
Fagoed-methode
(…)
€ 24.238,91
(...)
Spriensma-methode met inachtneming van inflatie
(…)
Spriensma gaat ten onrechte uit van een hoger rentepercentage omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met de inflatoire stijging van de canon. Een juiste vergelijking dient plaats te vinden tussen de canon per peildatum en een langjarige rente (5 of 10 jaar vast) vermindert met de gemiddelde inflatie. De eerder genoemde rente van 4% is door deskundigen bepaald als netto rente: langjarige hypotheekrente minus inflatie.
Fagoed heeft in de reactie op het concept-rapport aangegeven dat onderhavige methode een onjuiste methode is. Deskundigen reageren hierop als volgt.
De Spriensma-methode hebben deskundigen bij het bepalen van de vastgestelde waarde niet betrokken, omdat bij deze methode, zoals hiervoor genoemd, uitgegaan is van een te hoge rente en omdat er geen correctie voor inflatie is doorgevoerd.
Vergelijkingsmethode
Deskundigen hebben het Kadaster opdracht gegeven om transacties van erfpachtsrechten te overleggen binnen een straal van 50 kilometer rondom onderhavige gronden. De uitkomsten zijn divers, van € 1,-- voor het geheel en een transactie van € 22.500,--/ha. Deskundigen hebben alle transacties beoordeeld en vergeleken met onderhavig erfpachtrecht. Van dit onderzoek is een overzicht gemaakt, welke is bijgevoegd. Op grond van dit onderzoek nemen deskundigen aan dat in de markt over het algemeen meer wordt voldaan voor erfpachtrechten, dan uit de rekenmethodieken blijkt, hoewel er geen goede algemene markt uit is te destilleren,
Op grond van de diverse vergelijkingstransacties aangevuld met de gehanteerde rekenmethoden komen deskundigen voor onderhavig recht van erfpacht op peildatum op een waarde in het economisch verkeer van circa € 5.230,-- per hectare, voor 10.99.34 ha zijnde totaal € 57.500,-- (…)
Partijen hebben in de reacties op het concept-rapport aangegeven een onderbouwing van deze waarde-methode te missen. Deskundigen onderbouwen deze waarde-methode als volgt.
Fagoed stelt dat deskundigen deze waarderingsmethode niet kunnen gebruiken omdat deze buiten de opdrachtsomschrijving van het Hof zou gaan. Deskundigen zijn het daarmee niet eens (…)
Terzake de gegeven transacties hebben deskundigen als volgt gehandeld. Deskundigen hebben alle transacties beoordeeld op
* bodemkundige omstandigheden;
* ligging;
* resterende duur;
* erfpachtvoorwaarden voor zover deze beschikbaar waren.
Dus vrijwel alle transacties op veen- en kleigronden zijn buiten beschouwing gelaten, daar in die gebieden veelal een andere vrije verkeerswaarde geldt. Ten aanzien van de duur hebben deskundigen bepaald dat de erfpacht in de vergelijkingstransacties nog minimaal 20 jaar moet duren. (…) Voor een goed vergelijk zijn de voorwaarden met betrekking tot de duur en hoogte van de canon, de canonaanpassing en koopmogelijkheid van doorslaggevende betekenis. Na deze screening zijn van de resterende groen/rood gearceerde transacties, de koopsommen herberekend naar de hoogte van de canon van onderhavig erfpachtsrecht. (…) Omgerekend naar de erfpacht Fagoed/Poelstra geeft deze transactie de volgende rekensom 499/819,04 x € 9.158,50 = € 5.580,--/ha.
(…)
2. Kunt u daarbij ingaan op de geschiktheid van de methoden van waardebepaling van het recht van erfpacht, zoals die zijn verdedigd door Fagoed (methode-Fagoed en methode-Tollner) respectievelijk [appellant] (methode-Spriensma)?
Alle methoden, al dan niet gecorrigeerd met inflatie, zijn hulpmiddelen voor het verkrijgen van een indicatieve waarde. Een daadwerkelijke waardebepaling kan alleen verkregen worden met behulp van vergelijkings-tranasacties en de interpretatie daarvan als ook een deskundigeninterpretatie van de markt voor erfpachtrechten.
