Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.3.1:2.3.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.3.1
2.3.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462064:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de inwerkingtreding van de Personeele Belasting in 1806 werd een aantal andere belastingen vervangen die in de afzonderlijke republieken en gewesten onder verschillende benamingen werden geheven, zoals Hoofdgeld, Haardgeld, Familiegeld en Haardstedegeld.1 De Personeele Belasting was een directe, evenredige belasting die geheven werd naar verschillende grondslagen van vermogen, waaronder de huurwaarde van de woning, de waarde van het meubilair en het aantal dienstboden. Ter bepaling van deze waarden werd uitgegaan van de eigen aangifte (zelftaxatie) van de belastingplichtigen. Hiertoe werden door de lokale besturen jaarlijks aangiftebiljetten uitgereikt, welke bij de districtsontvanger ingediend konden worden gedurende de periode 1 mei tot 30 juni. Ook was het mogelijk om de aangifte als het ware te laten verzorgen door taxateurs, die de waarden tegen een geringe vergoeding taxeerden. Deed een belastingplichtige echter zelf aangifte, dan stond het de ontvanger vrij om in geval van een vermeende te lage aangifte een taxatie van overheidswege uit te laten voeren. Was de door de belastingplichtige aangegeven waarde aanzienlijk lager dan de waarde volgens de door de ontvanger ingeroepen taxateur, dan werden de kosten van de taxatie op de belastingplichtige verhaald en werd eveneens een boete opgelegd. Als de belastingplichtige aan wie een aangiftebiljet was uitgereikt in het geheel geen aangifte indiende, dan ging de ontvanger onmiddellijk zelf tot taxatie over en werd tevens beslag gelegd (meubilair).
Het hiervoor beschreven verschil tussen zelftaxatie en ontvangerstaxatie brengt Sickenga tot de conclusie dat belastingplichtigen zich eenvoudig konden vrijwaren van alle boeten door te kiezen voor taxatie door een door de ontvanger aangewezen taxateur.2