(…)
III Conclusie
Op grond van de diverse vergelijkingstransacties aangevuld met de gehanteerde rekenmethoden komen deskundigen voor onderhavig recht van erfpacht op peildatum op een waarde in het economische verkeer van circa € 5.230,-- per hectare, voor 10.99.34 ha zijnde totaal € 57.500,--.
(…)”
2.3
[appellant] heeft in zijn reactie op het deskundigenbericht benadrukt dat Poelstra in mei 2002 voor het erfpachtsrecht een bedrag heeft betaald van € 223.300,--, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 20.312,-- per ha voor een duur van (ruim) 47 jaar. In dat licht is het volgens [appellant] niet goed voorstelbaar dat datzelfde erfpachtsrecht ruim zes jaar later nog maar € 5.230,-- per ha waard zou zijn. Voorts is [appellant] van mening dat de deskundigen in hun bericht transacties met erfpachtrechten op klei- en veengronden ten onrechte buiten beschouwing hebben gelaten. Volgens [appellant] hebben de deskundigen ook ten onrechte een korting toegepast van 10%.
2.4
Fagoed heeft in haar reactie aangegeven zich om processuele redenen geheel te conformeren aan het deskundigenbericht.
2.5
In hetgeen door [appellant] naar voren is gebracht, ziet het hof onvoldoende aanleidingen te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de deskundigen. De deskundigen hebben zeer uitvoerig de verschillende waarderingsmethoden besproken en aangegeven waar die toe leiden. Voorts hebben zij beargumenteerd dat op grond van de diverse vergelijkingstransacties, aangevuld met de gehanteerde rekenmethoden, hun waardering leidt tot een bedrag van € 5.230,--. Ook hebben de deskundigen aangegeven dat alle methoden slechts hulpmiddelen zijn, en dat een daadwerkelijke waardebepaling alleen kan worden verkregen met behulp van vergelijkingstransacties en de interpretatie daarvan, als ook een deskundigeninterpretatie van de markt voor erfpachtrechten. Mede in dit licht maakt het hof de bevindingen van de deskundigen tot de zijne. Ook in hetgeen overigens door [appellant] nog is aangevoerd (in zijn reactie op het concept-rapport) ziet het hof geen aanleiding om de bevindingen van de deskundigen in twijfel te trekken. Het hof deelt ook niet het standpunt van [appellant] dat de deskundigen een bandbreedte hadden moeten geven en dat het hof zelf de waarde had moeten schatten; tegen de achtergrond van de omstandigheid dat het hof niet beschikt over de daarover vereiste deskundige kennis, valt niet in te zien hoe dat tot een meer adequate waardebepaling zou hebben geleid dan de onderhavige waardering door deskundigen.
Het hof neemt de bevindingen van de deskundigen derhalve over.
2.6
De waarde van het erfpachtsrecht van Poelstra dient derhalve per 5 november 2008 op € 57.500,-- te worden gesteld. Het hof ziet in de verder nog door [appellant] aangevoerde omstandigheden – dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, namelijk dat Fagoed door vermenging eigenaar is geworden van het blote eigendom – onvoldoende grond om de waarde van het erfpachtsrecht op een ander bedrag vast te stellen. Ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is er onvoldoende grond om tot een ander bedrag te komen.
2.7
Nu in hoger beroep niet ter discussie staat dat de vordering van Fagoed op Poelstra per genoemde datum € 70.659,15 beliep, betekent dit dat de vordering van Fagoed per 5 november 2008 hoger was dan de waarde van het opgezegde erfpachtrecht per die datum.
De consequentie hiervan is dat [appellant] op grond van art. 3:229 BW jo. 5:87 lid 2 BW niets van Fagoed te vorderen had. Zijn vordering dient derhalve te worden afgewezen.
Slotsom
2.8
De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, daaronder begrepen de kosten van de deskundigen.
Het hof ziet in hetgeen [appellant] in dat verband heeft aangevoerd, onvoldoende aanleiding de kosten van de deskundigen deels voor rekening van Fagoed te laten komen. Voor zover [appellant] de in de verschotten begrepen kosten van de deskundigen reeds bij voorschot heeft voldaan, hoeft hij dit uiteraard niet opnieuw te betalen.
De kostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu dit niet is gevorderd door Fagoed.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2010,
24 februari 2010 en 19 mei 2010;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot op heden aan de zijde van Fagoed op op € 21.141,09 aan verschotten (daaronder begrepen de totale kosten van de deskundigen) en € 4.077,50 voor salaris;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, C.C. Meijer en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 september 2013.
Uitspraak 01‑05‑2012
Inhoudsindicatie
Zie tussenarrest 16 oktober 2012. Drie deskundigen benoemd.
Partij(en)
zaaknummer 200.072.218/01
1 mei 2012
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. P. Stehouwer te Sneek,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRUSTKANTOOR FAGOED I B.V., gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellant] en Fagoed.
1. Het verdere procesverloop
1.1
Voor het procesverloop tot aan het tussenarrest van
31 mei 2011 wordt verwezen naar dat tussenarrest.
1.2
Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] een akte
genomen.
1.3
Fagoed heeft een antwoordakte genomen.
1.4
Vervolgens hebben partijen om arrest gevraagd.
2. De verder beoordeling
2.1
In r.o. 3.12 van het tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich konden uitlaten over de te benoemen deskundige en de concept-vraagstelling van het hof.
2.2
Met betrekking tot de concept-vraagstelling heeft [appellant] aangegeven zich te kunnen verenigen met de concept-vraagstelling van het hof.
Fagoed heeft voorgesteld dat in de vraagstelling onder a de volgende tekst wordt toegevoegd:
“… en rekening houdende met (i) de tussen partijen vaststaande gegevens, zoals vermeld op pagina 1 van de bij akte d.d. 10 februari 2010 behorende notitie van ir. M. de Koe, alsmede (ii) met de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 10 april 1996, LJN AA1866, 30637.”
Het hof ziet onvoldoende aanleiding de voorgestelde toevoeging over te nemen, nu het hier gaat om een in opdracht van Fagoed opgestelde notitie. Uiteraard dienen de deskundigen kennis te nemen van alle processtukken, waaronder de van beide kanten in het geding gebrachte notities van derden.
2.3
Met betrekking tot de te benoemen deskundigen hebben partijen aangegeven de voorkeur te geven aan de benoeming van drie deskundigen. Na correspondentie tussen hof en partijen hebben partijen overeenstemming bereikt over de deskundigen H.C. van Putte, E. Oostra en C.H. van Zadelhoff. Alle drie de deskundigen hebben aangegeven de benoeming te aanvaarden. Voorts hebben de deskundigen opgave gedaan van de kosten die naar hun inschatting gemoeid zullen zijn met hun werk. Het hof zal derhalve overgaan tot de benoeming van deze deskundigen.
2.4
Met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek geldt het volgende. Van Putten, Oostra en Zadelhoff hebben de met hun werkzaamheden gemoeide kosten begroot op achtereenvolgens € 4.462,50 +€ 267,75 (Van Putte); € 6.500,-- (Oostra) en € 7.8161,52 (Van Zadelhoff).
Na correspondentie tussen de raadslieden en de deskundigen over de hoogte van de kosten, heeft [appellant], na beraad, aangegeven akkoord gegaan met deze kostenopgaaf, zij het dat deskundigen dringend wordt verzocht om de kosten zoveel mogelijk te matigen.Het hof verzoekt deskundigen derhalve zoveel mogelijk hun kosten te matigen.
2.5
Zoals in het tussenarrest reeds is overwogen, zullen de kosten van het deskundigenbericht moeten worden voorgeschoten door [appellant]. Het voorschot zal door het hof worden bepaald op € 19.100,--.
2.6
Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.
3. Beslissing
Het hof:
1. benoemt tot deskundigen:
1. E. Oostra te Ysbrechtum;
2. C.H. van Zadelhoff te Strijen;
3. H.C. van Putte te Swifterband;
met opdracht om gezamenlijk een schriftelijk en een met redenen omkleed bericht uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
(a) Wat is de waarde van het recht van erfpacht, zoals dat in deze procedure aan de orde is, per 5 november 2008, uitgaande van wat een derde zou willen betalen voor dit recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden;
(b) Kunt u daarbij ingaan op de geschiktheid van de methoden van waardebepaling van het recht van erfpacht, zoals die zijn verdedigd door Fagoed (methode-Fagoed en methode-Tollner) respectievelijk [appellant] (methode-Spriensma);
(c) Heeft u verder nog iets op te merken dat in deze
zaak van belang kan zijn?
2. bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld een afschrift van dit arrest, alsmede van het tussenarrest van 31 mei 2011, aan de deskundigen zal toezenden;
3. bepaalt dat partijen binnen drie weken na heden kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen;
4. bepaalt dat [appellant] binnen drie weken na heden een bedrag van € 19.100,-- als voorschot op het loon en de kosten van de deskundige ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op het rekening nummer bij RBS: 56.99.90.505, ten name van het Gerechtshof Amsterdam en onder vermelding van ‘zaaknummer 200.072.218/01, [appellant]/Fagoed.’
5. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na de ontvangst van het voorschot de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met het onderzoek hoeft aan te vangen;
6. bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig - dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundigen te bepalen tijd en plaats;
7. bepaalt dat de deskundigen partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijke bericht van de deskundigen dient te blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of verzoeken;
8. bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof uiterlijke drie maanden nadat zij met hun onderzoek zijn aangevangen en dat zij tegelijk met dit bericht hun declaratie ter griffie zullen indienen onder vermelding van ‘zaaknummer 200.072.218/01, [appellant]/Fagoed’;
9. bepaalt dat de zaak ter rolle zal worden uitgeroepen op de vierde dinsdag na indiening van het bericht, zulks voor het vragen van arrest, of, indien partijen daarvan gebruik willen maken, voor het nemen van memories na deskundigenbericht;
1. houdt iedere nadere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock,
W.J. Noordhuizen en J.C. Toorman en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2012 door de rolraadsheer.
Uitspraak 31‑05‑2011
Inhoudsindicatie
Zie tussenarrest 16 oktober 2012. Vraagstelling voor deskundigen.
Partij(en)
zaaknummer 200.072.218/01
31 mei 2011
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
advocaat: mr. P. Stehouwer te Sneek,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRUSTKANTOOR FAGOED I B.V., gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellant] en Fagoed.
1. Het procesverloop
1.1.
Bij dagvaarding van 10 augustus 2010 is [appellant]
in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank te Amsterdam van 13 januari 2010, 24 februari 2010 en 19 mei 2010, gewezen onder nummers 427272/HA ZA 09-1484 tussen hem als eiser en Fagoed als gedaagde.
1.2.
In de appeldagvaarding heeft [appellant] van
grieven gediend, met conclusie tot vernietiging van de bestreden vonnissen en, uitvoerbaar bij voorraad, toewijzing van zijn vordering en veroordeling van Fagoed in de kosten van het geding in beide instanties.
1.3.
Fagoed heeft geantwoord met conclusie, kort gezegd,
dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
1.4
Hierna heeft [appellant] nog een akte genomen, waarbij hij een productie in het geding heeft gebracht.
1.5
Fagoed heeft een antwoord-akte genomen.
1.6
Tenslotte hebben partijen om arrest gevraagd.
2. De feiten
2.1
Tussen partijen bestaat geen geschil over de juistheid van de door de rechtbank in het tussenvonnis van 13 januari 2010 onder r.o. 2.1 tot en met 2.12 als vaststaand aangemerkte feiten, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep nog van belang, om het volgende.
2.2
Fagoed is een onderneming die vastgoed in de agrarische sector financiert. Fagoed koopt hiertoe landbouwgrond van een agrariër aan en geeft dit gelijktijdig in erfpacht uit aan de verkopende agrariër.
2.3
Bij notariële akte van 28 mei 2002 heeft Fagoed enkele percelen landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente Grootegast, secties F, nummer 1405, 1406, 1407, 1409, 2916, 4246, 4287 en 4678, met een gezamenlijke oppervlakte van 10.99.34 hectare (hierna: de percelen) aangekocht van [W]. De koopsom bedroeg € 223.300,--.
2.4
Fagoed heeft de percelen gelijktijdig in erfpacht uitgegeven aan [W], voor een periode van ruim 47 jaar en tegen een aanvangscanon van € 8.050,-- per kalenderjaar.
2.5
De notariële akte van 28 mei 2002 bevat met betrekking tot de erfpachtsuitgifte onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 10 RECHT VAN AANKOOP DOOR ERFPACHTER
1. De erfpachter en zijn rechtsopvolger(s) onder algemene en bijzondere titel is/zijn gerechtigd tot aankoop van het registergoed:
2. a. bij het overlijden van de erfpachter.
b. indien de eigenaar tot vervreemding van het registergoed of een gedeelte daarvan wil overgaan, voor het deel dat de eigenaar wil vervreemden.
c. bij het einde van het erfpachtsrecht.
d. op een januari van de jaren tweeduizend negenentwintig, tweeduizend vijfendertig, tweeduizend eenenveertig en tweeduizend zevenenveertig.
(…)
3. De koopprijs wordt berekend door de canon, welke per jaar verschuldigd zou zijn na de herziening per de datum, waarop de erfpachter overeenkomstig lid 1 gebruik wil maken van zijn aankooprecht, te vermenigvuldigen met het getal, dat wordt verkregen door het getal eenhonderd te delen door het in artikel 2 lid 2 vermelde percentage. Indien de berekende koopprijs de waarde overtreft van het registergoed vrij van gebruiksrecht onder enige titel, dan wordt de koopprijs vastgesteld op deze waarde.
Indien de berekende koopprijs lager uitkomt dan het aankoopbedrag verhoogd met de aankoopkosten voor de eigenaar, zoals genoemd in artikel 2 lid 2, dan wordt de koopprijs vastgesteld op het aankoopbedrag verhoogd met de aankoopkosten.
4. Voorts is/zijn de erfpachter en zijnrechtsopvolger(s) onder algemene en bijzondere titel gerechtigd tot aankoop van het registergoed over te gaan op een januari tweeduizend zeventien, in welk geval de koopprijs wordt berekend als volgt:
a. de volgens artikel 10 lid 3 vastgestelde koopprijs wordt verhoogd met een vergoeding gelijk aan de contante waarde van het verschil tussen het in artikel 2 lid 2 genoemd canonpercentage en het op het moment van aankoop geldende canonpercentage voor nieuw af te sluiten erfpachtcontracten, te berekenen over de verschuldigde canon op het moment van de aankoop en over de periode gelegen tussen het moment van aankoop en de in artikel 10 lid 1d genoemde eerstvolgende contractuele aankoopdatum, of, indien het erfpachtcontract een contract voor zevenentwintig jaar betreft, de in artikel 10 lid 1c genoemde einddatum.
b. Als disconteringsvoet voor de berekening van de contante waarde wordt het op het moment van aankoop geldende canonpercentage voor nieuw af te sluiten erfpachtcontracten gehanteerd.
c. De in lid a genoemde vergoeding is slechts verschuldigd indien het op het moment van aankoop voor nieuw af te sluiten erfpachtovereenkomsten geldende canonpercentage lager is dan het in artikel 2 lid 2 genoemde canonpercentage.
5. (…)
6. De kosten en belastingen ter zake van de koop
en overdracht komen ten laste van de koper.”
2.6
[W] heeft de door hem verschuldigde erfpachtscanon aan Fagoed vanaf het begin onbetaald gelaten.
2.7
In 2002 heeft [appellant] een geldlening verstrekt aan [W] ter hoogte van € 138.000,--, tegen een rente van 7% per jaar. De lening diende uiterlijk op 31 december 2004 te zijn afgelost.
2.8
Tot zekerheid van de geldlening heeft [W] aan [appellant] een recht van pand respectievelijk hypotheek verleend met als onderpand het recht van erfpacht.
2.9
[W] heeft de geldlening aan [appellant] niet afgelost.
2.10
Op 28 juni 2007 is [W] failliet verklaard.
2.11
Bij deurwaardersexploot van 5 augustus 2008 heeft Fagoed het recht van erfpacht aan [W] opgezegd, omdat hij meer dan twee jaar in gebreke was met de betaling van de canon. Het exploot is op diezelfde datum overbetekend aan [appellant].
2.12
[appellant] heeft bij Fagoed op grond van het bepaalde in artikel 5:87 lid 2 BW in samenhang met artikel 3:229 BW aanspraak gemaakt op vergoeding van de waarde van het erfpachtsrecht. Fagoed heeft dit geweigerd, omdat volgens haar de achterstand ter zake van de canonverplichtingen van [W] groter is dan de waarde van het erfpachtsrecht.
3. De beoordeling
3.1
In de overhavige procedure vordert [appellant] vergoeding van de waarde van het erfpachtsrecht van Fagoed op de datum van beëinding van het erfpachtsrecht,5 november 2008. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, waartegen [appellant] opkomt in hoger beroep.
3.2
Het hoger beroep beperkt zich tot de subsidiaire grondslag van de vordering van [appellant], te weten artikel 5:87 lid 2 BW juncto artikel 3:229 BW. De primaire grondslag, die berustte op artikel 3:81 lid 3 BW, heeft [appellant] in hoger beroep niet gehandhaafd.
Evenmin heeft [appellant] gehandhaafd zijn op wanprestatie of onrechtmatige daad gebaseerde vordering.
3.3
Artikel 5:87 lid 2, slotzin, BW bepaalt dat, in het geval van opzegging van de erfpacht door de eigenaar, de eigenaar na het einde van de erfpacht verplicht is de waarde die de erfpacht dan heeft aan de erfpachter te vergoeden, na aftrek van hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft, de kosten daaronder begrepen.
Artikel 3:229 BW brengt mee dat het hypotheekrecht van [appellant] op het erfpachtsrecht van [W], van rechtswege een pandrecht heeft meegebracht op de vordering tot vergoeding van de waarde van het erfpachtsrecht als omschreven in artikel 5:87 lid 2 BW, die, na beëindiging van het erfpachtsrecht, immers in de plaats daarvan is getreden.
3.4
In deze procedure dient derhalve vastgesteld te worden wat het beloop was van de waarde van het erfpachtsrecht van [W], ten tijde van de beëindiging van het erfpachtsrecht per 5 november 2008, zulks op de voet van artikel 5:87 lid 2, slotzin, BW.
3.5
De grieven van [appellant] komen er in de kern op neer dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de waarde van het erfpachtrecht moet worden vastgesteld aan de hand van de berekeningsmethoden Fagoed of Tollner. De rechtbank had, zo stelt [appellant], een deskundige moeten benoemen om de waarde van het erfpachtsrecht vast te stellen.
De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
3.6
Als uitgangspunt voor de waardebepaling van het recht van erfpacht moet naar ‘s hofs oordeel worden genomen wat een derde zou willen betalen voor het recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden.
3.7
Voor zover [appellant] zou willen betogen dat bij de waardebepaling van het recht van erfpacht geabstraheerd zou moeten worden van het terugkooprecht van artikel 10 van de erfpachtsvoorwaarden, kan het hof dit derhalve niet onderschrijven. Bij de waardebepaling dient te worden uitgegaan van het recht van erfpacht, in aanmerking genomen de erfpachtsvoorwaarden zoals die in het concrete geval waren verbonden aan het recht van erfpacht. Daartoe behoort derhalve ook het terugkooprecht.
3.8
Door Fagoed zijn twee verschillende methoden verdedigd voor de waardering van het recht van erfpacht, die er beide toe leiden dat de waarde van het recht lager zou zijn dan hetgeen [W] op zijn beurt nog aan Fagoed is verschuldigd.
3.8.1
Volgens de methode-Fagoed is de waarde van het erfpachtrecht gelijk aan het verschil tussen de agrarische waarde in onbelaste staat en de terugkoopsom, zoals die berekend dient te worden volgens artikel 10 lid 3 van de erfpachtsvoorwaarden. Omdat volgens de methode-Fagoed de agrarische waarde gelijk is aan de waarde van de terugkoopsom (bij een agrarische waarde van € 22.000,-- per hectare) dan wel slechts beperkt hoger is dan de terugkoopsom (bij een agrarische waarde van € 26.000,--), leidt dit tot een waarde van het recht van erfpacht van nihil (bij een hectareprijs van € 22.000,--) of € 22.385,-- (voor het totale object, bij een hectareprijs van € 26.000).
3.8.2
De methode-Tollner is erop gericht, zo is vermeld in de toelichting daarop van Fagoed, vast te stellen wat er in de markt wordt betaald voor het recht van erfpacht, indien de erfpachter op enig moment het recht van erfpacht aan een derde zou vervreemden. Ook daarbij wordt uitgegaan, zo begrijpt het hof, van het verschil tussen de waarde van de bloot-eigendom van de gronden en de agrarische waarde. De waarde van de bloot-eigendom wordt berekend door het optellen van de gekapitaliseerde canon tot het einde van de looptijd en de contante waarde van de gronden bij het einde van de looptijd. Die contante waarde van de gronden bij het einde van de looptijd wordt bij de methode-Tollner bepaald door de volgens artikel 10 van de erfpachtvoorwaarden te berekenen terugkoopsom. Doordat, volgens de methode-Tollner, de waarde van de bloot-eigendom hoger ligt dan de agrarische waarde in onbelaste staat (bij een hectareprijs van € 22.000,--) dan wel slechts beperkt hoger is dan de agrarische waarde (bij een hectareprijs van € 26.000,--), leidt ook deze methode ertoe dat het erfpachtsrecht gewaardeerd wordt op nihil (bij een hectareprijs van € 22.000,--) of op € 25.459,-- bij een looptijd van 20 jaar (voor het totale object, bij een hectareprijs van € 26.000,--) en op € 27.079,-- bij een looptijd van 41 jaar.
3.9
Tegenover de door Fagoed verdedigde berekeningen heeft [appellant] een berekening gesteld van makelaar [S]. Uitgaande van een hectareprijs van € 26.000,-- heeft deze het recht van erfpacht gewaardeerd op een bedrag van € 11.454,55 per hectare. Bij deze methode wordt bij de berekening van de waarde van het erfpachtsrecht geabstraheerd van het terugkooprecht, dat, aldus [appellant], immers geen terugkoopverplichting inhoudt. [appellant] stelt dat voor een potentiële koper van het erfpachtsrecht in beginsel slechts van belang zijn de resterende duur daarvan, de verschuldigde canon en de gewone en buitengewone lasten.
3.10
Het hof is van oordeel dat het over onvoldoende specialistische kennis beschikt om te beoordelen welke methode in het onderhavige geval het meest geschikt is om de waarde van het recht van erfpacht te bepalen, overeenkomstig het uitgangspunt zoals dat is verwoord in r.o. 3.6. Het hof acht het dan ook noodzakelijk om hierover een deskundigenbericht in te winnen.
De kosten van het deskundigenbericht zullen moeten worden voorgeschoten door [appellant], nu hij de eisende partij is in deze procedure. Wie de kosten uiteindelijk moet dragen, hangt af van het antwoord op de vraag welke partij de procedure verliest.
3.11
Het hof is voornemens de deskundige(n) de volgende vraagstelling voor te leggen:
(a) Wat is de waarde van het recht van erfpacht, zoals dat in deze procedure aan de orde is, per 5 november 2008, uitgaande van wat een derde zou willen betalen voor dit recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden;
(b) Kunt u daarbij ingaan op de geschiktheid van de methoden van waardebepaling van het recht van erfpacht, zoals die zijn verdedigd door Fagoed (methode-Fagoed en methode-Tollner) respectievelijk [appellant] (methode-[S]).
(c) Heeft u verder nog iets op te merken dat in deze zaak van belang kan zijn?
3.12
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte door beide partijen – te beginnen met [appellant] – teneinde zich uit te laten over de vraag of zij één of drie deskundigen wensen, over de persoon van de aan te zoeken deskundige(n) en over de conceptvraagstelling, zoals die door het hof is voorgesteld.
Voor wat betreft de persoon van de aan te zoeken deskundige(n) geeft het hof partijen in overweging hierover onderling overeenstemming te bereiken.
3.13
Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 28 juni 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] voor het doen van uitlatingen als omschreven in r.o. 3.12, waarna Fagoed een antwoord-akte kan nemen;
houdt iedere nadere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman,R.H. de Bock, en M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011 door de rolraadsheer.